Vechten tegen de herinnering

Spreker in 2023 bij de Nationale Herdenking 15 augustus 1945, Reggie Baay, over het Indische zwijgen.

Schrijver en historicus Reggie Baay was dit jaar spreker bij de Nationale Herdenking 15 augustus 1945 bij het Indisch Monument in Den Haag. Hij komt uit een Indisch-Nederlands gezin en werd in 1955 in Leiden geboren. Zijn ouders zwegen altijd over de oorlog. Reggie Baay vertelt: ‘Het was voor mijn ouders een dagelijks gevecht om de oorlog te vergeten. Omdat er niemand over de oorlog sprak, ging ik zelf op onderzoek uit naar het Indische verleden en de oorlogsgeschiedenis van mijn ouders.’

Reggie Baay op schoot bij zijn moeder, Ida Baay-Meijer, 1957. Foto: Familiealbum Reggie Baay

Indische Nederlander

‘Op 2 juli 1955 werd ik geboren in het ziekenhuis in Leiden. Mijn ouders gaven mij de naam Reginald. Op de middelbare school schaamde ik me voor deze ongebruikelijke naam en noemde mezelf kortweg Reggie. Mijn ouders waren beiden Indische Nederlanders. Mijn vader, Pieter Baay, was geboren in Solo op Midden-Java op 11 september 1919. Hij overleefde als krijgsgevangen KNIL-militair de dwangarbeid aan de Birma-spoorweg. Tijdens de Bersiap-periode werd hij in 1948 in Makassar gelegerd. Daar leerde hij mijn moeder kennen. Zij, Ida Meijer, was geboren op 28 mei 1926 in Makassar op Zuid-Celebes. Haar broer Wim was vaders chauffeur en die nodigde hem uit voor een diner bij zijn ouders. Zo maakte mijn vader kennis met Wims zusje Ida. Na drie ontmoetingen vroeg mijn vader haar ten huwelijk. Haar ouders hadden acht kinderen en stemden in met het huwelijk.’

Isolement

‘Op 31 mei 1950 werd een aanslag gepleegd door ongeregelde Indonesische troepen op het KNIL-kamp in Palopo in Zuid-Celebes. Mijn moeder raakte hierbij gewond door een kogel in haar bovenbeen en werd naar het kampziekenhuis gebracht. Ze had dringend behoefte aan medische hulp, want ze was hoogzwanger van mijn broer en haar vliezen waren al gebroken. Een gewonde Nederlandse militair kreeg echter voorrang. Uren later werd mijn broer geboren met een ernstig zuurstoftekort. Mijn vader voelde zich hier schuldig over, hij had misschien verkeerde genen of eerder ter plekke kunnen zijn. Mijn broers oogleden hadden een Japanse vorm. Op de boot naar Holland werd er door Indische vrouwen geopperd dat mijn moeder door een Japanse soldaat was verkracht. Uiteraard was dit onmogelijk, want mijn broer werd enkele jaren na de oorlog geboren toen de Japanners al lang weg waren uit Indonesië. Het moet een groot isolement geweest zijn voor mijn jonge moeder om met haar man naar Nederland te gaan, waar ze niemand kende. De KNIL-families werden opgevangen in ‘De Schattenberg’, gevestigd in het voormalige Kamp Westerbork. In dezelfde houten barakken van waaruit Joodse gevangenen waren gedeporteerd, werden nu de Indisch-Nederlandse gezinnen geplaatst. Daar zaten ze na al die kamptijd weer opeen. Binnen een jaar kon mijn vader als beroepsmilitair en kok aan de slag in de Doelenkazerne in Leiden. Mijn ouders kregen een huis toegewezen in het dorp Oude Wetering.’

