De oorlog kwam volkomen onverwacht terug

In gesprek met verzetsdeelnemer en schrijver Theun de Vries

De schrijver Theun de Vries, verzetsdeelnemer, kampslachtoffer en (ex)communist is 90 jaar. Reden om met hem over zijn gevarieerde leven te praten.

Tot de belangrijkst titels uit zijn oeuvre behoren: Westersche Nachten (1930 - Domprijs voor poëzie), Rembrandt (1931 - Meiprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde), Stiefmoeder aarde (1936), WA-man (1944 - Staatsprijs voor verzetsliteratuur), Sla de wolven, herder (1646), De laars - Verhalen uit een bezet gebied (1946), Pan onder de mensen (1954), Het meisje met het rode haar (1956), Februari; roman uit het eerste bezettingsjaar, 3 dln (1963), Wieken tegen de tralies, vertellingen van Wilt Tjaarda (1982), Ketters (1982), Marx, 2 dln (1983), Baron (1987; de favoriet van de schrijver), Het hoofd van Haydn (1988), De première (1990) en Terug uit Irkoetsk (1994). In 1979 verleende de Rijksuniversiteit Groningen Theun de Vries een eredoctoraat in de letteren.

Theun de Vries vertelt: ‘Mijn leven duurt al onvoorstelbaar lang. In m'n Fries geboortedorp heersten begin deze eeuw nog 19de eeuwse toestanden. Dat duurde in mijn beleving tot 1914. Vervolgens kwam de Eerste Wereldoorlog, waar Nederland weliswaar buiten bleef, maar die toch van mijn zevende tot mijn twaalfde het onderwerp van gesprek was. Ook in de privésfeer werd ik met de gevolgen van deze oorlog geconfronteerd. Mijn vader, boerenzoon en kind van de nieuwe tijd, werd directeur van een zuivelfabriek en ging vervolgens failliet toen de internationale handel in 1914 afbrak. Dat heeft hem een enorme knak gegeven. Daarna begon de crisistijd en startte tevens mijn nauwe betrokkenheid bij de opkomst en ondergang van het communisme. Dan natuurlijk die zo fundamenteel ingrijpende Tweede Wereldoorlog, het verzet, Kamp Amersfoort, de Koude Oorlog... En last but not least, door bijna de hele eeuw heen: mijn schrijverschap.’

Jeugd

‘Ik was tamelijk eenzaam als enig kind van lieve, eenvoudige, doopsgezinde mensen, die zo weinig van me begrepen..., wat had ik graag het soort ouders van Goethe gehad. Hij werd door hen onderwezen in kunst en filosofie, hij werd begrepen en geleid. Ik was geestelijk altijd alleen en heb mezelf moeten maken en vormen. Ik had een wilde puberteit, was een vreselijke dwarsligger op het gymnasium in Apeldoorn (waarheen we op m'n 12de verhuisden). Opstandig ben ik na de vierde klas van school gegaan. Toch was de gymnasiumtijd heel belangrijk voor me. Vanaf m'n 12de wist ik dat ik schrijver wilde worden en op het gymnasium leerde ik de wereldliteratuur kennen. Schriften vol schreef ik die jaren. Achteraf noem ik het de tijd van m'n vingeroefeningen: ik vond het verrukkelijk om met taal te werken, maar ik kon slechts schrijven over zaken buiten mezelf, ik had nog weinig inhoud. Jarenlang ben ik uit puur genot met het gebruik van oude woorden blijven spelen, tot grote irritatie van sommige critici.
Ik was jong toen m'n eerste boeken gepubliceerd werden, 'Friese sagen' op mijn achttiende, 'Rembrandt' op mijn drieëntwintigste. Daarnaast schreef ik veel gedichten (1928: 'De Vervreemding'), maar het was crisistijd, ik moest werk vinden en dat lukte niet goed. Dus volgde ik een bibliotheekstudie en bleef ik tot 1937 werkzaam in dat vak. Mijn christelijk geloof was ik kwijt geraakt, daarom zocht ik begin dertiger jaren naar een richtinggevend denken in m'n leven. Ik werd geconfronteerd met stromingen als het vrij-katholicisme, de vrijmetselarij, het occultisme en dergelijke, maar een echt inspirerende beweging in Nederland bestond er in die tijd niet.’

