De weeskinderen hebben niemand meer, dus we moeten eerst voor hen zorgen!

De familie Birnbaum ontfermde zich over Joodse weeskinderen in Westerbork, Bergen-Belsen en Tröbitz

Otto en Hennie Birnbaum waren van Pools-Joodse afkomst en woonden voor de oorlog in Berlijn. Zij kregen vijf kinderen. Hun oudste dochter Sonny is nu 93 jaar en vertelt samen met hun jongste zoon Sam (82) het bijzondere oorlogsverhaal van de familie Birnbaum. Nadat de nazi’s in 1933 aan de macht kwamen, werd het leven voor Joden steeds moeilijker in Duitsland. 

Sonny vertelt: ‘Op 8 oktober 1938 werd mijn vader thuis door de politie opgepakt en hij werd naar Polen gestuurd vanwege zijn Poolse nationaliteit. Na de Kristallnacht van 9 op 10 november 1938 waren ons huis en onze kruidenierszaak helemaal vernield. Een groot aantal Joodse mannen werd die nacht door de nazi’s opgepakt en naar concentratiekampen gestuurd.’
Haar moeder was zwanger en besloot dat het beter was dat haar vijf kinderen alvast alleen met de trein naar haar twee zussen in Holland zouden gaan. Zo begon de vlucht van de tienjarige Sonny en kreeg zij als oudste opeens de verantwoordelijkheid voor haar broers en zussen.

Sam en Sonny Birnbaum, Tel Aviv 2021.

Zonder ouders op de trein naar Nederland

Sonny Schey-Birnbaum vertelt: ‘Op 26 mei 1928 ben ik geboren in Berlijn. Mijn ouders Hennie en Otto Birnbaum waren als orthodoxe joden aan elkaar gekoppeld en hadden elkaar voorafgaand aan hun huwelijk slechts één keer gezien op een station. Mijn vader had een kruidenierszaak en hij was leraar op een joodse lagere school. Mijn moeder zorgde voor de vijf kinderen: Sonny, Rivka, Jacob, Tzvi en Suzie. Op 8 oktober 1938 werd mijn vader thuis door de politie opgepakt en hij werd naar Polen gestuurd vanwege zijn Poolse nationaliteit. We kregen een kaart uit Sbonzyn, waar hij als stoffeerder werkte. Onze moeder bleef zwanger in Berlijn achter met vijf kinderen. Op 8 november 1938 volgden wij de goede raad van onze buurvrouw op om ons schuil te houden omdat de nazi’s uit waren op rellen. Na de Kristallnacht van 9 op 10 november 1938 waren ons huis en onze kruidenierszaak helemaal vernield! Joodse mannen werden naar concentratiekampen gebracht. Het leek mijn moeder veiliger om de kinderen alvast naar haar zussen in Nederland te sturen. Zijzelf zou later komen. Als oudste dochter van 10 jaar kreeg ik vlak voor het vertrek per trein naar Nederland haar reisinstructies, de reisdocumenten en een zak met brood en snoepjes mee. In Keulen moesten we overstappen. In Nijmegen wachtte onze oom ons op. Hij mocht ons niet meenemen omdat we niet legaal in Nederland waren. En de Nederlandse regering had de burgers verboden om vluchtelingen in huis te nemen. De joodse gemeente van Nijmegen stelde zich garant voor onze zorg, totdat wij een verblijfsvergunning kregen en wij werden opgevangen in Huize Cromvliet in Rijswijk. Later gingen we naar Huis Ten Vijver in Scheveningen en we gingen daar naar school.’

De vijf kinderen Birnbaum: vlnr: Jacob, Tzvi, Suzie, Rivka en Sonny, Berlijn 1938.

Een reddende engel

Sam Birnbaum gaat verder: ‘Zoals afgesproken vertrok mijn hoogzwangere moeder wat later ook naar Nederland. Haar papieren bleken niet in orde bij de Nederlandse grens. Ze werd bij Zevenaar teruggestuurd naar Duitsland, maar toen schreeuwde dat ze moest bevallen en daarom niet kon terugkeren. De grensbewaker liet een arts in de trein komen om vast te stellen of ze echt moest bevallen. Deze dokter zag bij het onderzoek direct dat ze acteerde dat ze moest bevallen, maar speelde haar spel mee. Hij bevestigde officieel dat ze onder zijn hoede in zijn ziekenhuis moest worden opgenomen. Twee weken later, op 26 december 1938, werd ik daar geboren. Dokter Van Meeuwen was onze reddende engel. Hij bleek een schoonzoon te zijn van Minister van Staat, Piet Aalberse. Met behulp van zijn schoonvader regelde hij zelfs een verblijfsvergunning voor mijn vader, die daardoor in augustus 1939 vanuit Polen naar Nederland kon komen. Mijn ouders werden opgevangen in de overvolle opvang voor Joodse vluchtelingen op Heijplaat in Rotterdam. Omdat we als gezin bij elkaar wilden zijn, werden we naar kamp Westerbork gestuurd, dat voor de oorlog een Nederlands opvangkamp was voor Duits-Joodse vluchtelingen.’

