Zonder moeders bescherming was ik aan de goden overgeleverd

Wyneke de Geus over haar kamp-ervaringen als kind op Sumatra

Biologe Wyneke de Geus-Everse vertelt over haar internering als jong meisje in Japanse vrouwenkampen op Sumatra. Haar moeder werkte als huisarts in de ziekenbarakken in de kampen Brastagi, Poeloe Brayan, Gloegoer en Aek Pamienke. ‘Tijdens een huiszoeking vonden de Japanners een radio en mijn moeder werd schuldig bevonden en moest naar de gevangenis. Als zevenjarige stond ik er alleen voor. Zonder mijn moeders bescherming in kamp Brastagi werd ik als roodharig meisje flink gepest.’

Eenzame jeugd

‘Mijn ouders leerden elkaar kennen bij de studie medicijnen in Leiden. Mijn moeder was als Nederlands-Indische in haar eentje op de boot gestapt om hier de artsopleiding te volgen. Toen ze haar huisartsendiploma had, vertrok ze direct naar Sumatra om haar zieke vader te verzorgen. Daarna ging ze werken in een sanatorium.

Wyneke en Jan-Willem in Bindjai, oostkust Sumatra 1940. Foto: familiearchief Wyneke de Geus-Everse
Wyneke met haar moeder en babybroer Jan-Willen in Soeroeran, Sumatra 1937. Foto: Familiealbum Wyneke de Geus.

In 1934 werd mijn vader hoofd van een klein hospitaal op een rubberplantage in Soemoeran. Op 19 september 1935 werd ik thuis geboren en mijn vader deed als huisarts zelf de bevalling. In 1937 kreeg ik een broertje Jan-Willem. Op 2 december 1940 stierf hij op driejarige leeftijd aan een buikvliesontsteking.

Opeens was ik mijn enige speelkameraadje kwijt, want met de kinderen van het huispersoneel speelde ik niet. Vanaf die dag voelde ik me eenzaam. Mijn ouders kregen nog twee kinderen, een zoon Martijn in 1940 en een dochter Pauline in 1941. Het leeftijdsverschil was voor mij te groot. Ik noemde hen ‘de kleintjes’. Als kind wilde ik graag dokter worden net als mijn moeder.’

Wyneke en Jan-Willem in Bindjai, oostkust Sumatra 1940. Foto: familiearchief Wyneke de Geus-Everse.
Wyneke en Jan-Willen Everse in Bindjai, oostkust Sumatra 1940. Foto: Familiealbum Wyneke de Geus

Oorlog

‘Er gonsden voortdurend geruchten over een mogelijke oorlog in Azië. Het zwembadje in de tuin werd als schuilkelder gebruikt en we oefenden voor eventuele bomaanvallen. Mijn moeder gaf EHBO-cursussen en mijn vader werd reserveofficier in het KNIL.

Op 28 december 1941 werd het vliegveld van Medan door Japanse gevechtsvliegtuigen gebombardeerd. Zes weken na de bevalling van mijn babyzusje Pauline werd mijn moeder opgeroepen om in het bergdorp Brastagi de mannelijke artsen te vervangen, die in de chaos het KNIL bijstonden. Daar deelden we een kleine villa met een Engelse familie. Op 8 maart 1942 capituleerde het KNIL en werd Nederlands-Indië door Japan bezet. Het neerhalen van de Nederlandse vlag door Japanse soldaten en het hijsen van hun vlag maakten op mij een diepe indruk. De spanning onder de volwassenen was om te snijden en daardoor begon ik hard te huilen. 

Wyneke, baby Pauline, vader en Martijn in Bindjai, januari 1942. Foto: familiearchief Wyneke de Geus-Everse.
Wyneke, baby Pauline, vader en Martijn in Bindjaim januari 1942. Foto: Familiealbum Wyneke de Geus

Toen mijn zusje een half jaar was, werden we geïnterneerd in het internaat van de Planters School Vereniging, het zogenoemde Brastagi-kamp, naast de Sibajak-vulkaan. In dit kamp bezocht mijn vader ons in zijn legeruniform nog één keer. Mijn moeder bleef daar aan het werk, omdat al haar mannelijke collega-artsen na de capitulatie werden geïnterneerd.’

Een vreemde wereld

‘Bij aankomst in het kamp droeg ik alleen een broekpakje en een bolerootje. In die eerste weken leende ik het boek ‘De Tovenaar van Oz’. Ik kon me goed met het meisje in het boek vereenzelvigen, omdat zij ook in een vreemde wereld belandt. Mijn hele kamptijd verlangde ik naar boeken en probeerde ik er van alles voor te ruilen. Op 31 augustus 1942 moest ik met een amoebedysenterie naar het kampziekenhuis. Op mijn zevende verjaardag, 19 september 1942, ging de poort van kamp Brastagi dicht. De Europese vrouwen klaagden vaak dat hun luxe leven met personeel voorbij was. Voor mijn moeder als kamparts met zeer jonge kinderen werd een uitzondering gemaakt en we behielden ons kindermeisje.
Begin 1943 werd een radio ontdekt bij een huiszoeking in onze kleine villa, waar we dus allang niet meer woonden. Hoewel de verboden radio kapot was, werd mijn moeder als voormalige hoofdbewoner schuldig bevonden aan het bezit en moest een aantal maanden naar de gevangenis in Medan.

Ons kindermeisje, Jootje Grootenboer, kon geen drie kinderen aan en ik moest mezelf maar zien te redden. Andere moeders sprongen voor hun kinderen in de bres, maar omdat mijn moeder afwezig was, voelde ik me extra kwetsbaar. Vanwege mijn rode haren werd ik flink gepest door steeds dezelfde meisjes. Tot overmaat van ramp poepte ik voor hun ogen in mijn broek en werd ik helemaal het mikpunt van hun spot. Ik miste mijn moeder enorm.’

Wyneke met haar moeder in Bindjai, Sumatra 1940. Foto: familiearchief Wyneke de Geus-Everse.
Wyneke met haar moeder in Bindjai, Sumatra 1940. Foto: Familiealbum Wyneke de Geus

Dansen in de warme tropenregen

‘Op mijn achtste verjaardag kwam mijn moeder vrij en werd zij naar het lager gelegen kamp Poeloe Brayan gebracht, waar een warmer klimaat heerste. Toevallig had zij in de gevangenis haar vroegere Japanse kapper gezien, die kon regelen dat wij met ons kindermeisje in een auto werden opgehaald.

Het weerzien met mijn moeder was fantastisch en het pesten was voorbij. Er hing in Poeloe Brayan een gemoedelijke sfeer dankzij de vele Nederlands-Indische vrouwen, die al voor de oorlog van de nood een deugd maakten. Van restjes rijst bakten zij bijvoorbeeld rijstkoekjes. Er werd veel gesmokkeld en gehandeld met de lokale bevolking over de kampafrastering. Ik hield van dansen in de warme tropenregen, die van het dak van onze barak afstroomde als een warme douche.

Martijn, Wyneke en Pauline, Medan 1946. Foto: familiearchief Wyneke de Geus-Everse.
Martijn, Wyneke en Pauline, Medan 1946. Foto: Familiealbum Wyneke de Geus

Mijn relatie met Jootje werd alsmaar slechter, omdat ze nauwelijks naar mij omkeek. Zij sloeg mij vaak en ik kreeg geen tijd om te spelen, want ze schakelde mij voortdurend in voor haar klusjes: oppassen op de kleintjes, water halen, koken en briefjes rondbrengen. Er waren lieve nonnen in geelgekleurde habijten die ons lesgaven. Ik genoot van hun verhalen, zij waren mijn zonnetjes. Als er een bewaker aankwam, moesten we ons snel verstoppen, want onderwijs was verboden. In dit kamp werden de vrouwen door meerdere bewakers tegelijk geslagen. Op een dag werd een inlander, die een fiets had gestolen, aan een paal vastgebonden en doodgeslagen. Ik zie nog zijn levenloze lichaam voor me. Het kamp was in diepe rouw.’

Leven in het hier en nu

‘Medio juli 1945 vertrokken wij ‘s nachts met het laatste treintransport uit Poeloe Brayan naar kamp Gloegoer. Moeder had ernstige knokkelkoorts en ging op een brancard onze trein in. Via Gloegoer arriveerden we op onze eindbestemming, het overvolle vrouwenkamp Aek Pamienke II. Dit was een rubberplantage waar een lorriebaan doorheen liep en een beekje, dat gebruikt werd voor baden en wassen. Het laatste stuk vanaf het station moesten we lopen, maar moeder werd op de brancard via de lorriebaan gebracht. Met ruim tweeduizend vrouwen en kinderen sliepen we in grote koelieloodsen. Wij hadden nog geluk met een wat hoger gelegen betonnen vloer in onze loods, want als het regende werd het hele kamp één grote modderpoel. Dag en nacht hoorde je er alles van iedereen en dit voelde voor mij als echte onvrijheid. De ondervoede vrouwen moesten zware arbeid verrichten als lorries duwen, de grond bewerken en grafkuilen graven. Voor mijn moeder moet dit kamp verschrikkelijk zijn geweest. Vele gevangenen stierven onnodig wegens het gebrek aan medicijnen, door honger en besmettelijke ziekten. Alle doden werden weggedragen in kisten, die steeds opnieuw werden gebruikt. Als kind leg je je bij een situatie neer. Je leeft meer in het nu. De vrouwen kookten zelfs van de maden in de latrines nog soep. Dat vond ik toch echt te vies. Eten bemachtigen was de belangrijkste bezigheid van onze dagen. Er was zo weinig te eten, dat ik niet eens uit mijn kleren kon groeien. Ik was ontzettend trots op mijn moeder en merkte dat onze kampgenoten haar nodig hadden. Soms kregen we uit dankbaarheid wat eten.’

Een hemels gerecht

‘In dit afgelegen oerwoud hadden we geen weet van de Japanse capitulatie. Wel gonsde het van geruchten over een bom. In de bossen vonden we parachutes met voedselkisten met gecondenseerde melk. Van de groene en witte parachutestof maakten de moeders kleding. Zo kreeg ik een groen topje en broekje, maar ik wilde liever de witte stof. De kamphekken gingen open en we mochten eruit naar de pasar, waar we met de Indonesiërs eten ruilden voor onze laatste bezittingen. Ik ruilde mijn bolerootje voor een levende kip, waar ik dol op was. Nu pas zag ik hoe arm deze mensen buiten het kamp waren.
De Japanners bleven in het kamp om ons te beschermen tegen de vrijheidsstrijders. Achteraf bleek dat ze een hele opslagplaats medicijnen voor henzelf hadden bewaard. Ook hielden ze varkens voor zichzelf. Na de bevrijding hoorde ik varkensgekrijs en die avond kregen we allemaal een gehaktballetje en dat smaakte zo verschrikkelijk lekker. Een hemels gerecht. We zochten eetbare paddenstoelen in het bos en hadden geen last van overeten, want daar lette mijn moeder op. Op mijn tiende verjaardag kregen we een brief van vader via het Rode Kruis met een stukje zeep, als eerste teken van leven.’

Het weerzien

‘Het weerzien met mijn vader was vreemd. Opeens stond er een magere man met een lange baard aan de rand van onze loods. Ik vond hem maar eng en zijn baard prikte bij de omhelzing. Hij was als krijgsgevangene vanuit Belawan op het Japanse schip de Harugiku Maru meegevoerd. Dit schip werd door een Britse onderzeeër in de Straat van Malakka getorpedeerd. Een Japans tankschip viste mijn vader op uit zee. Zijn leven is dus ook gered door Japanners, vandaar dat ik nooit spreek van ‘jappenkampen’, maar van Japanse interneringskampen, want niet alle Japanners waren slecht. Daarna is mijn vader tewerkgesteld aan de Pakanbaroe Spoorlijn. Na de bevrijding is hij met een groepje kampgenoten naar Aek Pamienke gereden, een levensgevaarlijke tocht door het oerwoud vanwege de aanwezigheid van vrijheidsstrijders.’

Bersiap

‘Vanaf half oktober 1945 bedreigden vrijheidsstrijders Indische Nederlanders en werden we in vrachtwagens naar Medan getransporteerd. Met vele andere gezinnen kregen we een groot huis toegewezen in de door de Engelsen en Gurkha’s beschermde wijk ‘het Poloniakamp’. Ik mocht naar school bij de fraters.

Onze frater-onderwijzer Alex stond met een geweer voor de klas. Ik was heimelijk verliefd op hem, want vergeleken met de teruggekeerde magere mannen was hij knap. Mijn vader moest weer in dienst als reserveofficier. Mijn moeder koos ervoor om niet meer te werken, ze vond dat ze wel genoeg had gezorgd.’

Frater Alex met de vijfde klas, Medan 1946. Links vooraan zittend: Wyneke Evense, 1946. Foto: familiearchief Wyneke de Geus-Everse.
Frater Alex met de vijfde klas, Medan 1946. Links vooraan zitten: Wyneke Everse. Foto: Familiealbum Wyneke de Geus

Afscheid van mijn kip

‘In juni 1946 vertrokken we met het vliegtuig, omdat mijn vader en broertje te ondervoed waren. Ik nam afscheid van mijn klasgenootjes en van mijn kip. Opa en oma stonden op ons te wachten op Schiphol. Oma begon meteen met haar eigen Hongerwinter-verhaal dat we al in haar brieven in het Polonia-kamp hadden gelezen. Onze eerste opvang was in een pension in Zeist. Het was raar om zoveel binnenshuis te zijn en om op schoenen te lopen. We voelden ons ontheemd en onzeker over de toekomst. Uiteindelijk heb ik in De Bilt gymnasium gedaan en ben daarna biologie gaan studeren. In 1947 logeerde ik bij ons - intussen getrouwde - kindermeisje, die toen toegaf dat ze mij niet juist had behandeld in het kamp. Ze heeft heel groots gezegd: ‘Het spijt me ontzettend!’ Haar oprechte excuses klaarden de lucht tussen ons.’

Wyneke Everse, Groningen 2017.
Wyneke de Geus, september 2017. Foto: Ellen Lock

Hier hoor ik thuis

‘Toch blijft mijn moeders gevangenschap het meest verschrikkelijk voor mij, omdat ik zo aan de goden was overgeleverd. De nonnen in Poeloe Brayan waren daarentegen mijn zonnetjes. In 1989 ben ik met mijn zus Pauline teruggegaan naar Sumatra. Ik was bang voor mijn reactie op het land en de plaatsen waar we gevangen zaten, maar toen ik de warmte voelde bij het verlaten van het vliegtuig dacht ik: ‘Hier hoor ik thuis!’ We bezochten alle plekken en konden alles vragen. In Poeloe Brayan bleek dat onze nonnen destijds waarschijnlijk vanuit pure armoede die gele stof voor hun habijten hadden gekocht. Het was vreemd om de plaatsen uit je verleden zo vervallen terug te zien. Er heerste zoveel armoede dat je je voortdurend bezwaard voelde. Ik hoef er nu niet meer naar terug, want mijn kampherinneringen blijven toch anders.’

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak september 2017.