Katjang in Israël

Salomon Schijveschuurder moest als tiener naar het Japanse mannenkamp Si Rengo Rengo in het oerwoud op Sumatra.

Internist Salomon Schijveschuurder heeft in Israël een andere naam aangenomen, omdat ze daar zijn naam niet kunnen uitspreken. Sinds zijn emigratie in 1952 heet hij Shlomo Shibolet. Als tiener moest hij alleen naar het mannenkamp Si Rengo Rengo in het oerwoud op Sumatra.

Aan het begin van de Japanse bezetting verdween zijn vader als krijgsgevangene uit beeld. Op 26 juni 1944 werd zijn vader slachtoffer van de Engelse torpedering van het Japanse vrachtschip de Harugiku Maru voor de kust van Sumatra. Alle gevangenen aan boord waren bestemd voor dwangarbeid aan de Pakan Baroe Spoorlijn op Sumatra.

Na de oorlog vond Salomon Schijveschuurder het prettiger om naar Israël te emigreren, omdat de sfeer in Nederland grimmig bleef tegen Joden en Indo’s. Hij zegt hierover in het onderstaande interview: ‘Toevallig waren deze twee achtergronden allebei in mij verenigd. Ik voelde me nog het meest senang in Israël.’

Salomon, vader Wolf, broer Guus, moeder Klaartje Schijveschuurder-Visser en broer Jaap Schijveschuurder. Foto: Familiealbum Shlomo Shibolet.
Familiealbum Shlomo Shibolet

Het afscheid van mijn broer Jaap

‘Mijn vader was militair arts en mijn moeder apothekersassistente. Ik ben de middelste van drie zonen. Op 26 april 1927 werd ik in Malang geboren in de bergen van Oost-Java. Mijn vader kwam uit een Joods gezin, maar wilde ons niet religieus opvoeden en hij was vrijmetselaar geworden. We vierden jaarlijks alleen Chanoeka. Mijn ouders hadden een Javaans echtpaar in dienst als bedienden en verzorgenden. De man heette Marietta en zijn vrouw Boah. Ze zorgden goed voor ons en ik hield evenveel van hen als van mijn ouders. 

Salomon met de hond, 1934.

Mijn oudste broer Jaap was vele jaren ouder dan ik en hij ging voor de Tweede Wereldoorlog onderwijs volgen in Nederland. Hij en ik verschilden te veel in leeftijd. Hij was een beetje jaloers op mij, omdat ik zo makkelijk kon leren en dat liet hij ook altijd merken. Ik herinner me dat we hem naar de kade brachten. Hij stond op de reling van het schip en zwaaide ons toe. We hebben hem als het ware de dood ingezwaaid.

Mijn broer Jaap met onze ouders,1938.

Mijn vader had in Malang een bevriend echtpaar geholpen met de bevalling, maar toen overleed de moeder in het kraambed. Om de vader, de heer Van der Wal, met de zorg voor zijn baby te hulp te komen, hadden mijn ouders hun dochtertje Liselot van der Wal in huis genomen. Wij beschouwden Liselot als ons zusje. Mijn vader nam mij eens mee op een tocht naar de Dajaks in de binnenlanden van Borneo. Hij leerde de Dajak oudste hoe je het drinkwater kon beschermen tegen de malariamuglarven, door er een dun laagje petroleum op te leggen.’

Salomon, 14 jaar, 1941.

Naar de hbs in Medan

‘In 1940 werd mijn vader benoemd tot gewestelijk arts van Atjeh in Noord-Sumatra. Mijn ouders vonden dat ik beter naar de hbs kon gaan in Medan, omdat er in Atjeh geen middelbare school was. Ik werd in Medan ondergebracht bij vrienden van mijn ouders, de familie Klooster, ook vrijmetselaars. Met hun zoon Willem Klooster kon ik het goed vinden. Later werd hij bekend als de schrijver Willem Brandt. Tijdens een groot verlof van mijn ouders gingen we met ons hele gezin naar Amsterdam. De bedienden kregen dan verlof om naar hun geboortedorp in Indië te gaan. Een van de mooiste herinneringen aan mijn vader is dat hij ons rondleidde langs de grachten in Amsterdam en ons het Rembrandthuis liet zien. Hij kon er zo mooi over vertellen.’

Oorlog in Indië

‘Vlak voor de oorlog werd mijn vader als militair arts al gemobiliseerd bij de staf van generaal Overakker in de bergen boven het Tobameer in Midden-Sumatra. We hadden contact met vader via militaire veldpost. In zijn laatste briefkaart vroeg hij ons hem zijn zilveren tandenstoker, een sigarendoos, bruine schoenen en twee boeken toe te sturen: ‘Jezus van Nazareth’ van Joseph Klausner en ‘Een geschiedenis der Joden’ van Josef Kastein. Je merkte dat ons land steeds geïsoleerder raakte, omdat bepaalde producten niet meer leverbaar waren.

