Iedereen die sneuvelt, is er één teveel!

Roelf Wolterink overleefde vele bombardementen en beschietingen tijdens de oorlog en in Indië.

Roelf Wolterink, 2022. Foto: Ellen Lock.

Op de Nationale Herdenking 2021 mocht Roelf Wolterink een krans leggen op de Dam namens alle burger-oorlogsgetroffenen. De 98-jarige burgeroorlogsgetroffene uit Rijssen in Overijssel zegt: ‘Die kranslegging was voor mij een hele eer. Jaarlijks ben ik in mijn woonplaats bij de 4 mei Herdenking betrokken. Voor mij persoonlijk is 4 mei ook een bijzondere gedenkdag, omdat ik op die dag in 1946 mijn beste jeugdvriend in Indië verloor, die ik ook wil eren en gedenken.’

Roelf Wolterink, Rijssen 1941.

Met de mobilisatie kwam ons dorp tot leven

‘Op 7 oktober 1923 ben ik geboren aan de rand van Rijssen in een streng Nederlands-hervormd gezin. Mijn vader was botermaker in de melkfabriek in Rijssen. Ik was het tweede kind in het gezin en had een ouder zusje en een jonger broertje. Wij woonden aan een afgelegen zandpad, zonder elektriciteit. Mijn vader kreeg tuberculose en overleed al in 1926 op 27-jarige leeftijd. Mijn moeder werkte als fabrieksarbeidster in een stoffenblekerij. In 1929 hertrouwde mijn moeder met Willem Kamphuis, die al een zoon had en zij kregen drie kinderen. Wij hadden geen kans om door te leren, want daar was geen geld voor. Na de lagere school ging ik meteen aan het werk als bouwvakker en later als bakkersknecht. Voor de oorlog werkte ik drie jaar in een textielfabriek, waar ik machinaal bloemen borduurde op gordijnstof. In 1939 werden er troepen gemobiliseerd en kwam ons hele dorp tot leven. De Nederlandse soldaten deden schietoefeningen en dat vonden mijn broers en ik prachtig. Helaas waren we daar nog te jong voor.’

Ouders Roelf Wolterink. Foto’s: Familiealbum Roelf Wolterink
Broer Berend, zus Hendrika en Roelf Wolterink, Rijssen 1939.

Oorlog

‘Op 10 mei 1940 ’s morgensvroeg werd ik wakker van de vele Duitse bommenwerpers die overvlogen. We liepen allemaal naar buiten om ernaar te kijken. Ieder half uur fietste ik naar Rijssen om het laatste nieuws op te vangen voor mijn familie. Om negen uur kwamen de eerste Duitse troepen Rijssen binnen met tanks, vrachtwagens, motoren en rijen marcherende militairen. Wat waren we woest op die Duitsers! Al gauw wijzigden de borduurpatronen in onze textielfabriek naar Duitse productie: hakenkruizen, SS-tekens en adelaars. Van september 1940 tot en met juni 1941 bracht ik met mijn vriend Egbert Beverdam de nieuwsbrieven van Vrij Nederland rond. Op de zolder van zijn vaders slagerij schreven wij deze over en verspreidden ze onder oud-militairen. Zijn broer Gerhard kreeg ze van zijn dienstkameraad Jan Gerritsen, een bakker uit Wierden, die bevriend was met de Groep Van Rij, de oprichters van Vrij Nederland.’

Roelf met Egbert Beverdam.

Opgepakt wegens het vernietigen van Duits militair eigendom

‘In juni 1941 zagen mijn vriend Hennie Ebbers en ik in Almelo dat twee Duitsers op een motor met zijspan aanplakbiljetten op bomen en muren plakten met de tekst: ‘Wapens en munitie straffeloos inleveren.’ Toen zij pauzeerden in een school verwijderden wij alle aanplakbiljetten en verscheurden de posters die in de zijspan lagen. We werden door hen betrapt en zijn opgehaald door de Nederlandse politie en in Almelo verhoord. Wij bleven ontkennen. Iemand van de Sicherheitsdienst gaf ons opsluiting, maar omdat ik als 17-jarige te jong was, besloten ze dat mijn vader me moest ophalen. Mijn vriend Hennie bleef vastzitten. Een maand later volgde ons proces. We werden beschuldigd van het ontvreemden en vernietigen van Duits militair eigendom. De eis was een jaar celstraf, maar dit werd een half jaar cel voor mijn vriend. Volgens de wet was ik te jong voor celstraf, maar ik moest me een half jaar tweemaal daags melden op het politiebureau in Almelo.’

