‘Ik wilde het verzet graag helpen waar ik maar kon.’

De Joodse verzetsstrijdster Selma Velleman hield haar ware naam voor vriend en vijand verborgen.

Selma Van de Perre-Velleman is een Nederlands-Britse verzetsstrijdster die in Londen woont. Zij raakte betrokken bij het verzet toen zij voor haar moeder en zus een onderduikadres zocht. Haar vader zat toen al in kamp Westerbork. ‘Ik wilde het verzet graag helpen waar ik maar kon! Als koerierster bezorgde ik door heel Nederland onder valse namen voedselbonnen, documenten en pakketjes.’

Lange tijd wist ze dankzij haar niet-Joodse uiterlijk uit de handen van de bezetter te blijven. Pas na de oorlog durfde ze haar eigen naam weer uit te spreken. ‘Mijn naam is Selma’, is dan ook de titel van haar biografie, die zij in januari 2020 publiceerde.

Selma van de Perre-Velleman. Foto: Chris van Houts.

Wil jij met mijn bal spelen?

‘Mijn vader heette Barend Velleman en was acteur, zanger en presentator in Amsterdam. Mijn moeder was Femmetje Velleman-Spier. Ik ben geboren op 7 juni 1922 in Amsterdam en had twee oudere broers, David en Louis. Zes jaar later werd mijn zusje Clara geboren. Mijn zusje en ik sliepen bij elkaar en waren heel close. Mijn ouders gaven ons een warme en zeer liberale opvoeding. Mijn Joods-zijn deed er voor de oorlog niet toe. Op mijn tiende jaar vroeg een meisje dat tegenover ons woonde: ‘Wil jij met mijn bal spelen?’ Zo werden Greet Brinkhuis en ik hartsvriendinnen. Voor de oorlog deed ik de mulo en leerde graag talen. In de zomer van 1939 mocht ik op schoolreis naar Engeland en mijn moeder breide voor mij een blauw vestje met een rits. Dit vestje zou me later in kamp Ravensbrück zeer goed van pas komen.’

Mams, pa, Selma (4 of 5), David, (13) en Louis (15, staand), circa 1926. Foto: Familiealbum Selma van de Perre-Velleman.
Selma en Clara, Diemen, circa 1930. Foto: Familiealbum Selma van de Perre-Velleman.
Femmetje (mams), Clara, Jo Grobfeld, Selma, 1930. Foto: Familiealbum Selma van de Perre-Velleman.

Oorlog

‘Vlak voor de oorlog werd David gemobiliseerd in Middelburg. Louis voer de hele oorlog op zee bij de koopvaardij als eerste luitenant en lag met zijn boot in het IJ. Op 10 mei 1940 om vijf uur ‘s morgens schudde Louis ons wakker en schreeuwde: ‘Het is oorlog!'
Via de radio hoorden we dat het Duitse leger Nederland was binnengevallen. Louis moest die morgen om zes uur terug zijn op zijn schip. Bezorgd om zijn veiligheid zwaaiden we hem uit.
David heeft met zijn brigade vier dagen tegen de Duitsers gevochten. Bij de capitulatie op 14 mei 1940 kreeg zijn brigade het bevel zich terug te trekken via België en Frankrijk naar Engeland. Thuis waren we bezorgder om mijn broers dan om onszelf. Zouden zij al in handen van de vijand zijn gevallen? Ik zakte voor mijn eindexamen, maar slaagde gelukkig voor mijn staatsexamen. En in 1941 slaagde ik alsnog voor mijn mulo-examen. Ik nam lessen in steno en typen en hoopte als secretaresse aan de slag te kunnen bij De Bijenkorf.’

Greet bleef trouw

'Er kwamen Duitse maatregelen om Joden te isoleren van de bevolking. Tegen het einde van 1940 werden alle Joodse ambtenaren ontslagen. Ook de Joodse eigenaren en het personeel van De Bijenkorf waren al weggestuurd. Mijn vader vond een baan voor mij als assistent-boekhoudster en model bij een modehuis in Amsterdam. De bezetter stelde in februari 1941 de Joodse Raad in met een eigen krant: ‘Het Joodsche Weekblad’. Het bevatte naast culturele informatie alle anti-Joodse maatregelen. Joden en niet-Joden mochten niet meer bij elkaar op bezoek komen. Vader zei: ‘De enige die nog trouw zal langskomen is Greet.’ Hij kreeg gelijk, Greet bleef trouw. Op 3 mei 1942 nam vader de verplichte gele sterren voor ons mee voor op onze jas. Ik deed steeds mijn tas ervoor als ik op straat liep. Ik zag er niet Joods uit en niemand in onze omgeving wist het, dat is mijn redding geweest.’