Toen op 7 december 1941 de oorlog in Nederlands-Indië uitbrak, woonden we in Kota Radja. Zodra de Japanners naderden, vluchtten de Hollandse families per auto van de rubberplantages uit Kota Radja. Mijn moeder gaf onze huissleutels aan de bedienden Marietta en Boah. Wij vluchtten via de westkust van Sumatra naar het zuiden. Op de rubberplantages waar we onderweg verbleven, ontmoette ik inlandse kinderen met wie ik in het oerwoud speelde. Zij leerden me essentiële overlevingstechnieken zoals geruisloos door het oerwoud bewegen en wat je wel en niet kon eten. Mijn moeder wilde vader vinden die nog in de bergen van Midden-Sumatra moest zijn en had van een Japanner op een onderneming onderweg een Japans geschreven toestemmingsbrief gekregen om met een vissersboot Sibolga te bereiken. Een Japanse commandant in een kustplaats onderweg accepteerde de Japanse geleidebrief. 

Uiteindelijk kwamen we met onze boot aan in de kustplaats Sibolga. Mijn moeder, mijn broertje Guus en ik zijn daar in de haven bedreigd met een Samurai-zwaard bij een Japanse controle. Een Japanse officier trok zijn sabel, greep mij vast en schreeuwde dat we zwaar gestraft zouden worden als hij wapens aan boord zou vinden. In zijn militaire vrachtwagen werden we meegenomen naar de gevangenis in Medan.’

Naar de gevangenis

‘Toen we over de brug in Medan reden, zagen we vijf afgehakte hoofden op de gaslantaarns op de brug. Dit hadden de Japanners gedaan om de bevolking schrik aan te jagen. In de gevangenis van Medan werden we opgesloten bij moordenaars en andere misdadigers. We werden steeds ondervraagd, maar de Japanse commandant kreeg geen informatie uit ons. Daarna moesten we naar het vrouwenkamp Poelau Brayan, gelegen in een woonwijk in Medan, waar voorheen personeel van de Deli Spoorweg Maatschappij in gehuisvest was. Daar kwamen onze bedienden Marietta en Boah, die 600 kilometer te voet hadden afgelegd vanuit Atjeh, ons voedsel brengen over de kampomheining met prikkeldraad. Moeder zei dat ze snel moesten gaan, omdat de Japanners ook inlanders straften voor hun hulp. 

Mijn moeder was een sterke en eerlijke vrouw. Zij werd al snel aangewezen als blokoudste om het voedsel te verdelen. Nadat ze in die rol getuige moest zijn bij de foltering van een kampgenote, wilde ze geen blokoudste meer zijn. Al spoedig moest ik alleen naar het mannenkamp Si Rengo Rengo. Mijn moeder en broertje verloor ik toen uit het oog. Later bleek dat zij op nog geen 50 kilometer afstand zaten in het vrouwenkamp Aek Paemienke, dichter bij zee gelegen.’

Gevangen in Si Rengo Rengo

‘Het Japanse mannenkamp Si Rengo Rengo was gelegen op 300 kilometer ten zuiden van Medan en op 10 kilometer van Rantau Prapat. Het kamp lag midden in de rubberbossen en werd begrensd door de Bila-rivier en aan de andere kant door moerassig terrein, overgaand in heuvelachtig oerwoud. Het stikte er van de muggen. Het was een houtplantage en wij werden ondergebracht in een tiental barakken omringd door prikkeldraad. In elke barak konden 200 mannen slapen en je plekje was 70 centimeter breed. In dit kamp zag ik Willem Klooster weer, bij wie ik tijdens de hbs in Medan een tijd in huis had gewoond. We konden het goed met elkaar vinden. We kregen structureel te weinig voedsel. ’s Ochtends kregen we stijfselpap en ’s middags waterige soep. Elke ochtend vroeg was er appèl en werden onze nummers opgelezen. Een maand later arriveerde ook mijn broer Guus in dit kamp. Nu moest ik ook voor zijn eten zorgen en hem beschermen tegen de avances van homoseksuele medegevangenen en bewakers.