Duitse dwangarbeid in Hannover

‘Op 8 oktober 1942, een dag na mijn 19e verjaardag, kreeg ik een oproep van het Arbeidsbureau in Nijverdal. Ik werd goedgekeurd en drie dagen later moest ik vertrekken. Mijn vriend Egbert is toen ondergedoken. Als je je niet meldde, dan kwamen ze je ouders ophalen en dat wilde ik voorkomen. Er waren al twee groepen uit Rijssen vertrokken. Ik vertrok die dag alleen met de trein naar Hannover met een koffer met wat ondergoed, schone kleding en roggebrood met kaas voor onderweg. In een groot werkkamp bij de rubberfabriek Continental in Hannover werd ik ingedeeld bij het onderhoud in de timmerwerkplaats. Je sliep er in een barak op een jute zak met stro onder een paardendeken. In mijn werkploeg van zeven nationaliteiten spraken we Duits met elkaar. Op vertoon van voedselbonnen kreeg je er koolsoep als lunch en ’s avonds zuurdesembrood. Binnen de kortste keren was je kleding versleten, waar je je voor schaamde als je in het weekend in de stad liep. Met je kamppersoonsbewijs kon je dan in en uit het kamp gaan, maar alles werd geregistreerd.’

Mijn kamppersoonsbewijs bij Continental Hannover.
Mijn ploegmaten in Hannover (Roelf, 2e van links).

Vloeken is dan bidden

‘In juli 1943 werd de fabriek door de Engelsen gebombardeerd. Op het fabrieksterrein lagen honderden doden. Dat vergeet ik nooit meer. Ik moest de aan flarden gescheurde dode arbeiders opruimen, want de fabriek moest weer draaien. De volgende dag werkte ik met een Duitser samen, die mij meenam naar het café van zijn zwager. Toen het luchtalarm afging kropen we de cafékelder in met vele anderen. Er volgde een langdurig bombardement. Het donkere keldertje stortte in en we zaten in doodsangst in het donker. Vloeken is dan bidden hè, als alles in elkaar dondert! Telkens dacht ik: ‘Zal dit de bom zijn, die mij zal treffen?’ Toen we eenmaal de blauwe lucht weer zagen, werd ik helemaal gek van verdriet, want overal lagen lijken en alles was kapotgeschoten of stond in brand. Ik heb die hele middag rondgelopen. ’s Avonds om elf uur lag ik onder mijn paardendeken te janken. Om half vier moest ik opstaan om te werken, terwijl er zeshonderd doden in onze fabriekskelder lagen. Opnieuw kwam ik in een ruimploeg.’

Naar het strafkamp

‘In augustus 1943 werd ik gearresteerd. Ik was verantwoordelijk voor de zaagmachine, die ik tijdens mijn lunchpauze moest afsluiten. Bejaarden uit Hannover vroegen me om met die machine brandhout te mogen zagen. Na mijn lunch bleek de zaagmachine vastgelopen te zijn en doorgebrand bij het zagen van een spoorbiels. Ik draaide voor de schade op. Ik kreeg zes weken opsluiting in een strafkamp in Helmstedt waar we barakken moesten bouwen. We sliepen in een paardenstal en we kregen er alleen brood en soep. Ontsnappen was onmogelijk. Na zes weken zwaar fysiek werk in het strafkamp mocht ik terug naar de fabriek in Hannover, waar ik nu alles meer waardeerde.’

Onder de luizen

‘Een week later op 9 oktober 1943 was er ’s nachts een groot Engels bombardement en onze barakken verdwenen in een grote vuurzee. We sliepen een week lang in het bos. Ook zonder bewaking bleef iedereen bij het kamp, want ons werk ging door en werd geregistreerd. Ze gaven ons als nieuwe slaapplek een fabriekszolder. Ik wilde vluchten naar Nederland, maar ook mijn papieren waren verbrand. In mei 1944 trouwde mijn stiefbroer. Hij werkte bij de gemeente en diende voor mij het verzoek in voor vijf dagen verlof om bij zijn huwelijk te zijn. Ik zou de benodigde stempels krijgen van de politie, het Arbeidsbureau, het Ausländerbureau, de fabrieksleiding en mijn voorman. Ik kreeg slechts één stempel van een Duitse voorman in de fabriek. In de trein bij Rheine werd ik door de spoorwegpolitie opgepakt, omdat vier stempels ontbraken. Op het perron werd ik overgedragen aan de politie en kwam ik in Bentheim in de cel terecht. Ze schrokken daar van mijn wonden van de luizenbeten. Een uur later kreeg ik een verlofbriefje voor mijn broers huwelijk, maar ik moest er alles achterlaten, ook mijn papieren. En na vijf dagen moest ik me dan weer in Bentheim melden. Uiteraard ging ik nooit meer terug.’