Mijn vader Pieter Baay en mijn moeder Ida Baay-Meijer. Foto: Familiealbum Reggie Baay

Ik wilde alles weten

‘Mijn vader zat urenlang diep in gedachten verzonken in zijn stoel met een trieste blik. Als ik als kind een plotseling geluid maakte, kon hij behoorlijk kwaad worden. Ik merkte dat hij in bepaalde situaties merkwaardig kon reageren toen ik als zesjarige met hem in de Breestraat in Leiden liep en er een collectante van het Rode Kruis met een collectebus op hem afstapte. “Weg! Ga weg jij!”, siste hij haar toe. Ik begreep niets van zijn uitbarsting. Ook mijn moeder liet niets los als ik haar over de oorlog vroeg. “Och, dat kan ik me niet meer herinneren!” of “Dat is niet belangrijk!”, zei ze dan. Omdat er thuis weinig werd gepraat, had ik een flinke taalachterstand. Daarom zocht ik elk woord op in een woordenboek en wilde alles weten. Toen in 1971 een Engelstalige tv-serie wekenlang aandacht besteedde aan de Japanse oorlogsmisdaden, liep mijn vader steeds zwijgend de kamer uit en trok zich terug in de keuken. Zolang de tv-serie duurde kookte hij voor mij een uitgebreide Indische rijstmaaltijd met een Engels dessert. Mijn vader respecteerde het dat ik meer erover wilde weten, maar hij kon er niet met mij over spreken. Uiteindelijk ging ik Nederlands studeren en Geschiedenis om meer over de oorlog en de dekolonisatie te weten te komen. Als het je niet wordt verteld, ga je er zelf naar op zoek. Ik studeerde af op de koloniale pers in de Oost. Daarna werd ik docent Communicatie aan de Haagse Hogeschool en schreef ik artikelen voor kranten, Indische bladen en het tijdschrift Indische Letteren.’

Een afscheidsdiner

‘Mijn vader voorvoelde dingen, meestal had hij er al over gedroomd. Begin oktober 1998 kwam hij bij mij langs met tassen vol eten en maakte een speciale rijsttafel voor mij klaar met een Engels dessert. Toen hij wegging zei hij heel nadrukkelijk ‘Dag Njo!’ tegen mij, ofwel ‘Dag zoon!’ Het bleek zijn afscheidsdiner voor mij te zijn. Die nacht kreeg hij een hersenbloeding en raakte in coma, maar wist zich nog als een echte KNIL-militair naar zijn bed te slepen. In het ziekenhuis in Leiden is hij zeven dagen later gestorven. Thuis onder zijn bed vond ik een koffertje met daarop een briefje: ‘Voor Njo’. In dat koffertje trof ik zijn notities, brieven en papieren over de Birma-Spoorlijn aan. Ik las zinnen als: ‘Hoe ver kan een mens in zijn eigen hoofd verdwalen?’ en ‘Ik ben bang dat ik mijn verstand verlies.’

Een eerbetoon

‘Vader werkte als krijgsgevangene in de hitte aan de Birma-Spoorlijn in een kongsi - een samenwerkingsverband - van vier vrienden om elkaar te beschermen tegen diefstal van voedsel en geweld van medegevangenen. In je eentje redde je het daar niet. In november 1943 was de spoorlijn klaar en ze waren weliswaar broodmager en ziek, maar nog in leven. De spoorlijn werd vaak gebombardeerd door de geallieerden, dus ze werden ingezet voor het vele onderhoud. In mei 1944 kwam er een Japans medisch team in het kamp en de artsen namen schijnbaar willekeurig vier mannen mee naar een aparte tent, waaronder mijn vader. Ze werden ieder op een ander lichaamsdeel geïnjecteerd, vader in zijn rechterbeen. Een Australiër en een Nederlander stierven binnen twee dagen aan verlammingsverschijnselen. De Brit Reginald en vader raakten ook verlamd. Radeloos zei vader: “We zullen hier sterven!” Reginald stelde hem voor: “Laten we plezier hebben, zolang we nog leven. We kunnen samen in gedachten reizen, onze mooiste herinneringen delen en dromen over een feestmaal!” Reginald vertelde vader zijn favoriete Engelse desserts en vader gaf zijn Javaanse keukengeheimen prijs. Toen Reginald zijn einde voelde naderen beloofde vader plechtig dat hij zijn zoon naar hem zou vernoemen. Eindelijk ontdekte ik naar wie ik was vernoemd, als een eerbetoon.’