’s Nachts durfde ik onder het prikkeldraad door te glippen om in de kampongs voorwerpen van mijn medegevangenen te ruilen voor voedsel. Hierbij kwamen de overlevingstechnieken van de inlandse kinderen om geruisloos door het oerwoud te bewegen mij goed van pas. Zo ruilde ik vulpennen, trouwringen, horloges en armbanden voor groenten, eieren en vis. En dan kreeg je als betaling hiervoor van je medegevangenen een deel van de buit. In de nacht van 12 op 13 juni 1944 werd ik met drie andere jongens door de Japanse kampbewakers gesnapt als voedselsmokkelaars. We werden aan een boom vastgebonden en verschillende keren afgeranseld met een stok. Pas op 13 juni werden we om 18.30 uur weer vrijgelaten. Daarna kon ik niet lopen en ik werd naar het kamp teruggesleept, waar ik een paar weken niet op het ochtendappèl kon verschijnen.

Als je geen goede buiging van 90 graden maakte, dan werd je weer afgeranseld. Bij terugkeer kreeg ik zwaarder corveewerk en moest ik rubberbomen omhakken. Een keer gleed ik uit en kreeg een zware boomstam op mijn schouder. Hiervan heb ik nog lange tijd hevige rugpijnen gehad. De Japanners kondigden aan geen medicijnen meer te verstrekken. Operaties werden voortaan zonder medicijnen uitgevoerd en je kon het gegil door het hele kamp horen. Mijn broer kreeg ernstige malaria en dysenterie. Om aan het medicijn kinine voor Guus te komen moest ik extra veel smokkelen. Een kamparts diende Guus tijdens zijn meest heftige koortsaanval mijn zuurverdiende vier kininetabletten in één keer toe. Met minimale middelen, de juiste timing en het maximale resultaat redde hij mijn broer het leven. Ook ik kreeg malaria en hij redde mij op dezelfde wijze.’

De bevrijding

‘Op een dag begonnen de Japanners zich anders te gedragen, er kwam een nieuwe, vriendelijkere ploeg. Zij brachten rijst, vis en kinine. Voor het eerst kregen we genoeg en goed te eten. Maar ze zeiden niets en wij wisten nog niet wat er gaande was. Er landde een parachutist die in een boom bleef hangen. Ik bevrijdde hem uit de boom en dacht toen dat ik nooit parachute wilde springen. Hij was een Engelse arts en vertelde ons dat we bevrijd waren. De geparachuteerde legerarts riep door zijn walkie talkie tegen de helikopterpiloot dat wij meer medicijnen nodig hadden dan voedsel- en kledingpakketten. De arts kwam mee omdat er een nieuw middel, penicilline, kon worden gebruikt, maar men wist toen nog niet goed hoe je dit moest toedienen. De Engelse bevrijders die met vrachtwagens vanaf de kust kwamen namen extra penicilline voor onze zieken mee. Het mooiste moment was voor mij dat een Engelse soldaat me een reep chocolade gaf, want dat had ik ruim drie jaar niet meer gegeten.’

Het weerzien

‘Ik werd per Engelse vrachtauto naar het nabij gelegen vrouwenkamp Aek Pamienke gebracht. Daar vonden Guus en ik onze moeder weer terug. Alle drie waren we sterk vermagerd vanwege honger en ziekten. Het weerzien was heerlijk en we omhelsden elkaar in tranen. We werden door onze Engelse bevrijders met vrachtwagens naar een opvanghotel in Medan gebracht. Ik had in het kamp malaria, geelzucht, dysenterie en tyfus gehad, dus ik moest eerst aansterken. 

In Medan ontdekten we op een namenlijst van het Rode Kruis dat mijn vader op 26 juni 1944 door de Engelse onderzeeboot HMS Truculent was getorpedeerd op het Japanse vrachtschip Harugiku Maru. Dit vrachtschip voer onder een Japanse vlag in de Straat van Malakka en het had geen vracht, maar vele krijgsgevangenen en romoesha’s - Indische dwangarbeiders - aan boord voor de dwangarbeid aan de Pakan Baroe Spoorlijn op Sumatra. Zodra ik me weer wat beter voelde, moest ik in Medan tolken voor de Engelse bevrijders en het KNIL. De wijk in Medan waar we woonden werd streng bewaakt door de Engelse soldaten. Er waren soms aanvallen van Indonesische vrijheidsstrijders.’

Terug in Nederland

‘Wij bleven twee maanden in Medan en zijn met het schip Noordam gerepatrieerd. We gingen in Amsterdam wonen bij mijn vaders broer. Van hem hoorden we dat mijn broer Jaap zich met zijn vriendin Sonja Cohen al in september 1942 had gemeld voor de Duitse werkkampen. Zij zijn beiden kort na hun aankomst vermoord in Auschwitz. Ik deed de verkorte hbs in Amsterdam en behaalde mijn eindexamen in 1946. In Amsterdam studeerde ik in vijf jaar geneeskunde. 