We vlogen elkaar in de armen

‘Op 15 mei 1944 kwam ik terug in Rijssen. Als een schooier liep ik in versleten kleding huiswaarts. Onze buurman die me voorbij fietste, herkende me amper, maar lichtte mijn moeder in. Zij kwam op kousenvoeten wel honderd meter over het zandpad aangerend en we vlogen elkaar in de armen. Zij was erg ongerust geweest toen ik als vermist was opgegeven bij het eerste bombardement, maar gelukkig kreeg ze een week later bericht dat ik nog leefde. Op 20 mei 1944 kon ik bij het huwelijk van mijn broer aanwezig zijn. Om mijn thuiskomst te vieren bracht mijn vriend Egbert een flink stuk biefstuk voor me mee. Na dit vorstelijke maal moest ik onderduiken bij een oom in Nijverdal. Kort daarop kregen mijn ouders twee huiszoekingen naar mij, door de Nederlandse politie en door de Landwacht. Mijn oom vreesde dat ze ook bij hem naar mij zouden komen zoeken, dus kon ik beter gaan. Toen zijn Egbert en ik bij acht verschillende boeren ondergedoken. Hij moest onderduiken voor de Arbeitsdienst en ik had geen papieren. We hadden een prachttijd al werkend op het land.’

Bij de Binnenlandse Strijdkrachten

‘Egberts broer zat bij de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) en wij meldden ons daar ook aan. We kregen samen één pistool en een emmer munitie. Oud-militairen gaven ons de opdracht om een landwachter te doden. Dat weigerden we te doen, want dit bleek alleen om zijn kleding en wapen te gaan. Op 29 september 1944 reden Egbert en ik op de fiets toen twee Engelse bommen de spoorlijn naast de Molendijk misten en een woonwijk troffen. We doorzochten het eerste brandende huis, maar vonden niemand. In de tuin bevrijdden we een gewonde zwangere vrouw onder een perenboomtak vandaan. Ik bleef bij haar en Egbert haalde medische hulp. Daarna haalden we in de tweede woning twee dode jongetjes uit het puin. Later bleek er in de eerste woning toch een dochtertje aanwezig te zijn, dat we helaas niet konden redden. Dat heeft ons altijd dwars gezeten.’

Vervalsing vrijstellingen

‘Op 7 oktober 1944 om acht uur ‘s ochtends moesten alle achtergebleven mannen uit Rijssen zich melden voor dwangarbeid bij het Arbeidsbureau. De stoet vertrok te voet naar Olst voor het graven van tankgrachten. Egbert en ik zijn zonder papieren meegegaan en ‘s avonds bij een boer in het stro gaan liggen. Na een week kwam een van de dwangarbeiders me halen om in het Duits aan de Duitse uitvoerder uit Hannover duidelijk te maken dat de mannen te weinig eten kregen. Hij vroeg of ik met hem wilde meegaan met paard en wagen naar Olst om vlees en broodmeel in te slaan en dat is gelukt. Terwijl hij aan de telefoon was in zijn kantoor van de Organisation Todt, stal ik een stempel en wat Duits briefpapier. Zo kon ik ‘officiële’ vrijstellingsbrieven vervalsen en zaten er spoedig heel wat Rijssenaren alweer thuis. Alleen moest het Arbeidsbureau in Zwolle al die Rijssense dwangarbeiders ook noteren als vrijgesteld op hun daar aanwezige persoonsbewijzen. Via het verzet zou de werknemer op het Arbeidsbureau, de heer Merlyn, deze aan ons leveren. Door verraad zat de heer Merlyn tot het eind van de oorlog vast. Ik werd tijdig gewaarschuwd en ben ondergedoken, maar ik werd gezocht.’