De familie Birnbaum met Sam op vaders schoot, Westerbork 1940.

De wacht houden in Westerbork

Sonny vertelt: ‘Er lag sneeuw toen we in kamp Westerbork aankwamen, maar in onze barak was gelukkig een kachel. Wij bleven als gezin bijeen in één barak. Er was een Nederlandse kampleiding. Zodra de Duitsers Nederland binnenvielen op 10 mei 1940 zijn alle Joden uit Westerbork met de trein naar Leeuwarden overgebracht. De joodse gemeente verzorgde ons en wij sliepen op de zolder van de synagoge. Na de capitulatie op 14 mei 1940 werden alle Duitse-Joden uit Leeuwarden verzocht terug te keren naar Westerbork. Er zou ons niets overkomen, maar dat werd anders toen Westerbork daarna door de Duitsers werd overgenomen. Mijn vader kreeg de opdracht om in barak 35 een weeshuis te leiden voor Joodse kinderen, die zonder ouders in Westerbork waren beland. Mijn moeder hielp in de keuken en met de verzorging van de kinderen. Omdat ik verpleegster wilde worden kreeg ik een taak in het kampziekenhuis. Ik moest waken over ernstig zieke en stervende baby’s. Daar kon ik op een gegeven moment niet meer tegen, waarna ik mijn ouders mocht helpen in het weeshuis.’

Vooraan Sonny voor de school in Westerbork 1940.

Er was geen verschil

‘Mijn moeder zei altijd: “Mijn eigen kinderen hebben een vader en moeder, maar die andere kinderen hebben niemand, dus we moeten eerst voor hen zorgen.” Wij Birnbaum-kinderen hielpen met de dagelijkse verzorging van de weeskinderen en wandelden vaak een rondje door het kamp met hen. Mijn ouders probeerden de verdrietige kinderen die hun ouders misten een beetje levensmoed te geven. Mijn vader zorgde voor onderwijs en gaf hen joodse les. Er was geen verschil in de zorg voor hun eigen kinderen en die van de weeskinderen. Ik probeerde mijn ouders zoveel mogelijk te ontlasten, door voor mijn broers en zussen te zorgen.
Bij ieder transport naar Westerbork kwamen er nieuwe weeskinderen bij, maar tijdens de wekelijkse transporten naar Duitsland gingen er ook velen weer weg. Weeskinderen werden altijd gezocht om de lege wagons mee aan te vullen. Hoewel we niet wisten dat er vernietigingskampen waren, begrepen wij allemaal dat kleine kinderen niet zouden gaan werken in Duitsland. Mijn vader probeerde daarom in de nacht voorafgaand aan de deportatie met hulp van een bevriende arts de vertreklijsten te wijzigen door aan te geven dat de kinderen te ziek waren. De Duitsers waren bang voor besmettelijke ziekten, dus soms werkte dit. Eens had iemand van de Orde Dienst in de gaten dat mijn vader een jongetje uit de trein haalde en hem meenam naar het toilet. Hij rukte het kind uit vaders handen en zette het terug in de trein. Het jongetje schreeuwde naar mijn vader: “Maar meneer Birnbaum, haalt u mij toch eruit, u had beloofd mij te zullen redden!” Mijn vader kon helaas niets meer doen, omdat er werd gedreigd hem ook op de trein te zetten. Die keer heb ik mijn vader zien huilen. Tot op hoge leeftijd kwam dit jongetje terug in zijn nachtmerries. De dag na elk transport waren mijn ouders altijd helemaal kapot.’

Vader Otto Birnbaum en moeder Hennie Birnbaum-Weiden.

Gedeporteerd naar kamp Bergen-Belsen

‘Mijn moeders zus, tante Frandel, was voor de oorlog al voor de nazi’s naar Amerika gevlucht en stuurde mijn vader acht Palestinacertificaten toe, zodat wij konden worden uitgewisseld tegen Duitse krijgsgevangenen in Brits-Palestina. Op 2 februari 1944 moesten wij als gezin in een personentrein naar Bergen-Belsen. De aankomst in Bergen-Belsen was een enorme schok. Wrede SS-soldaten haalden ons uit de trein met stokslagen. Zij schreeuwden en hitsten hun herdershonden tegen ons op. We moesten onze kleding uittrekken en op een hoop gooien. Er werd wit desinfectiepoeder overheen gegooid. Het was erg koud dus trokken we snel onze gedesinfecteerde kledingstukken weer aan. De SS joeg ons lopend voort naar het kamp twee kilometer verderop. Wij moesten naar het Sterrenkamp, omdat wij onze eigen kleding nog mochten dragen met de gele ster erop. Door het prikkeldraad zagen we in het kamp naast ons kaalgeschoren Joodse gevangenen in blauwwit gestreepte kampkleding. Zij waren vanuit andere kampen naar Bergen-Belsen doorgestuurd.’

Mijn moeder bleef altijd positief

’De mannen en vrouwen uit onze trein sliepen gescheiden in de barakken. Wij kinderen gingen met mijn moeder naar een vrouwenbarak. Mijn moeder deelde het weinige brood dat we kregen in hele kleine stukjes en verspreidde dit over de hele dag, zodat iedereen het idee had toch iets te hebben gegeten. Alleen mijn broer Jacob ging met mijn vader mee naar de mannenbarak. De eerste nacht heeft een oude man in het stapelbed onder hem zijn polsen doorgesneden. Jacob wilde daardoor heel snel weer bij ons slapen en dat werd toegestaan.'

Sam vertelt verder: ‘Er heersten besmettelijke ziekten als tyfus en dysenterie. Ik was vijf jaar en kreeg ernstige vlektyfus en mijn leven hing aan een zijden draadje. Mijn vader voegde daarom naar orthodox gebruik de naam Chaïm, ‘leven’, aan mijn naam Samuël toe. In die vreselijke tijden bleef mijn moeder altijd even positief en opgewekt. Op 17 september 1944 arriveerde het Onbekende Kinderen Transport met 52 Joodse weeskinderen uit Westerbork in Bergen-Belsen. Mijn moeder werd gevraagd om zich over deze kinderen te ontfermen en zij zorgde voor hun hygiëne en voeding. Ze vroeg aan een vriendin die keukencorvee had extra voeding te regelen en kreeg van een vriendelijke Duitse soldaat iedere dag een kopje melk voor de zieken. Zij nam ook de zorg voor andere kinderen van overleden moeders erbij en kreeg toestemming om een barak waar voorheen lijken in werden opgeborgen te mogen gebruiken voor de opvang van de groeiende groep kinderen. Ze kreeg het zelfs voor elkaar om een kachel te krijgen en mijn vader mocht haar komen helpen.’

Vader sterkte ons met zijn verhalen

Sonny: ‘Mijn vader was een stuk somberder dan mijn moeder. Zij probeerde hem en alle kinderen altijd op te vrolijken. Na mijn dagelijks corvee hielp ik mijn moeder. Mijn ouders probeerden in het kamp zoveel mogelijk hun religie te beoefenen. Vooral mijn vader sterkte ons met zijn gebeden en verhalen. Dat was voor ons allen een houvast. Toen mijn broer Jacob dertien jaar werd, heeft hij op een avond in onze weeskinderenbarak stiekem zijn bar-mitswa kunnen doen. Vader had een Torah gekregen van een stervende medegevangene en hem beloofd om die naar Israël te zullen brengen. Dankzij dit geschenk had Jacob een Torah-tekst kunnen leren zodat hij deze kon voordragen. Mijn vader zorgde dat er een rabbijn was en de benodigde tien mannen om de joodse viering van zijn volwassenheid te kunnen houden. Mijn vader vond een elektricien die via koperdraad bevestigd aan een lampfitting voor een hete plaat zorgde waarop mijn moeder matze-brood voor Pesach bakte. Tijdens de zeven dagen van Pesach mogen we geen gegist brood eten, maar een rabbijn stond ons dit onder deze vreselijke kampomstandigheden wel toe, omdat er vele mensen van de honger stierven.’

Het Verloren Transport

‘Op 11 april 1945 moesten we met het grootste deel van het kamp op transport met onbekende bestemming vanwege de nadering van Britse troepen. Na de oorlog heette onze trein ‘Het Verloren Transport’, want dit was de laatste van drie treinen waarmee kort voor het einde van de oorlog 6.800 gevangenen werden afgevoerd uit Bergen-Belsen. Er gingen geruchten dat we naar Theresienstadt gebracht zouden worden om te worden geruild met Duitse krijgsgevangenen uit Palestina. Alle volwassenen waren al in de veewagons gestopt. Mijn moeder pleitte bij de SS-kampbewaker of de ernstig zieke kinderen in de laatste personenwagon mochten vertrekken. Dit werd toegestaan en gelukkig mochten ook mijn ouders bij ons blijven. In die trein zijn vele medegevangenen gestorven aan vlektyfus en ondervoeding, want we kregen elf dagen lang nauwelijks eten en drinken. De trein werd meerdere malen aangevallen door de Royal Air Force. Ik was heel bang en dacht alleen maar: ‘Als ik maar achttien jaar mag worden!’’

Sonny’s 90e-verjaardag; vlnr: Rivka, Jacob, Tzvi, Sonny, Sam en Suzie.

Bevrijd door de Russen

‘Op 23 april 1945 stond de trein plotseling stil in het Duitse dorp Tröbitz, zestig kilometer boven Dresden. De SS-officier zei toen: “We zijn nu vlakbij het Russische front, wij trekken ons terug!” De mannen hebben daar tweehonderd lijken uit onze trein begraven. Een Rus te paard kwam voor de troepen uit ons bevrijden. Hij zei: “Wij ontruimen het dorp, het dorp Tröbitz is voor jullie!” En hij zei tegen de inwoners: “Jullie moeten deze kampoverlevenden in jullie huizen opnemen!” De Russen zorgden goed voor ons en lieten een trein komen met Russisch-Joodse artsen. Mijn vader kon Jiddisch met hen praten. Ik had zo’n hoge koorts dat ik naar het ziekenhuis werd gebracht. Mijn broers stalen ingeblikt voedsel uit een opslagplaats van de Wehrmacht en brachten dit met een kar naar mijn moeder, die voor alle weeskinderen en haar gezin heerlijk kookte. Na enige weken rust keerde ik opgeknapt uit het ziekenhuis terug. We werden door de Russen met de trein naar Leipzig gebracht samen met de weeskinderen. Zij droegen ons daar over aan de Amerikanen en we werden goed verzorgd in een kazerne. Na een week werden we per Rode Kruis-trein tot aan de Nederlandse grens in Zuid-Limburg gebracht. Daar maakten de douaniers een probleem van onze staatloosheid. We mochten aanvankelijk Nederland niet in en werden twee weken naar een klooster in Mamelis gestuurd.’

Vlnr: Tzvi, Suzie, Sam, Rivka, Jacob en Sonny.

Herenigd

‘Begin 1946 werden we door de Bergstichting in Laren opgevangen en daarna vertrokken we met de weeskinderen naar het joodse repatriëringscentrum in De Joodse Invalide in Amsterdam. Als zeventienjarige hielp ik mijn ouders met de zorg voor alle kinderen. Ik droeg een verpleegsterskostuum, want ik wilde graag verpleegster worden. Mijn ouders wilden met de weeskinderen naar Israël emigreren, maar in die dagen was er nog een immigratiequotum. Het land wilde alleen jongeren tot 18 jaar ontvangen, dus mijn ouders lieten mij in mei 1946 alleen naar familie in Haifa vertrekken. De joodse organisaties in Nederland wezen mijn ouders een huis in Bussum toe, waar zij voor de weeskinderen bleven zorgen. Ik was vastberaden om verpleegster te worden, slaagde in augustus 1946 voor het toelatingsexamen in het Shaare Zedek Ziekenhuis in Jeruzalem en rondde de opleiding in 1950 met succes af. Omdat de immigratiequota in dat jaar werden losgelaten, kon ons hele gezin overkomen en er voorgoed blijven. Ik bleef tot mijn pensioen als verpleegster werken.'

Sam vertelt tot slot: ‘Mijn vader was godsdienstleraar en taaldocent Hebreeuws op lagere scholen in jeugddorpen in Noord-Israël. Mijn moeder kookte daar voor de kinderen. Ik studeerde diergeneeskunde in Utrecht en werkte als microbioloog bij een biologisch laboratorium in Israël. Wij Birnbaumkinderen hebben allemaal grote gezinnen gekregen. Sonny is met meerdere herdenkingsreizen meegegaan van Westerbork naar Bergen-Belsen en Tröbitz. In 1995 was zij gastspreker bij de onthulling van het monument voor alle 526 getroffenen van ‘Het Verloren Transport’ in Tröbitz. Ik heb nog lang contact gehouden met dokter Van Meeuwen en hem bezocht in Nederland. Dankzij deze reddende engel ben ik gezond ter wereld gekomen, werd ons gezin met mijn vader herenigd en hebben we het allemaal overleefd.’

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak december 2021