Zowel tijdens mijn hbs-tijd als in mijn studententijd werd ik door Hollandse jongens uitgescholden voor vuile Jood en ‘katjang’, pinda. De opvang in Nederland van Joodse en Indische mensen vlak na de Tweede Wereldoorlog was niet zo vriendelijk. Toevallig waren deze twee achtergronden in mij verenigd. Als je bedenkt dat de Nederlandse percentages van Joodse overlevenden uit de Duitse kampen de laagste zijn van heel Europa, dan is dat nog steeds opmerkelijk. De sfeer tegen allen die terugkeerden uit de kampen was ook na de oorlog nog grimmig, ik merkte ook persoonlijk dat er nog steeds Jodenhaat was.’

Senang in Israël

‘In de zomer van 1951 kwam ik op uitnodiging van een studievriend naar Israël. Al snel voelde ik me daar senang en emigreerde in 1952 toen ik zeker was dat ik me kon specialiseren in interne geneeskunde in Jeruzalem. In het Ivriet zijn er geen klinkers en omdat niemand mijn naam Salomon Schijveschuurder kon uitspreken, heb ik mijn naam veranderd in Shlomo Shibolet. Shibolet betekent korenaar. In 1953 promoveerde ik. Ik moest in dienst en werd legerarts. Hoewel ik mezelf in het kamp Si Rengo Rengo had beloofd nooit parachutist te worden, werd ik de eerste arts-parachutist in het Israëlische leger. Ik moest steeds met de troepen van Arik Sharon mee parachutespringen om dicht bij het strijdtoneel een mobiele medische post op te zetten. Mijn eerste sprong vond ik doodeng en dat springen bleef steeds weer even onaangenaam, omdat ik hoogtevrees heb. 

Trouwfoto: Shlomo Shibolet en Orna Shibolet-Zussman, 1956.
Shlomo Shibolet, legerarts in Israël, 1969.

In 1956 huwde ik een leerling-verpleegster, Orna Zussman, en kreeg met haar vijf kinderen. In het leger specialiseerde ik me als internist. En in 1974 werd ik hoofd van een interne afdeling in het Ichilov Ziekenhuis in Tel Aviv. In 1981 stierf mijn vrouw aan kanker. Later ontmoette ik mijn vriendin, Tali Tamir, met wie ik onze jongste zoon Yotam kreeg. In 1981 leerde ik mijn tweede vrouw, Geneviève Cohen, kennen en in 1994 trouwden wij. Tot mijn vijfenzeventigste jaar werkte ik als hoogleraar aan de universiteit van Tel Aviv. In Israël vond ik de internationale sfeer aangenaam, ben ik nooit uitgescholden en heb ik het nog steeds goed naar mijn zin.’

Shlomo en Orna, Tali, Dana, Omer (met vliegtuig), en de tweeling Asser en Ariel, 1975.
Shlomo met zoon Yotam en kleindochter Shani op de rug. Foto: Geneviève Shibolet-Cohen.

Memoires

‘Mijn hobby was houtbewerken, maar in 2005 kreeg ik een ernstig ongeluk, waarna ik aan een oog blind werd. Bij het zagen zonder veiligheidsbril beschadigde een grote houtsplinter voorgoed mijn rechteroog. Noodgedwongen moest ik rust houden en toen kwamen de herinneringen en nachtmerries over het kamp naar boven. Ik besloot mijn memoires op te schrijven. Terwijl ik voor mijn oorlogsgeschiedenis naar gegevens over mijn broer Jaap en zijn vriendin Sonja Cohen zocht, ontdekte ik pas zeventig jaar later in een kamplijst op het internet dat zij ook eerst nog getrouwd waren. In september 1942 hadden zij zich aangemeld voor het werkkamp en diezelfde maand zijn zij vermoord in Auschwitz.

Shlomo Shibolet met Geneviève-Shibolet Cohen, 2020.

Ik realiseerde me toen dat behalve de Japanners in het kamp die me toeschreeuwden, ook de Nederlandse klasgenoten en medestudenten kort na de oorlog me uitscholden voor vuile Jood of ‘katjang’. Daarom vond ik de titel van mijn biografie ‘Katjang in Israël’ wel gepast. Nog vaak denk ik terug aan onze lieve bedienden Marietta en zijn vrouw Boah. Ik heb helaas nooit meer iets over hen gehoord. Met mijn tweede vrouw Geneviève ben ik teruggegaan naar Sumatra, naar een aantal plaatsen waar ik gevangen heb gezeten. Van het kamp Si Rengo Rengo is vrijwel niets meer te zien midden in het oerwoud. De centrale waterput was er nog wel en ook het spoorlijntje waarover we het hout vervoerden. Alleen de rivier was er nog, verder had de natuur het kamp weggevaagd.’

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak, September 2020