Communisme

‘Tijdens mijn stageperiode in een Hilversumse bibliotheek kwam ik in aanraking met Sovjet-literatuur. Ik las de jonge Sovjetschrijvers en dacht: dit is het. Deze mensen weten wat ze willen. Zij  richten met ijzeren energie en grote volharding en vanuit grote solidariteit tussen de mensen een geheel nieuwe maatschappij in. Een illusie dus, want de stalinistische periode was al aangebroken. Had ik beter om me heen gekeken, ik had het gezien. Maar ik geloofde in het partijcommunisme, in de discipline, heldenmoed en opoffering. Mijn keuze voor het Marxisme was onafwendbaar toen in 1933 Hitler's machtovername in Duitsland plaatsvond, want tegen zoveel barbarij moest een barrière worden opgeworpen. In 1937 werd ik lid van de CPN. Ik heb een grote existentiële fout gemaakt, door vanuit een soort geestelijke traagheid en valse loyaliteit tot de jaren '70 het communisme trouw te blijven.
Maar ja, juist tijdens de Tweede Wereldoorlog werd mijn beeld van het communisme positief bevestigd. De geweldige militaire overmacht van de Sovjet-Unie werkte elektriserend, er ontstond in heel West-Europa veel goodwill ten opzichte van het communisme. Bovendien waren de communisten die ik ontmoette, prima kerels. Het goede slag Amsterdamse arbeiders, deelnemers aan de Februaristaking. Maar toch, met name wanneer ik na de oorlog Rusland bezocht, zag ik hoe het communistisch experiment was misgelopen en moest ik erkennen dat de Russen aan de echtheid en autenticiteit van het socialisme enorme schade hebben toegevoegd.
Gelukkig ben ik in mijn hart altijd een individualist gebleven en ben ik in mijn boeken nooit een propagandamaker geworden. In Moskou zetelde het controlerend communistisch oog en dat registreerde: van Theun de Vries moet je geen communistische actie verwachten. Slechts éénmaal heb ik in een boek het Russisch ideaal van de communistische held uitgewerkt. Dat deed ik in 'Het meisje met het rode haar', en dat deed ik uit oprechte bewondering voor verzetsdeelneemster Hannie Schaft.
Het grootste falen van het communisme, van de Sovjet-Unie verwijt ik Gorbatsjov. Was hij een groot staatsman geweest, dan had hij aan de nieuwe openheid democratische waarden toegevoegd. Maar hij vluchtte en heeft daarmee het communistisch ideaal grote schade toegebracht. Maar goed, voor mij geen lidmaatschap van een politieke partij meer, al blijft de politiek via de media mijn dagelijks leven binnen stromen en al blijft de toestand van de wereld me bezig houden. Ik ben 25 jaar geleden uit de CPN gestapt en teruggekeerd tot m'n individueel humanisme.’

Verzet

‘Tijdens de bezettingstijd was ik vanaf 1941 betrokken bij het Kunstenaarsverzet: een bundeling van antifascistische kunstenaars en schrijvers tegen de nazi-instelling van de Kultuurkamer. In eerste instantie dachten we in de Kultuurkamer de macht over te kunnen nemen door er en-bloc lid van te worden, maar toen door de anti-Joodse maatregelen Joodse kunstenaars uitgesloten werden, verviel dat plan uiteraard. Over bleef toen de opzet om zoveel mogelijk kunstenaars af te houden van het lidmaatschap, en het verzet tegen de bezetter te stimuleren. Hiertoe vormden we steeds wisselende comité's, waarin leden als A. Roland Holst, Frits van Hall en Annie Romein. Deze comité's hebben de grondslag gelegd voor de latere ,Federatie van kunstenaarsberoepverenigingen'. Het verzet had een podium in het militante blad "De Vrije Kunstenaar" van beeldhouwer Leo Braat en architect Jaap Bot.
Aan het illegale CPN-verzet ging ik pas eind 1942 deelnemen. Tot die periode zat ik merendeels ondergedoken. Dat was nodig omdat de CPN mij, direct na het uitbreken van de oorlog, formeel eigenaar van haar drukkerij en pers maakte, om op die wijze de Duitsers zand in de ogen te strooien en te kunnen blijven drukken. Toen de bezetter daar niet intuinde was Amsterdam voor mij geen veilige plek meer. Maar eind 1942 kwam ik er terug, dook er onder, en werd mederedacteur van ‘De Vrije Katheder', een links-intellectueel blad van studenten, die weigerden een Ariër-verklaring te tekenen. Daarnaast schreef ik voor 'De Waarheid'en “De Vrije Kunstenaar' en vervaardigde met Braat en Bot valse persoonsbewijzen voor Joodse onderduikers. Ook literair was ik deze periode veel bezig. Ik schreef onder andere 'WA-man' en 'De laars - Verhalen uit een bezet gebied'.’

Arrestatie

‘Zomer 1944 liep ik met verzetspamfletten in mijn tas door Amsterdam, op weg naar mijn onderduikadres. Ik voelde me nogal in paniek, moest ze kwijtraken en gooide ze door toevallig openstaande ramen hier en daar naar binnen. Stom, voor iemand uit het verzet, maar ik deed het nu eenmaal. Wie me gezien heeft, weet ik niet, maar de landwacht werd gealarmeerd. Dus, met plotselig een revolver tussen mijn schouderbladen, werd ik -vlak na D-day, waarover ik nog een gedicht had geschreven- gearresteerd. Op weg naar een van de Kringhuizen heb ik (en dat is altijd mijn sterkste punt geweest, mijn manier om te overleven en te verdringen) een verhaal bedacht over hoe ik de pamfletten zelf in handen gedrukt had gekregen, hoe ik er verder niets mee te maken wilde hebben. Tijdens de paar weken dat ik op het Kleine Gartmanplantsoen vast zat, heb ik ontzettend veel nagedacht. Over mijn fouten, maar ook over nieuwe verhalen. Ik heb gedurende die dagen een roman volledig uitgewerkt. Meer dan iets anders was ik gedurende mijn leven een 'teller of tales'. Vanuit de cel waarin ik zat werden mijn voorgangers geëxecuteerd, maar ik werd, nadat ik weigerde in te gaan op "Als schrijver wilt u vast wel vrij zijn. Geef ons wat Joodse namen uit linkse kringen" op de trein naar kamp Amersfoort gezet.’

Kamp Amersfoort

‘Die eerste weken daar waren vreselijk. Ik was ziek, verzwakte, maakte executies mee, kortom: een proces van ontmenselijking. Maar wat heb ik tijdens mijn verblijf in Amersfoort vervolgens een geluk gehad. Omdat ik ziek was kwam ik in het ziekenhuisje terecht, waar ik kennis maakte met de doodzieke Gerard Vlas (uit het gewapend verzet). Van kampbaas Kotälla moest Gerard helemaal opknappen, want "Jou krijg ik wel als je weer beter bent!". Zo werd Gerard kamerwacht bij de koks (een stel prettige linkse jongens) in een eigen verblijf. En Gerard maakte mij tweede kamerwacht, wat natuurlijk overbodig en belachelijk was, daar in zo'n kleine kop-barak. Die koks stalen als raven: brood, pap, boter en met Kerst 1944 zelfs een fles Danziger Goldwasser. Dus ik kwam de hongerwinter heel goed door. Eigenlijk een beetje genant, en veel mensen die het beroerder hadden in het kamp, namen me dat dan ook nogal kwalijk. Prettig was dat niet, maar ik was egoïstisch genoeg om te denken: dit is m'n redding. 

Ja, ik heb veel geluk gehad. Eerst mijn opname in het ziekenhuisje, daarna mijn verblijf bij de koks en uiteindelijk de wijze, waarop ik uit het kamp ben weggekomen. Dat is heel wonderlijk gegaan. 
Op een gegeven moment werd geroepen dat ik naar de SS-barak moest gaan. Ik schrok, dacht "Nu weten ze wie ik ben en gaat het echt beginnen". Sta ik voor Kotälla, zegt ie "Herr de Vries, Sie sind entlassen". Naast hem stond een beetje dikke man met aan zijn pink een ring met SS-runen. Met hem moest ik mee en ik verwachtte op het moment dat we langs de schietbaan zouden lopen, de kogel te krijgen. Maar er gebeurde niets. We kwamen bij de uitgang, waar ik een warme jas kreeg en een auto met houtgasmotor op me stond te wachten. Ik was bij toeval gered. Het verzet wilde de schilder Henk Henriët bevrijden en had voor hem ontslagpapieren geregeld. Helaas was Henk reeds op transport gesteld. Omdat ze de papieren toch al hadden besloten ze mij dan maar te nemen. De paar maanden tot de bevrijding heb ik nog in onderduik gezeten.’

Na de oorlog

‘Binnen een week na mijn vrijlating schreef ik verder aan een boek waaraan ik vóór mijn arrestatie al begonnen was. Dat, en de wijze, waarop ik direct na de oorlog op allerlei terreinen werd opgevangen, heeft me ontzettend geholpen afstand te nemen van het gebeurde en de vreemde overgang te versoepelen. Ik kreeg een baan als mede-hoofdredacteur van ‘De Vrije Katheder' en een contract met een uitgeverij aangeboden.
De eerste 20 jaar na de oorlog ging alles redelijk. ‘De Vrije Katheder' ging ter ziele, ik was een tijdje redacteur van 'de Waarheid', werd hoofdbestuurslid van de CPN en reisde veel vanuit die functie. Wel werd ik door critici en mede-schrijvers slachtoffer van de 'Koude Oorlog' gemaakt. Ik ging naar PEN-congressen (Poets, Essayists and Novellists), een internationale schrijversorganisatie die zich inzet voor de vrijheid van meningsuiting overal ter wereld. Ik werd voorzitter van de Nederlandse PEN en lid van de Nederlandse Vredesraadafdeling, maar bovenal werd ik weer gewoon schrijver. In 1949 begon ik aan mijn boek over Hannie Schaft, dat, mede door de verfilming, in Nederland zo breed bekend is geworden.’

Kampsyndroom

‘Maar de oorlog kwam terug. Volkomen onverwacht, terwijl ik met m'n vrouw een boswandeling maakte, kreeg ik een gevoel van complete vervreemding: een doodservaring. Existentiële angst, de dood stond achter me, de ellende begon. Het gevoel verdween weer, maar in de daaropvolgende periode overviel het me op de meest vreemde momenten. Ik voelde me temidden van groepen mensen stervende, en moest een café inlopen en een paar glazen cognac drinken om me weer een beetje normaal te gaan voelen. Ik had afschuwelijke associaties, waaronder vooral het steeds maar horen van de kampbel. In eerste instantie had ik er geen idee van wat me mankeerde, maar er verschenen publicaties over kampsyndromen, dus op een bepaald moment begon ik een relatie met de oorlog te zien. Ik wist dat ik hulp nodig had, maar het heeft heel wat psychiaters geduurd voor ik dokter Leopold  in Amsterdam trof, die het echt kon begrijpen, die m'n doodsangst motiveerde en me werkelijk heeft geholpen. Op de af en toe terugkerende kampbel na ben ik genezen.’

Ouderdom

‘Ik heb mijn hele leven het wonderbaarlijke geluk gehad, dat ik altijd stof had om over te schrijven. Wellicht schrijf ik minder goed dan vroeger, maar daar heb ik zelf geen last van. Bij mij is de noodzaak om te schrijven tot vandaag toe aanwezig. Ik ben blij dat ík niet m'n brieven hoef te gaan verkopen ter compensatie van het ontbrekend literair manuscript. Ouder worden betekent echter ook dat er lastige dingen bijkomen. Doofachtigheid, slechtziendheid, moeilijk lopen (en ik hield zo van mijn Amsterdamse wandelingen). Maar ik mag niet klagen. Eigenlijk ben ik (gezien m'n lichamelijke gesteldheid toen ik een jaar of twintig was) stomverbaasd, dat ik het zo lang heb volgehouden. Ik tobde het grootste deel van m'n leven over sterven. Ik was verschrikkelijk aan het leven gehecht en kon niet tegen de gedachte dat het op zou houden. Ik verwachtte niet oud te zullen worden, maar werd toch steeds ouder en ouder. Langzamerhand beschouw ik de dood als tot het leven behorend - en dat is ook een dooddoener. Heel komisch, maar ook praktisch, denk ik nu soms dingen als 'wat doen mijn erven straks met dat kastje, of met mijn oude secretaire?' En dan denk ik: laat maar lopen. Het leven is eindig.’

Vroeger en nu

‘Vroeger, voor de oorlog, waren de mensen iets eenvoudiger van geest. In sommige opzichten misschien zelfs iets naïever. Bepaalde sociale stelregels, een bepaald sociaal gedrag was impliciet bij het leven inbegrepen. Door de Eerste en Tweede Wereldoorlog en door het fascisme heeft een soort ontbinding van verplichtingen plaats gevonden. Het leven is naar mijn gevoel een stuk vrijer, maar ook veel anarchistischer geworden. Er zijn deze eeuw prettige dingen bijgekomen, taboes zijn doorbroken en het vroegere duffe fatsoen is verdwenen. Het heeft weinig zin om deze veranderingen positief of negatief te waarderen. Verandering ligt in de aard der dingen, is het wachtwoord van de geschiedenis. Het mensdom gaat voort en blijft zich emanciperen. Negatieve verandering zie je bij oorlogen, de allerverschrikkelijkste verschijnselen van verval. En dan bedoel ik niet de vrijheidsoorlogjes hier en daar, waarvoor je in een bepaald opzicht soms respect kunt opbrengen. Over de hele lijn vind ik de ontwikkeling van het mensdom trouwens positief. Iedere generatie neemt elke keer weer de last van de geschiedenis op zich, probeert er iets van te maken en draagt vervolgens de taak weer over.’

Interview: Monique Orth, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak Oktober 1997