Gearresteerd door de Sicherheitsdienst

‘In februari 1945 werd ik op straat in Zwolle gearresteerd door de Sicherheitsdienst en een nacht in een kelder vastgehouden en verhoord, maar ik zweeg. Ze namen me mee naar de IJsselbrug bij Hattem waar het Duitse afweergeschut stond. Twintig Duitse soldaten kregen te horen dat ik een misdadiger was en dat zij me moesten neerschieten als ik te dicht bij de afrastering kwam. Om elf uur ’s ochtends kwamen er twee Duitse vrachtwagens over de brug en die werden beschoten door Engelse Spitfires. In de daaropvolgende chaos ontdekte ik dat de poort open stond, ik rende hard weg en dook in de IJssel. Verderop liep ik langs de IJssel tot aan Windesheim naar een bekend onderduikadres. Al gauw dook ik weer onder in Rijssen, waar toen geen controle meer was van Landwachters of politie.’

Vrijheid is niet meer bang te hoeven zijn

‘Op zondag 8 april 1945 kwam Egbert vertellen dat de Canadezen in aantocht waren. Ze lagen al aan de overkant van het Twente-Rijnkanaal. De Duitsers hadden zich ter verdediging ingegraven achter de Enterstraat en de Schapendijk. Egbert en ik brachten ieder uur verslag uit aan zijn broer in het verzet over het aantal schuttersputten met Duitsers. Bij onze laatste controle om vier uur ‘s ochtends waren alle Duitsers gevlucht. Toen de Canadezen Rijssen binnenreden, waren we zo opgelucht. Vrijheid is niet meer bang te hoeven zijn. Egbert en ik hielpen de BS met berichten rondbrengen en de bewaking van toegangswegen. Die ochtend haalden we NSB’ers en Duitse militaire gevangenen op. De vrouwen werden gevangen gezet in de synagoge en de mannen in de melkfabriek. Egbert en ik zijn zes weken met 26 BS’ers naar Friesland meegegaan om de dijken in de Noordoostpolder te bewaken, want de Duitsers waren nog in Noord-Holland en konden de Noordoostpolder onder water zetten.’

Berend en Roelf Wolterink naar Indië.
Met ons Friese regiment in Indië. Roelf linksonder, Egbert vijfde linksboven.

Met de Friezen naar Indië

‘Egbert en ik zijn in augustus 1945 overgeplaatst naar het Friese Bataljon om met hen eind oktober 1945 naar Indië te gaan om tegen de Indonesische vrijheidsstrijders te vechten. Mijn jongere broer ging ook mee. Op 4 mei 1946 liepen we in Indië in een hinderlaag. Het eerste schot trof Egbert en hij was op slag dood. We trokken ons terug, maar we lieten hem niet achter. De kapitein vroeg mij zijn ouders te schrijven. Egbert is begraven in Bandoeng en later herbegraven op het Ereveld. Op een dag zat ik met vier man in een schuttersput. Opeens stond er een Indonesiër achter me en ik schoot hem direct dood. Hij droeg echter geen wapen en stierf. Daar was ik zo verscheurd van, alsof ik een vriend had kapotgeschoten. ‘Iedereen die sneuvelt, is er één teveel!’, zeg ik altijd. Na drie jaar Indië zat mijn dienstplicht erop en keerde ik terug naar Nederland.’

Trouwfoto Roelf en Alie Wolterink, 26 oktober 1951 in Rijssen.
Roelf en Alie Wolterink, 50-jarig huwelijksfeest, 2001.
Vlnr: staand: Jan, Gerrit, Harry, zittend: Lia, Roelf en Alie.

.

Graf in Bandoeng van mijn beste vriend Egbert Beverdam.

Eren en gedenken

‘Eenmaal thuis raakte mijn knie gewond bij een motorongeluk. In het ziekenhuis was het liefde op het eerste gezicht met zuster Alie Nijland. Hoewel ik met niets begon, zijn Alie en ik toch getrouwd. Overdag werkte ik in de textielfabriek en volgde avondscholen. Uiteindelijk ben ik bedrijfsleider geworden. We kregen drie zonen en een dochter en we hebben samen een prachtleven gehad. Jaarlijks organiseer ik mede de Dodenherdenking in Rijssen. Bij de Nationale Herdenking 4 mei 2021 mocht ik namens alle burger-oorlogsgetroffenen de krans leggen bij het Nationaal Monument op de Dam. Ik vond het een hele eer om dit te mogen doen. Voor mij persoonlijk is 4 mei ook een bijzondere gedenkdag, want mijn beste vriend, Egbert Beverdam, is op die dag in 1946 voor mijn ogen doodgeschoten in Indië. Met hem heb ik alles meegemaakt en met mijn verhaal wil ik hem eren en gedenken.’

Interview: Ellen Lock, Juni-editie 2022, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak.