‘In de Hongerwinter werd ik snel volwassen’

Oud-CDA-minister van CRM en later van Volksgezondheid, Til Gardeniers, vertelt over haar leven in de oorlogsjaren.

‘De Hongerwinter heeft mijn leven veranderd. Sindsdien zie ik de verhoudingen tussen mensen die geven of nemen scherper’, aldus Til Gardeniers. In de oorlog bracht zij als 15-jarig kind verzetsberichten voor haar vader en voor haar latere zwager rond. Samen met haar zus hielp ze een gewonde Engelse piloot naar het zuiden. In deze editie van Aanspraak vertelt zij over haar oorlogservaringen en de invloed ervan op haar leven.

Waaraan merkte u dat de oorlog naderde?

Til Gardeniers: ‘Als jongste van een gezin van vijf kinderen ben ik op 18 februari 1925 in Rotterdam geboren. Mijn vader was hoofdonderwijzer op een Rooms Katholieke Lagere School voor jongens. Hij waarschuwde ons al in 1933 voor Hitler: “Van een dictator kan nooit iets goeds komen. Als Hitler Frankrijk aanvalt, dan valt hij ook Nederland aan om naar Engeland door te stoten. Die Maginot-linie houdt hem niet tegen.” Hij was een vrijdenker en een vakbondsman. Mijn moeder was vaak ziek vanwege hartproblemen en reuma. Tot grote zorg van mijn ouders was ik ook vaak ziek. In 1937 kwam Duitse familie van mijn moeder bij ons logeren. Een neefje vertelde dat het zijn grootste eer was om voor de Führer te sterven. Waarop mijn vader zei: “Zo wordt hier niet gesproken. Ik sta erop dat jullie vertrekken!” Onder huilend protest van mijn moeder bracht mijn vader hen naar het station. Dit maakte diepe indruk op mij.’

Waar bevond u zich toen de oorlog begon?

‘Op 10 mei 1940 werd ik ’s ochtends wakker van de ronkende vliegtuigmotoren boven de stad. Mijn vader stormde de slaapkamer binnen en riep: “Het is oorlog, het zijn Duitse vliegtuigen! Luister naar de radio!” Jarenlang had ik wroeging over mijn eerste gedachte: ‘Nu hoef ik gelukkig mijn wiskunde proefwerk niet te maken!’ Binnen tien minuten stonden mijn vader en ik op het dak te kijken naar de Duitse bommenwerpers tegen een strakblauwe hemel.’

Hoe ervoer u het bombardement op Rotterdam?

‘Toen het bombardement begon op 14 mei was ik in de stad om boodschappen te doen. Op de terugweg begonnen de sirenes te loeien. Duitse bommenwerpers dropten bommen in golven boven de stad. Op straat schreeuwden schuilende mensen mij toe: “Meisje, ga naar binnen!” Ik belde zo maar ergens aan en mocht er schuilen. Na het eindsignaal holde ik naar huis. Mijn ongeruste ouders waren blij me te zien. Met mijn vader liep ik naar de brug over de Schie en daar keken we twee uur naar de dikke grauwe rookwolken. Een mensenstroom uit de binnenstad kwam er aan. Mijn moeder maakte pannen erwtensoep die we uitdeelden aan de getroffenen. Later liep ik de stad in; je kon niet ‘vatten’ wat je zag. Een vrouw rende compleet in de war over straat met een lege vogelkooi in haar hand. De vrijwillige brandweer bevrijdde dag en nacht mensen uit het puin. Zodra er een bom op je huis valt, ben je alles kwijt. Daarom hecht ik weinig waarde aan bezit. Als ik over het bombardement praat, ruik ik die rook- en brandlucht weer.’

Hoe raakte u betrokken bij verzetsactiviteiten?

‘Daar rolde ik vanzelf in door de sterke band met mijn vader. Als enige van het gezin wist ik van mijn vaders activiteiten, omdat ik op zijn kamer mocht lezen. Hij ontfermde zich over mij vanwege mijn zwakke gezondheid. Op een dag droeg mijn vader als stil verzet een stukje rood en blauw op zijn revers naar school. Hij werd opgepakt, maar in de cel kreeg hij last van zijn hart. Hij werd direct naar het ziekenhuis gebracht, waar hij door Duitse soldaten werd bewaakt. Zijn zesde klas stond al voor de gevangenis en later voor het ziekenhuis te zingen. Dat maakte toen kennelijk nog indruk. Men liet hem vrij als hij niet meer zou provoceren. Met enkele vrienden was hij al begonnen met oproepen tot stil verzet. Hij ging nu niet meer naar vergaderingen, maar bleef schrijven. Rolschaatsend bracht ik zijn berichten en verzetskrantjes rond. Omdat ik zo klein was, viel ik niet op. Ook voor de verzetsgroep van de vriend van mijn oudste zus was ik sinds juni 1940 koerier. Nadat de Geuzen waren gepakt in het najaar van 1940, werden verzetsgroepen uiterst voorzichtig. Zijn groep bracht later geallieerde piloten naar het zuiden. Mijn oudste zus hielp hem hierbij. Eén keer mocht ik mee ter ondersteuning, omdat de piloot gewond was aan zijn been.’

Wat zijn uw heftigste herinneringen?

‘Mijn moeder overleed in 1941 aan een hartkwaal. Bij de begrafenis huilde ik aan één stuk door. Mijn broer vroeg mij op te houden, omdat mijn vader daardoor niet kon stoppen. Sindsdien kan ik niet meer huilen en keert mijn maag om bij verdriet. In de zomer van 1942 logeerde ik bij een schoolvriendin in Bloemendaal en kreeg tyfus. Direct bezetten de Duitsers het huis. Er werd een wacht voor de deur geplaatst en een legerarts onderzocht mij. Nadat ik een week ‘buiten westen’ had gelegen voelde deze arts vrijwel geen hartslag meer en vertrok hij, mét de wacht voor de deur. Gelukkig hoorde de moeder van mijn vriendin me een paar uur later van boven roepen: “Ik heb geen koorts meer.” Twee maanden later was ik genezen.

Medio 1943 werd ik opgepakt door een politieagent, omdat hij dacht dat ik Joods was en ik niet de verplichte ‘J’ in mijn persoonsbewijs had staan. Hij zette mij een nacht en een morgen in een cel. Het feit dat er geen klink aan de deur zat, heb ik nooit kunnen vergeten. Mijn grootste zorg was dat mijn vader niet wist waar ik bleef. ’s Morgens werd hij op school gebeld en mocht me ophalen. De agent zei bij mijn vertrek: “Je bent ook niet bang uitgevallen!” Ik antwoordde: “Nee, maar ik vraag me wel af wat u met me gedaan zou hebben als ik toch Joods was geweest.” Daarop bleef hij stil.

Hoe bent u de Hongerwinter doorgekomen?

‘In de oorlogsjaren kregen we bonnen van familie uit Limburg. Na Dolle Dinsdag was het Zuiden afgesneden en dit merkten wij direct in onze eethoeveelheden. Begin januari 1945 aten we op een dag maar vijf gortkorrels per persoon. Mijn vader en mijn tweede moeder hielden vol aan vier korrels genoeg te hebben. Op straat zag ik hoe een moeder een korst brood uit de hand van haar kind graaide. Ik zag heel scherp dat de wereld bestaat uit gevers en nemers. Alleen fietste ik op hongertochten langs boerderijen op zoek naar voedsel voor ons gezin. En met mij vele anderen. In de vrieskou lagen mensen tegen de dijk aan te slapen. Er waren stervenden tussen, waarbij ik soms de ogen sloot. In de Hongerwinter werd ik snel volwassen. Samen met een oudere zus maakte ik in januari 1945 een hongertocht. We kwamen uit in Haaften in de Betuwe. We ruilden alles wat we bij ons hadden. Zo volgeladen was fietsen naar huis onmogelijk zodat we twee dagen moesten lopen. Onderweg ontmoetten we een huilend leeftijdsgenootje, die bang was omdat het ná spertijd was. Samen trokken we verder. Opeens hoorden we twee Duitse militairen aankomen. Wij bleven alle drie tegen de dijk aanliggen, maar ze ontdekten ons meteen. Het was al spertijd en we vervoerden ook nog verboden levensmiddelen als olie en melk. Eén aangeschoten soldaat richtte de loop van zijn geweer op ons en riep: “Sie werden erschossen!” Mijn zus en onze beschermelinge begonnen te huilen, maar ik kon immers niet huilen en keek hem strak aan. De klik van de trekker horend dacht ik: ‘Nu ga ik dood’ Net op tijd sloeg zijn collega het afgaande geweer in de lucht. Hij zei: “Ach Heinrich, es sind nur Mädel!” Tot onze opluchting liepen ze verder zonder onze fietstassen te checken. Enorm geschrokken liepen we door. Eenmaal thuis kreeg mijn vader tranen in zijn ogen toen hij de appels zag.’

Til Gardeniers, juni 2010
Til Gardeniers, juni 2010,  Foto: Ellen Lock.

Wat merkte u van verzetsactiviteiten om u heen?

‘Onze buurman werd gezocht na een verzetsactie. Mijn vader zei tegen mijn oudste zus en mij dat deze buurman in de kelder kon onderduiken. Ik bracht daar zijn eten. Wij besloten er verder met niemand over te spreken. Die avond deed de SS een inval. Twee soldaten met geweren met bajonetten prikten door alle kastruimten. Mijn oudere zus begon te huilen toen ze de dekens van haar aftrokken. Mijn vader, mijn oudste zus en ik keken elkaar geen moment aan tijdens de huiszoeking. Niets mocht de onderduiker verraden. Vloekend verlieten de SS-ers ons huis. “Voor je eigen veiligheid ga je nu naar een ander adres, want ze komen zeker terug!”, zei mijn vader. De vriend van mijn oudste zus is in het voorjaar van 1944 opgepakt door de SS in zijn ouderlijk huis. Hij bleek verraden door een Duitse spion in zijn verzetsgroep tijdens het zogenoemde Englandspiel. Toen mijn zus en ik de SS voor zijn huis zagen staan, hebben we nog een aantal mensen kunnen waarschuwen. Op sommige adressen stond de SS en dan fietsten we door. Maar bij enkelen waren we op tijd, onder andere bij pater van Apeldoorn. Mijn zus belde aan bij de pastorie en zei: “Zeg tegen pater van Apeldoorn dat de SS eraan komt!” Zo konden er nog enkelen op tijd onderduiken. Mijn zus kreeg een brief van de SS dat haar vriend, in Utrecht berecht, ter dood was veroordeeld. Later ontvingen wij een briefje waarin stond: ‘Ik zit in een trein, die naar Duitsland rijdt. Ik leef nog.’

‘Na de oorlog kreeg ik deze aquarel van de ruïne van de Lauwenskerk van een bevriende Engelse militair. Een mooie herinnering aan het bevrijdingsfeest dat op het plein voor de kerk werd gehouden”, juni 2010
‘Na de oorlog kreeg ik deze aquarel van de ruïne van de Lauwenskerk van een bevriende Engelse militair. Een mooie herinnering aan het bevrijdingsfeest dat op het plein voor de kerk werd gehouden”, juni 2010,  Foto: Ellen Lock.

In de Hongerwinter piekerden mijn zus en ik over onze vriendjes omdat we lange tijd niets hoorden. Na Dolle Dinsdag was er geen contact meer mogelijk met het Zuiden. Mijn vriend Mat was ondergedoken in Zuid-Nederland, omdat hij niet in Duitsland wilde gaan werken. Om hoop te krijgen gingen we naar een waarzegger. Die vertelde dat de vriend van mijn zus niet dood was. Mijn vriend zou over een breed water zijn gegaan. Achteraf bleek alles te kloppen: Mat had zich gemeld bij de Royal Air Force en was staartschutter geworden. Slechts 3% van deze ‘rear gunners’ heeft de oorlog overleefd, dus ik had geluk dat hij het overleefde. Bij de vriend van mijn zus bleken tijdens verhoren nagels uitgetrokken te zijn. Met geen woord sprak hij hier ooit over.’

Kunt u vertellen hoe u de bevrijding hebt ervaren?

‘Depressief van de honger dacht ik vlak voor de bevrijding dat ik nooit meer zou kunnen lachen. Op 5 mei 1945 vroeg mijn vader of ik poolshoogte wilde nemen. We hoorden Engelse radiomuziek en zagen in de verte mensen dansen bij de Bergse plas. Een buurman waarschuwde: “Ga niet naar de stad, want de SS is nog bij de Veerhaven aan het vechten!” Op 5 mei was in Wageningen wel de capitulatie getekend, maar op sommige plaatsen bleef de SS doorvechten. Pas op 8 mei is in Duitsland de onvoorwaardelijke internationale overgave getekend en durfde iedereen naar de Coolsingel te gaan waar eindeloze rijen Canadese voertuigen juichend zijn binnengehaald. Tot mijn verbazing kon ik nog lachen, sterker nog, ik juichte mee!’

Hebben de oorlogservaringen uw leven veranderd?

‘Omdat ik een aantal keer bijna dood was geweest, nam ik mij voor mijn tijd en mogelijkheden goed te gebruiken. Ik realiseerde me dat je meer tijd moet vrijmaken voor een ander. Tijdens de oorlog had ik HBS -B en een secretaressediploma gehaald, maar als je de Hongerwinter hebt meegemaakt, dan kun je álles. Mijn hele leven ben ik in de pen geklommen voor anderen en ontdekte al doende vaak de juiste weg om dingen te bewerkstelligen. Zo verzeilde ik via allerlei vrijwilligers- en bestuurswerk in de politiek, eerst voor de KVP, en later werd dat CDA . In mei 1971 werd ik Tweede Kamerlid; van 1977 tot 1982 minister van CRM en later Volksgezondheid in de kabinetten Van Agt. Van 1983 tot 1995 was ik lid van de Raad van State, waarbij ik alle opgedane ervaring kon gebruiken.’

Aquarel van de ruïne van de Laurenskerk, juni 2010
Aquarel van de ruïne van de Laurenskerk, juni 2010,  Foto: Ellen Lock.

Wat hebt u als kamerlid en minister gedaan voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen?

‘In 1971 kreeg ik als kamerlid de portefeuille ‘verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen’ en was lid van de Kamercommissie van Justitie. De toenmalige minister van justitie Van Agt kwam in 1972 met het voorstel tot vrijlating van de Drie van Breda. Hartverscheurende hoorzittingen volgden; de einduitslag is bekend: ze werden niet teruggestuurd. Toch maakte deze emotionele discussie meteen duidelijk dat de beloofde ereschuld in de jaren na de Tweede Wereldoorlog in feite nog moest worden ingevuld. Er was alleen een Verzetspensioenwet geregeld, maar hele groepen getroffenen bleken over het hoofd gezien. Bij de discussies over het ontstaan van de Wuv, de Wiv en de Wubo was ik als kamerlid sterk betrokken. Als minister vond ik het een eer om het Hollandse Paviljoen te openen in Auschwitz. Overlevenden kwamen bij die gelegenheid voor het eerst terug in het kamp dat hen niet klein had gekregen. Ook daar bleek onvergetelijk helder hoezeer Koningin Wilhelmina’s woorden: “Wij hebben een Ereschuld naar hen”, van toepassing zijn tot de laatste getroffene.’

Interview: Ellen Lock, PUR-cliëntenblad Aanspraak, Juni 2010.