‘Iedere dag zie ik de oorlog in de spiegel’

In gesprek met burger-oorlogsgetroffene Rieky Spronk

‘Op 26 oktober 1934 ben ik geboren in Nijmegen. Mijn vader werkte bij de Aan- en Afvoer Troepen in Ede. Ik was de middelste van drie dochters. In mei 1940, toen de oorlog uitbrak, woonden wij in de Havikstraat in Nijmegen. Ik herinner me dat moment van het uitbreken van de oorlog heel goed; er kwamen allemaal vliegtuigen overvliegen. 

Rieky Spronk.
Rieky Spronk.

Tijdens de oorlog zat mijn moeder bij de ondergrondse. Ze heeft veel mensen naar Bovenkarspel gebracht om onder te duiken, waaronder mijn vader. Wij moesten altijd zeggen: “Papa zit in Duitsland.”

Gewond

‘Het verschrikkelijkste moment in de oorlog was voor mij de dag dat ik gewond raakte. Ik was tien jaar. Nijmegen was al bevrijd en een frontstad geworden. Amerikanen, Canadezen en Schotten hadden op mijn lagere school hun legerbasis en munitieopslagplaats. We kregen veel chocolade van ze, dat zal ik nooit vergeten. Begin januari 1945 liep ik bij het uitgaan van de school naar buiten met een groepje over het plein. Iemand gooide een fosforgranaat tegen de muur, die in mijn gezicht ontplofte. Een militair heeft een deken over me gegooid om het vuur te doven. Hij zette me in een jeep en ik besefte nog dat hij me niet naar huis reed. “Ik ga verkeerd!” riep ik. Daarna was ik heel lang buiten bewustzijn.’

Mijn poppenwagen verkocht

‘Toen ik wakker werd lag ik in een militair hospitaal. Volgens mijn moeder lag ik helemaal in het verband gewikkeld, met alleen twee kleine kijkgaten. Mijn linkerwang was verbrand. In mijn knie en in mijn voet zaten slangetjes met vocht, want als je verbrand bent, droog je heel snel uit. Ik werd goed verpleegd en ontzettend verwend door de soldaten van de legerbasis. Zij gaven mij een nieuwe fiets en een mooie poppenwagen met een pop. Ik barstte van de chocola, maar dat kon ik niet eten want ik kon mijn mond niet openen. Later werd ik overgeplaatst naar de kelders van het Canisiusziekenhuis in Nijmegen, want de stad werd nog steeds beschoten. Ik heb verschrikkelijk hard geschreeuwd toen het verband eraf ging. Toen ik thuiskwam uit het ziekenhuis had mijn moeder de poppenwagen en de fiets verkocht voor voedsel. Ik vond dat erg, want het waren immers mijn cadeaus. Achteraf was het natuurlijk heel begrijpelijk dat voeding in die tijd belangrijker was dan mijn poppenwagen.’

Ik bleef alleen achter

‘Ik heb meer dan vijftig gezichtsoperaties gehad, waarbij huid van andere delen van mijn lichaam werd getransplanteerd naar mijn gezicht. Mijn lagere school kwam in het gedrang, omdat ik telkens maanden in het ziekenhuis werd opgenomen. Van de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers moest ik een beroepskeuzetest doen aan de Berg en Dalseweg in Nijmegen. Ik wilde graag de verpleging in. De beroepskeuzetest wees echter uit dat ik naar de naaischool moest. Ik heb op een atelier gewerkt, maar ben er uiteindelijk hard weggelopen. Jarenlang werkte ik als Alfahulp bij bejaarden en ben dus toch in de verzorging terechtgekomen. Op de lagere school had ik leuke vriendjes, maar toen ik ouder werd trouwde iedereen en bleef ik alleen achter. Ik ging een keer met mijn zusje mee naar dansles, maar bleef de hele avond aan de kant zitten. Daarom heb ik zo’n hekel aan oorlogen, aan Bush en Saddam Hussein! Als oorlogsslachtoffers moeten we eens met elkaar voor Bush gaan staan om hem te laten zien welke gevolgen oorlog heeft.’

De drempel ligt hoog

‘Ik heb altijd moeite met bevrijdingsdag. Ik heb niets te vieren. Iedere dag zie ik de oorlog in de spiegel. Ik ben nooit opgevangen door een gespreksgroep. Mijn gezicht speelt bij alles wat ik doe een rol. De drempel om ergens naar toe te gaan ligt hoog. Zo gauw de mensen me kennen, voel ik me meer op mijn gemak. Ik zit op een leuke sport, ‘koersbal’ (een soort jeu de boules), in het bejaardentehuis waar ik ook koffie schenk. Die mensen ken ik allemaal en daar voel ik me thuis. Ik durf niet zomaar de bus te pakken, want ik vind het eng om de weg te vragen aan onbekende mensen. Toen ik net in Elst kwam wonen durfde ik ook geen boodschappen te doen. Kees, mijn man, stimuleerde mij en zei: ‘Je moet het toch een keer doen!’ Ze kennen me nu bij de supermarkt en daardoor is het weer eigen.’

Dia’s kijken

‘Vaak ben ik ontzettend boos en verdrietig tegelijk. Dan vraag ik me af: ‘Waarom heeft mijn moeder ons naar school gestuurd?’ Ik had een lieve moeder en twee lieve zussen, ze gingen overal met mij mee naartoe. Ik ben bij mijn moeder blijven wonen. Zij was reumatisch. Ik heb haar tot het einde thuis verzorgd. Dat strijdlustige karakter heb ik van mijn moeder meegekregen. Zelfs toen ze in een rolstoel belandde, wilde ze erop uit. Toen zij overleed raakte ik in een dal.

Rieky Spronk.
Rieky Spronk.

Gelukkig heb ik een aantal jaren geleden Kees ontmoet. Ik deed kerkenwerk in Nijmegen. Er was een leuke groep vrijwilligers en we hadden een feestje in het pastoraal centrum. Omdat Kees aan zijn been gehandicapt is, namen we samen een taxi na het feestje. Hij zei: “Je mag wel een keer dia’s komen kijken.” En daarna was het aan! Kees kon toen nog goed lopen en we hebben veel gewandeld samen.’

Ik ben een doorzetter

‘Nu verzorg ik Kees en zitten we meer aan huis gekluisterd, omdat zijn been niet meer wil. Je moet altijd blijven vechten voor je eigen leven. Ik ben een doorzetter. Toch kan ik ook heel verdrietig zijn. Ik kan er met niemand over praten, dat blijft. Kees is niet zo spraakzaam. Ik zit graag onder de mensen en ik wil niet in een hoekje zitten kniezen. Een vriendin van koersbal belde me onlangs op en we gaan nu samen op vakantie. Je moet bezig blijven, niet bij de pakken neer gaan zitten. Tonen dat je er bent en vooruit wilt!’

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak Maart 2003