Niet langer vechten

‘De Engelse bevrijders arriveerden net op tijd en vader werd gered met het nieuwe medicijn penicilline, maar voortaan liep hij mank. Na de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 mochten de verzwakte KNIL-militairen Thailand nog niet verlaten van de Engelsen, die de orde en rust probeerden te bewaren in Nederlands-Indië. In Bangkok werd vader vanwege zijn huidskleur de toegang tot een Rode Kruis-opvang ontzegd. Dit verklaarde zijn uitbarsting tegen een Rode Kruis-collectante toen ik jong was. Vader werd ingedeeld bij de in Thailand opgerichte KNIL-eenheid ‘Gadja Merah’ (rode olifant). Na de eerste politionele acties wilde hij niet langer in de voorhoede vechten en werd kok voor zijn eenheid. Ook over die dekolonisatie-oorlog heeft hij nooit iets tegen mij gezegd, alleen dat hij er kok was. Tot 1950 heeft mijn vader in het KNIL gediend. Daarna werden hij en zijn gezin overgeplaatst naar Nederland.’

Een geheimtaal

‘Ook al zeiden mijn ouders zo weinig tegen mijn broer en mij, je voelde dat ze intens veel van ons hielden. Ze maakten de heerlijkste Indische gerechten klaar en cijferden zich weg voor een goede toekomst voor de kinderen. Ze hielden vele kumpulans, bijeenkomsten voor Indische vrienden en familie, bij ons thuis. Dan hoorde ik mijn ouders aan ooms en tantes flarden van hun kampverhalen vertellen. Het was een soort geheimtaal, ze hadden allemaal dezelfde oorlogssituaties overleefd en begrepen elkaar al met een half woord. In mijn jeugd was mijn grote broer vaak stil. Hij kon zich moeilijk uiten en had vaak driftbuien. Op een dag werd hij voorgoed van school gestuurd, omdat hij onhandelbaar was. Mijn ouders wilden hem zo lang mogelijk thuis verzorgen. Vader liep ‘s nachts uren buiten om mijn broer te kalmeren als hij rusteloos was. Op zijn twintigste stelde een arts vast dat hij ook schizofreen was. Na geruime tijd moest mijn broer naar een verzorgingshuis in Katwijk. Er werd goed voor hem gezorgd tot hij onlangs overleed op 31 december 2022. Aan hem had ik al mijn roman ‘Het kind met de Japanse ogen’ opgedragen, waarvan ik hem nog delen heb voorgelezen.’

Reggie Baay. Foto: Fjodor Buis

Van beide culturen pluk ik de vruchten

‘Ik wilde niet dat mijn vaders oorlogsgeschiedenis met hem mee het graf in zou gaan. Daarom heb ik geprobeerd zijn geschiedenis in mijn eerste roman ‘De Ogen van Solo’ te vatten en aan mijn tweelingzoon en -dochter opgedragen. Zijn verhaal is zo tekenend voor de eerste en tweede generatie Indo-Europeanen. Vlak na de geboorte van de tweeling heb ik mijn ouders nog nooit zo gelukkig gezien. Inmiddels zijn ze 26 jaar en ze gingen vaak mee naar Indonesië. Ze voelen zich daar als een vis in het water. In de Javaanse gezichten herken ik de vertrouwde gelaatsuitdrukkingen van mijn ouders, ooms en tantes. Ik houd van de Javaanse tradities, zoals het gedenken van je dierbaren met wierook en het bijeenzijn bij een eigengemaakte rijsttafel op hun geboorte- en sterfdag. Mijn ouders geloofden dat geliefde overledenen nog bij hen waren na de dood en dat er niets voor niets op je pad komt. En dat geloof ik ook. Van beide culturen pluk ik de vruchten.’

Interview: Ellen Lock, September-editie 2023, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak.