‘De zon ging onder en we liepen met koffers onze straat uit’

Sonia Melviez-Hildesheim vluchtte als kind met haar ouders vanuit Brussel naar Nederlands-Indië.

De Nederlands-Joodse Sonia Melviez-Hildesheim vertelt het vluchtverhaal van haar familie voor de nazi’s vanuit Brussel in mei 1940. Na een lange reis via Frankrijk, Spanje en Portugal voeren ze naar Nederlands-Indië, waar ze begin november 1941 aankwamen. Eén maand later brak de oorlog met Japan uit. Haar familie belandde alsnog in een oorlog. Dit keer was er geen ontkomen meer aan: alle gezinsleden werden door de Japanners geïnterneerd.

Sonia Melviez-Hildesheim, 2019.

Hollands in hartje Brussel

Mijn Nederlands-Joodse vader, Izaak Hildesheim, was textielvertegenwoordiger in Brussel. Mijn moeder, Mietje Aptroot, was secretaresse en kwam uit Leek bij Groningen. Ze waren volle neef en nicht en hun beider families waren tegen hun huwelijk. Na zeven jaar verloving trouwden ze alsnog. Wegens geldgebrek trokken ze in bij mijn grootouders Gustave en Saar Hildesheim, die vier etages bezaten op de Kemmelberglaan in de Brusselse deelgemeente Sint-Gilles. Mijn ouders mochten de begane grond bewonen en hier ben ik geboren op 24 juni 1933. Direct na mijn geboorte hing mijn gezondheid aan een zijden draadje, want mijn maag was dichtgegroeid. Net op tijd kon een chirurg dit opereren en redde zo mijn leven. Daarom verwende mijn moeder me waarschijnlijk altijd verschrikkelijk. Als jong kind hield ik van tekenen. Na de oorlog kreeg ik pianoles en wilde danseres worden. Met mijn moeder sprak ik Hollands en met mijn vader Frans. Mijn broer Max is drie jaar later geboren in 1936. Mijn ouders wilden voor de oorlog graag naar Palestina emigreren, maar hadden helaas geen geld daarvoor.

Voor ons huis in de Kemmelberglaan 32 - ofwel 32 Avenue du Mont Kemmel - in Sint-Gilles, Brussel. Vader Izaak, moeder Mietje, Sonia en Max, 1938. Foto: Familiealbum Sonia Melviez-Hildesheim.

Op de vlucht

Na de inval van de Duitsers in mei 1940 in Nederland en België waarschuwde een buurman mijn vader: “Waar wacht je nog op? Vlucht zo gauw mogelijk!” Het weinige zilver dat we hadden ging mee in een koffer. Grootmoeder Saar was nauwelijks te overtuigen dat we moesten vluchten. Inmiddels was zij weduwe, maar lichamelijk wel fit genoeg om te reizen. De zon ging onder en we liepen met koffers onze straat uit naar het station. Ik had mijn celluloid lievelingspop bij me en vond het verschrikkelijk om mijn vriendinnen Poppeke en Angèle achter te laten. We namen de trein naar De Panne aan zee waar mijn ouders een strandkar kochten om mijn broer voort te trekken tot Frankrijk. Duizenden mensen vluchtten te voet voor de nazi’s langs het strand over de Frans-Belgische grens. Mijn vader had nauwelijks geld, dus hij besloot meteen de trein naar zijn neef in Parijs te pakken. Vanuit de trein zagen we lichtflitsen van de Duitse bomaanvallen op Duinkerken. Zijn neef vond voor ons een onderkomen in Montmartre, waar we enkele maanden woonden. De vele trappen herinner ik me goed. Vader ging direct om hulp vragen bij de Nederlandse ambassade, die ons vanwege de Duitse opmars naar Parijs doorstuurde naar Montauban in Zuid-Frankrijk.

In Brussel sta ik, Sonia, links op de foto met mijn jeugdvriendinnen Poppeke en Angèle. Foto: Familiealbum Sonia Melviez-Hildesheim.

‘Gaan we nog niet weg?’

In Montauban kregen mijn ouders als vreemdelingen geen werkvergunning, maar mijn moeder werkte toch in een café om onze kamerhuur te betalen. Iedere avond telde ze alle fooi uit haar schort op tafel. Vader kluste bij door wijn in flessen te gieten in de cafékelder. Op de lagere school lachten ze me uit vanwege mijn Belgische accent, maar al gauw was ik de beste van de klas.
Voor ons kinderen werd het normaal om te reizen. De kleine Max vroeg telkens: “Gaan we nog niet weg?” Na een jaar moesten we weg van de autoriteiten, want vader wilde Belgische dassen gaan verkopen, maar dat mocht niet als vluchteling. We trokken verder door Spanje naar Portugal. In de Portugese badplaats ‘Praia das Maçãs’ werden Joodse vluchtelingen in een aantal hotelkamers opgevangen, we bleven er drie maanden. Van het vluchtelingencomité kreeg ik een prachtige grote pop cadeau, die ik nog bezit. Ik voelde me schuldig tegenover mijn kleine celluloid pop. De vluchtelingenorganisatie raadde ons aan Europa te verlaten, maar mijn vader had geen geld meer, daarom wendde hij zich om hulp tot het Nederlandse consulaat in Lissabon. Op 13 oktober 1941 verstrekte het consulaat ons het bootticket om naar Nederlands-Indië te reizen.

Max en Sonia Hildesheim in de badplaats Praia das Marçãs, Portugal, oktober 1941. Foto: Familiealbum Sonia Melviez-Hildesheim.
Mijn grote pop en deze pasteltekening heb ik nog.

Op de boot naar Java

Met het vracht- en passagiersschip de ‘Quanza’ vertrokken we met onder de vele passagiers zo’n honderd Joodse vluchtelingen via Zuid-Afrika naar Java. Mijn moeder gaf me als tijdverdrijf gekleurd mozaïekpapier. IJverig had ik een kunstwerk gemaakt, maar toen ik het haar toonde blies de zeewind tot mijn verdriet alle papierstukjes weg. Aan boord stierf een oude Joodse dame. Zij kreeg een zeemansgraf: ze werd over de reling van het schip in zee gegooid. Dit maakte diepe indruk op mij. Met mijn moeder oefende ik de woorden: “Ik condoleer u!”, maar bij de plechtigheid zei ik per ongeluk tegen de rouwenden: “Ik feliciteer u!” Ik baalde van mijn verkeerde woordkeuze. We voeren om Kaap de Goede Hoop heen en verbleven een paar dagen in Durban. Op een parkbank lazen we: ‘Mag nie hier sit nie!’ Wij speelden op een speelplaats, maar voor zwarte kinderen was dat verboden. Mijn ouders schrokken van de Apartheid en wilden daar niet blijven. Begin november 1941 kwamen we aan in Tandjong Priok, de haven van Batavia.

We hadden meteen een klik

Nieuw voor mij waren de apen en de hitte. Eerst moesten we naar het opvangcentrum in Buitenzorg, waar mijn ouders streng werden ondervraagd, want misschien waren het collaborateurs? We werden door de familie Barug opgevangen. Met hun dochter, Nelly Barug, had ik meteen een klik. We bleven vriendinnen tot haar dood in 2016.
Vanwege de Japanse oorlogsdreiging moesten we Buitenzorg verlaten en kregen we als gezin een klein huis in Bandoeng. Mijn vader mocht niet werken zolang zijn papieren nog niet in orde waren, maar verkocht toch textiel aan Chinese winkeltjes. Om wat geld te verdienen naaiden grootmoeder Saar en mijn moeder van badstof maandverband. Onze kamer lag ermee vol en het product vond gretig aftrek. Een maand na onze aankomst kwam de Japanse aanval op Pearl Harbor, waarna Nederland Japan de oorlog verklaarde. Mijn vader werd opgeroepen voor het KNIL en toevallig zocht de legerleiding juist iemand die internationale radioberichten kon vertalen. Tijdens Japanse bombardementen schuilden wij onder de tafel en beten op een stukje rubber.

Naar het kamp Tjihapit

Na de capitulatie van het KNIL op 8 maart 1942 kreeg mijn vader een oproep om zich te melden in het mannenkamp Baros. Aanvankelijk mochten we hem voedsel en kleding brengen. We kregen zijn voorbedrukte Japanse briefkaarten met teksten die aangaven dat alles zogenaamd goed ging. In de woonwijk Tjihapit in Bandoeng nam mevrouw Jos Weinberg, een Joodse psychologe, mijn moeder met haar gezin op. Moeder was haar zeer dankbaar voor één kamer in haar villa aan het Oranjeplein. Al gauw trokken er meer vrouwen bij haar in, zodat onze privacy verdween. De wijk werd afgezet met gedek - een bamboeomheining - en zo ontstond het Tjihapitkamp. Ik was ernstig ziek vanwege een nierontsteking. Een kamparts heeft me goed geholpen. Opeens had ik trek in rookvlees en om aan te sterken heeft mijn moeder dit voor mij kunnen regelen.

Kamp Tjihapit: ik won er zelfs een tekenwedstrijd. Bron: Familiealbum Sonia Melviez-Hildesheim.

Zulke dingen vergeet je niet meer

Op een dag moesten wij al ons speelgoed en onze fietsen inleveren. We gooiden alles expres kapot op een hoop, zodat de Japanners er niets aan hadden. Alle moeders probeerden ons ’s avonds na het gedwongen corvee op te vrolijken met spelletjes, zang en dans. Ik won er zelfs een tekenwedstrijd. Ook vierden we verjaardagen en kerst. De Japanners lieten ons twee maal per dag op appèl komen om geteld te worden. Als je niet diep boog voor de Japanners, kreeg je een harde klap. Een vrouw viel van uitputting en werd daarna hard geschopt. Zulke dingen vergeet je niet meer.
De moeders verzamelden eiwitrijke slakken in het bad om ze te koken, maar de volgende dag was het bad leeg en zat de badkamermuur ermee vol. Op een dag mocht er niet meer op gas worden gekookt. Stiekem maakten de vrouwen in de keuken sneetjes in de rubberen gasslang om toch op gas te koken. Ook ik moest op wacht staan om te waarschuwen als er een bewaker aankwam. Dichtbij de keuken las ik een boek, toen ik opeens een schaduw boven mijn boek zag. Ik riep zoals afgesproken ‘Kukeleku’ en waarschuwde de kokende vrouwen net op tijd. Er kwam een gaarkeuken waar je elke dag stijfselpap als ontbijt haalde, ’s middags waterige groentesoep en ’s avonds een kommetje gekookte rijst.

De lange verschrikkelijke treinreis

Mevrouw Weinberg had een bewaker uitgescholden en kreeg een strafoverplaatsing naar het Ambarawa kamp op Midden-Java. Mijn moeder wilde per se met mevrouw Weinberg meegaan en meldde ons vrijwillig aan, want mevrouw Weinberg was altijd goed voor ons geweest. Alle Joodse vrouwen zouden enkele weken na ons vertrekken naar een ander kamp in Tjimahi. Bij het afscheid van mijn Joodse vriendin Nelly Barug huilden we allebei. Ze gaf mij een boekje cadeau waarop ze op de stoffen kaftomslag ‘Tjimahi’ had geborduurd. Kort daarop dwongen de Heiho’s, hulpsoldaten van Japanners, ons het kamp te verlaten. Met teveel mensen werden we in vrachtwagons gestopt. Gedurende de tweedaagse treinreis naar Ambarawa kregen we geen eten of drinken.

Op de kaftomslag had mijn vriendin Nelly Barug ‘Tjimahi’ geborduurd.

Kamp Ambarawa 6

Het vrouwenkamp Ambarawa 6 lag in de bergen op Midden-Java aan een meer. Vanaf het station liepen we ernaartoe in de hitte. Op een matras onder een boom liet ik me uitgeput vallen. Ambarawa 6 werd bewaakt door Heiho’s. Honderden vrouwen en kinderen lagen in grote barakken. Per persoon kreeg je een brits van 50 centimeter breed, die ik met mijn grootmoeder moest delen. Wij lagen met zijn vieren onder één klamboe. Er was een Japanse kampcommandant die we zelden zagen, maar wel merkwaardige corveeklussen gebood. Zo moest ik langs zijn tuinpad de grote stenen verplaatsen en daarna weer exact terugleggen. Mijn moeder en grootmoeder waren broodmager. Om de hongerpijn in mijn buik niet te voelen, trok ik mijn ceintuur zo strak mogelijk aan. Ik heb slaande ruzies onder de vrouwen gezien over de verdeling van rijst. Na het corvee deden de moeders hun uiterste best om de kinderen af te leiden. Onderwijs was verboden, maar dat gebeurde toch stiekem. We hadden papier en ik won er zelfs een tekenwedstrijd. We droomden van een weerzien met vader, maar wisten niet of hij nog leefde.

Een teken van leven

Op mijn twaalfde kreeg ik corvee in het kamphospitaal, daar was ik trots op. Hier zag ik veel ernstig zieken, maar wat me het meest trof was hoe bij de latrines een vrouw een bezweken meisje over haar schouder droeg, dat met haar slappe benen door het open riool sleurde.
In april 1945 kregen de Joodse mannen in vaders kamp Baros gecensureerde briefkaarten van hun vrouwen. Een kampgenoot las de tekst voor: ‘Ik woon hier samen met mevrouw Lobleu.’ Opeens ontcijferde hij de naam: mevrouw L’ Eau Bleu, dit moest: ‘blauw water’ ofwel de plaats ‘Banjoe Biroe’ zijn, waar hun vrouwen dus gevangen zaten. Dit kamp lag 5 km ten zuiden van Ambarawa aan het bergmeer. Mijn vader kreeg geen kaart en dacht een week lang dat wij dood waren. Tot zijn grote vreugde kreeg hij toch een teken van leven, onze briefkaart twee maanden na dato uit Ambarawa. Toen een Amerikaans vliegtuig pamfletten uitstrooide boven Ambarawa vielen alle vrouwen en kinderen elkaar in de armen. Op de pamfletten stond: ‘Houd moed! De bevrijding is op handen!’ Dagenlang durfde ik nauwelijks naar het toilet, uit angst dat ik de bevrijding zou missen, maar deze liet nog zes maanden op zich wachten.

Vooruit kijken

Op een dag kwamen drie blanke mannen ons kamp binnen en vertelden dat we vrij waren. De kampleiding vertelde ons op de appèlplaats dat de Japanse keizer had besloten de oorlog te stoppen. Ook had hij zijn bewakers opgedragen om ons te beschermen tegen aanvallen van vrijheidsstrijders. Mijn moeder en ik liepen die dag naar een kleine pasar waar we een gegrilde maiskolf aten. Wij zagen hoe vrijheidsstrijders Chinese toko’s in brand staken en keerden snel terug. 
In het kamp Ambarawa 6 kreeg mijn moeder van het Rode Kruis een lange brief. Hierin las ze dat mijn vader nog leefde, maar ook de namen van al haar door de nazi’s in Auschwitz vermoorde familieleden. Van verdriet lag ze een dag op bed. Daarna zei ze tegen ons: “Wij kunnen hier niets meer aan veranderen. We gaan niet terugkijken, we kijken vooruit. Mijn vermoorde familieleden zouden hebben gewenst dat wij het allerbeste van ons leven maken. Dus dat doen wij voortaan ook!”
De kampbewakers beschermden ons samen met de Ghurkha’s tegen het Indonesische geweld. De Ghurka’s vervoerden ons als eersten in hun vrachtwagens naar de haven van Bandoeng. Na een paar dagen vonden we mijn vader aan het werk bij een inlichtingendienst in kamp Baros. Hij vertaalde het Engelse BBC-nieuws naar het Nederlands en plakte dit op een aankondigingsbord. Verrast riep hij: “Nondedju!”, sprong door het open raam en viel ons in de armen.

Voor ons huis in de Kemmelberglaan 32 - ofwel 32 Avenue du Mont Kemmel - in Sint-Gilles, Brussel. Oma Saar, moeder Mietje met Max in haar armen, vader Izaak met arm om Sonia Hildesheim, lente 1946. Foto: Familiealbum Sonia Melviez-Hildesheim.

Een zeer groot gemis

Wij waren zo blij dat we het alle vijf hadden overleefd. We vlogen met een Dakota naar Batavia en gingen met ‘De Sloterdijk’ naar Holland. In het Suezkanaal bij Attaka kreeg ik een lelijke roze winterjas, waarvoor ik me schaamde. Mijn moeder wilde naar Palestina gaan, maar mijn vaders oude textielconnecties in Brussel boden hem werk aan. In Brussel bleek ons huis leeggeroofd te zijn en de bewoners wilden niet weggaan. Na een jaar procederen was het hele huis weer voor onszelf. Mijn vriendinnen Poppeke en Angèle waren vermoord door de nazi’s, evenals vrijwel al onze Europese familie. Een zeer groot gemis. Voor mij was het behoorlijk wennen aan het Franstalige Brussel, omdat ik Hollands was opgevoed in het jappenkamp. In het lyceum in Brussel werd in het Frans lesgegeven. Een docente klassieke talen was attent en hielp mij met het Frans. Na het lyceum studeerde ik aan de kunstacademie.

Maurice en Sonia Melviez, 2019. Foto: Ellen Lock.

Inmiddels ben ik 62 jaren gelukkig getrouwd met mijn man, Maurice Melviez, die als kind moest onderduiken. We hebben een mooie familie opgebouwd: we kregen twee zoons, vier kleinkinderen en drie achterkleinkinderen. Het Indische kampverleden houdt mij nog steeds bezig, hoewel het gemis van de familie in Europa me meer heeft gedaan. Tijdens mijn gevangenschap in het jappenkamp was ik gelukkig altijd in het bijzijn van mijn moeder, grootmoeder en broertje en hun nabijheid gaf me kracht en vertrouwen. Op verzoek van mijn schoondochter werkte ik mee aan een interview voor de Shoah Foundation. Ik vind het belangrijk dat onze verhalen worden doorgegeven, juist ter nagedachtenis aan diegenen dit niet meer kunnen navertellen.

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak December 2019