Het verzoek om bonbons

‘Op 7 juni 1942, op mijn twintigste verjaardag, kreeg ik de oproep om me te melden voor het werkkamp. Vader gaf me laxerende chocolade en liet de dokter komen, die schreef dat ik bloed in mijn ontlasting had. Zo kreeg ik een ‘ziekte-Sperre’, een bewijs voor een paar dagen uitstel. Met een geleend verpleegstersuniform probeerde ik tevergeefs verder uitstel voor transport te krijgen, maar net op tijd kreeg ik een baan in een bontfabriek voor Duitse militaire winterkleding.
Mijn vader kreeg een oproep voor het werkkamp in Drenthe en liet geld voor ons achter bij mevrouw Jongeneel, de hospita van David in Middelburg. En hij had elders zijn Waterman-vulpen voor mij achtergelaten, waar ik heel blij mee was. Vanuit kamp Westerbork stuurde mijn vader nog enkele verzoeken om bonbons. Hoewel ik wist dat hij ze niet lustte, stuurde ik ze meteen op. Hij gaf ze aan de verpleegsters in ruil voor uitstel van deportatie. Met vaders geld vond ik voor mijn moeder en Clara een onderduikadres in Eindhoven. Terwijl ik het geld afleverde op hun onderduikadres, kon ik mijn moeder en zusje nog één keer zien. In juli 1943 zijn mijn moeder en zusje opgepakt en vermoord in Sobibor.’

Ondergedoken

‘Op een dag liep ik naar mijn werk, maar voelde me niet lekker. Ik keerde terug naar huis en juist op die dag werden alle bontwerkers opgepakt. Tegen betaling kon ik op diverse adressen onderduiken. De ouders van een vriendin lieten al gauw merken dat ze nu teveel monden moesten voeden. Daarop bracht ik vaders voedselvoorraden naar hen toe. Een paar dagen later stuurden ze me weg. Ik zei nog naïef: ‘Maar jullie hebben al ons voedsel gekregen?’
Ze logen dat dit op was. Opeens moest ik mij alleen zien te redden. Via via kon ik onderduiken bij een arts, Antje Holthuis, aan de Oude Singel in Leiden. Door haar raakte ik betrokken bij een verzetsgroep in Leiden en Haarlem. Ik wilde het verzet graag helpen waar ik maar kon. Als Wil Buter hielp ik deze verzetsgroep van dokters van het Leidse ziekenhuis met koerierswerk zoals voedselbonnen, verzetskranten of valse papieren wegbrengen.’

Verraad

‘Later kreeg ik de naam van een gestorven baby, Margareta (Marga) van der Kuit, en had blond geverfd haar. Ik werd lid van een actiegroep, de Tweede Distributie-groep die samenwerkte met de Westerweelgroep en de L.O., de Landelijke Organisatie. Zo ging ik naar Parijs om documenten te halen. In het hoofdkwartier van de nazi’s wisselde ik zo kalm mogelijk papieren uit met een man. Er was verbazingwekkend weinig controle. Het was voor mijn koerierswerk door heel Nederland veiliger om in Utrecht te wonen. Daar werkte ik samen met twee jongemannen, Bob en Jan. Op 18 juni 1944 deed de Gestapo in Utrecht een huiszoeking bij Bob. Jan had juist die dag mijn boekenplanken met geheime vakken naar Bob’s kamer gebracht. Helaas vonden ze Bob’s wapen en werden Jan en ik ook gearresteerd. 
In de Utrechtse gevangenis nam een oudere Nederlandse bewaakster mijn spullen in beslag. En opeens zei ze: ‘Heb je een agenda bij je?’ ‘Ja,’ antwoordde ik. Ze adviseerde: ‘Versnipper die in het toilet!’ Ik zei: ‘Maar er staat niets in.’ Zij antwoordde: ‘Ze vinden altijd wel iets!’ Bij de Sicherheitsdienst in de Euterpestraat in Amsterdam werd ik dagenlang ondervraagd door de SS’er Willy Lages. Hij geloofde niet dat ik toevallig op bezoek was bij Bob. In mijn cel was ik bang om te slapen, omdat ik hardop zou kunnen dromen en mijn ware naam zou prijsgeven. Uiteindelijk werd mijn vonnis ‘Kriegsdauer’, gevangenschap zolang de oorlog duurde. Ik werd naar strafkamp Vught gestuurd als politieke gevangene.’

Kamp Vught

‘Bij aankomst in kamp Vught moesten we in bad. Mijn vestje en vulpen moest ik afgeven. We kregen allemaal een blauwe overall en moesten elke ochtend vroeg op appèl staan. Ik zat in een vrouwenploeg die gasmaskers voor de Duitsers moest maken in een fabriek in Den Bosch.
Op 6 september 1944, na de Geallieerde invasie, werden we op het treintransport naar het kamp Ravensbrück gezet. Op een stukje toiletpapier schreef ik een boodschap voor mijn vriendin Greet Brinkhuis. Ik schreef haar naam in het Duits, dan kwam het misschien aan. ‘Lieve Gretchen, Houd moed, ik doe het ook! Ik zit in een trein op weg naar Ravensbrück.’ Ik gooide het door een kier naar buiten op het perron. Het briefje is bij Greet in een enveloppe bezorgd. Ze heeft het jarenlang bewaard en tien jaar geleden verhuisde ze en vond mijn briefje weer.’

Brief aan Greet op een stukje toiletpapier vanuit de veewagon in Vught, 6 september 1944.

Kamp Ravensbrück

‘Na een tweedaags veewagontransport kwam ik op 8 september 1944 in kamp Ravensbrück aan. Dit was een groot concentratiekamp voor politieke gevangenen op 85 km ten noordoosten van Berlijn. Op het perron schreeuwden de Duitsers ‘Raus, raus!’ en er klonk hard geblaf. De honden droegen dezelfde grijze jasjes als hun bazen met een SS-speld erop. Na de koude douches en de ontluizing kregen we een grijs gestreepte gevangenisjurk met een wit kruis op de rug. Er stond een rood driehoekje op mijn linkermouw, het teken voor politieke gevangenen, en mijn nummer 66947. Ik ontmoette er een aantal Hollandse verzetsvriendinnen uit kamp Vught. Een van hen had mijn blauwe vestje en vaders pen in een thermometerbuisje meegesmokkeld in haar tas. Dat was een enorme troost. Al die tijd wist niemand dat ik Joods was, want ik hield mijn ware naam voor vriend en vijand verborgen. Altijd vreesde ik mezelf in mijn slaap te verraden.’

Die Hollandse leeft nog

‘Op een dag zat ik met verschrikkelijke diarree op het toilet en kon niet snel genoeg naar het appèl komen. Een SS-bewaker sloeg me bewusteloos met zijn riem. Twee Hollandse verzetsvriendinnen brachten me naar de ziekenbarak. De volgende dag hoorde ik de verpleegster vol verbazing zeggen: ‘Die Hollandse leeft nog, ik dacht dat ze de nacht niet zou halen.’ Na vier dagen moest ik weer aan het werk, maar was nog te zwak voor zware dwangarbeid. Een meisje uit de Philipsgroep van kamp Vught, die al bij Siemens werkte, adviseerde mij om me aan te sluiten in de Siemenskolonne voor het lichtere fabriekswerk. Het soldeerwerk ging me niet goed af. Zodra de telefoon ging, nam ik hem op, want dat werk lag mij beter. De productieleider, Herr Seefeld, vroeg me om zijn secretaresse te zijn. Later zei hij dat ik hem aan zijn dochter deed denken.

Op een dag ontdekte de hoofd-Aufseherin dat ik uitgeput in zijn kantoortje lag te slapen. Dit had mijn einde kunnen betekenen, maar de heer Seefeld voorkwam dat zij mij strafte. In Ravensbrück stierven velen van de honger, want we kregen alleen één sneetje brood als ontbijt en waterige soep. Vanwege de kou ruilde ik mijn weekrantsoen brood voor een lange herenonderbroek. Een Tsjechische medegevangene, Valy Novotna, ontfermde zich over mij en regelde warme kleding en een snee brood met uien voor mij. Ze zei: ‘Geef de moed niet op en denk altijd aan iets positiefs!’ Dankzij haar probeerde ik me mooie gedichten te herinneren. Ik moest en zou overleven.’

Bevrijd

‘Op 14 april 1945 moesten de Nederlandse en Belgische vrouwen uit het Siemens-kamp vroeg in de ochtend in de rij gaan staan. Onder leiding van SS-soldaten liepen we naar het basiskamp. De oudere vrouwen waren daar al eerder naartoe gebracht en vergast. Wij vreesden ditzelfde lot, maar dagenlang gebeurde er niets. Op 23 april 1945 waren wij van het Siemens-kamp nog maar met zo’n 190 vrouwen. Buiten de toegangspoort kwam een sportwagen aanrijden en daar stapte een vriend uit van de Zweedse graaf Folke Bernadotte, die ons naar Zweden wilde brengen. Hij zei dat het Zweedse Rode Kruis ons zou ophalen in witte bussen. Die kwamen toen nog niet. Uiteindelijk werden we opgehaald door drie militaire vrachtwagens, waarin slechts een deel van ons meekon. Ik verloor een gevecht met een medegevangene over het beste plekje naast de chauffeur. Precies dit voertuig – waarin ik had willen zitten - vloog diezelfde middag bij een geallieerde luchtaanval de lucht in. Degenen die voorin zaten overleefden dit niet.’

Opvang in Zweden

‘In Zweden werd onze kleding vanwege luizen in het vuur gegooid, dus ook mijn door moeder gebreide vestje en vaders Waterman-vulpen. Ik huilde ervan, want alle risico’s die ik en anderen ervoor gelopen hadden, waren voor niets geweest. We kregen schone kleding, een jas en schoenen. De volgende dag moesten we onze namen doorgeven aan iemand van een Nederlandse delegatie uit Stockholm, want Nederland was nog bezet. Omdat ik hoopte dat mijn broer David in Londen de lijst zou zien, durfde ik mijn eigen naam weer te noemen: ‘Mijn naam is Selma Velleman!’ Spoedig kreeg ik een telegram: ‘Heel blij te weten dat je leeft. En pa, mams en Clara? Liefs van David.’

Op 5 mei 1945 kwam de Nederlandse consul ons vertellen dat Nederland was bevrijd. De vlag werd gehesen en we zongen het Wilhelmus. Van Louis had ik een brief uit Engeland gekregen. Op verzoek van de consul ging ik als secretaresse in Stockholm helpen met de administratie van ex-gevangenen. Ik kreeg brieven met verzoeken van Greet, want aan alles was gebrek en ik stuurde haar schoenen en voedsel toe. Wij, herstelde Hollandse Ravensbrück-vrouwen, vlogen met de KLM vanuit Zweden naar Schiphol. Ik zag Greet voor het eerst weer in Amsterdam. Het weerzien was geweldig. Vaak bekeek ik met Greet de namenlijsten van het Rode Kruis. Mijn moeder en Clara bleken meteen naar het vernietigingskamp Sobibor te zijn gestuurd. Later zag ik bij het NIOD op de Auschwitz-kamplijst mijn vaders naam staan.’

Vertrek naar Londen, 1945. Foto: Familiealbum Selma van de Perre-Velleman.
Net gearriveerd in Londen, 1945. Pak gekregen in Zweden kort na de bevrijding. Foto: Familiealbum Selma van de Perre-Velleman.

De leegte was voelbaar op straat

‘Als ik in Amsterdam was blijven wonen, had ik nooit een normaal leven kunnen leiden. Zoveel vrienden en familie waren vermoord en de leegte was voelbaar op straat. Zelfs nu, 75 jaar later, lig ik wakker en zeg ik tegen mijzelf: ‘Selma, ga slapen. Je kunt wat er is gebeurd niet veranderen door eraan te denken.’ Ik denk steeds hoe angstig het moet zijn geweest in hun laatste levensuren.

Selma in Londen, 1945. Foto: Familiealbum: Selma van de Perre-Velleman.

In 1945 begon ik als secretaresse bij de Nederlandse medische dienst van het Ministerie van Defensie in Londen. Na deze baan bij de medische dienst studeerde ik antropologie en sociologie en werkte ik acht jaar bij de BBC Wereldomroep. Hier ontmoette ik later mijn man, de Belgische journalist Hugo van de Perre. Na mijn afstuderen ging ik lesgeven als lerares wiskunde en sociologie op de Sacred Heart High School Hammersmith in Londen. We trouwden in 1955 en kregen een zoon Jocelin. Tot mijn man overleed in 1979 werkte ik als lerares. Daarna werd ik journalist en buitenlandcorrespondent voor AVRO/Televizier en Het Vrije Volk.

Trouwfoto Selma en Hugo van de Perre, Londen 1955. Foto: Familiealbum Selma van de Perre-Velleman.
Selma ontvangt (hoogzwanger) haar bul. Londen, mei 1957. Foto: Familiealbum Selma van de Perre-Velleman.

Jaarlijks ben ik half april bij de kranslegging bij het Ravensbrück Monument op het Museumplein. Sinds 1995 ga ik aansluitend een week naar Ravensbrück om met Nederlandse pabo-studenten over de oorlog te praten. In augustus geef ik daar ook voorlichting aan Duitse studenten. Deze toekomstige leerkrachten moeten de verhalen uit de mond van een overlevende horen en mijn geschiedenis doorgeven. Ik blijf me verbazen als mensen weer en masse achter een charismatisch figuur of een idee aanlopen en houd dan altijd mijn hart vast. In mijn toespraken pleit ik altijd voor tolerantie. Maak geen ruzie, want daar komt oorlog van. Zo moeilijk moet dat toch niet zijn.’

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak, Juni 2020