‘Ik ben nog lang niet uitgeraasd over die oorlog’

Ralph Prins, juni 2010
Ralph Prins, juni 2010,  Foto: Ellen Lock.

Beeldend kunstenaar Ralph Prins vertelt zijn oorlogsgeschiedenis en praat over zijn bekendste oorlogsmonument, het Nationaal Monument Westerbork.

Kunstenaar

‘Op 3 mei 1926 ben ik geboren in een Joodse familie in Amsterdam. Ik bleef enig kind en mijn ouders zijn gescheiden toen ik anderhalf jaar was. Zij bleven goed met elkaar omgaan. Mijn vader nam mij iedere woensdag mee naar musea en speelde veel intelligentiespelletjes met mij. Als ik zijn vragen foutloos beantwoordde, mocht ik zeggen wat we die dag gingen doen. Het liefst ging ik met hem naar Artis. Mijn moeder was directrice in een tehuis voor moeilijk opvoedbare Joodse meisjes in Santpoort. Ze behandelde de meisjes met respect en als vriendinnen. Het bijzondere van het tehuis was, dat het geen gesloten instelling was; je kon er vrij in en uit gaan. Haar visie op deze zorg baarde opzien in binnen- en buitenland. Als kind verbleef ik vaak bij mijn moeder in Santpoort. Mijn oma woonde bij ons in huis en zorgde voor ons. Op jonge leeftijd wilde ik kinderpsychiater worden, maar al gauw werd ik vanwege mijn creativiteit door anderen opgemerkt als kunstenaar in spé. Toen de Tweede Wereldoorlog begon, was ik veertien en woonde in bij het bevriende gezin van Joseph Gompers, een schrijver en dichter, omdat dit voor mij dichter bij school was. Zijn zoon Philip zat een paar klassen hoger dan ik op het Amsterdamse Barlaeus Gymnasium. Mijn vriend en pleegbroer Philip is later in Mauthausen vermoord en ik moet nog vaak aan deze talentvolle jongen denken.’

Een zondagskind

‘De oprichting van het Joods Lyceum in 1941 was een direct gevolg van de Duitse bezettingspolitiek. Joodse leerlingen van openbare middelbare scholen in Amsterdam, waar de meeste Joodse kinderen op zaten, werden van hun scholen verwijderd en mochten nog slechts onderwijs volgen aan het Joods Lyceum. Daar raakte ik bevriend met Juultje Ketellapper en we waren onafscheidelijk. Zo ging ik met Juultje mee naar het verjaardagsfeestje van Anne Frank. Het was puur platonisch met Juultje. In het Anne Frankmuseum ligt Juultje’s poëziealbum, waar Anne ook in heeft geschreven: ‘Vergeet mij niet’. Met pijn in mijn hart heb ik later een gedenkteken voor de slachtoffers van die school gemaakt.
In 1943 liepen onze klassen leeg vanwege de vele razzia’s op Joden in Amsterdam. Joden werden op lijsten geplaatst en opgeroepen voor zogenoemde werkkampen in Duitsland. Iedereen probeerde zijn eigen hachje te redden. Mijn vader schudde me wakker toen hij vertelde wat er gebeurde met Joden in Duitsland. Ik dacht: ‘Hoe kan ik mijn overlevingskansen vergroten? Misschien zou ik als huisschilder een kans hebben om te overleven, want in Duitsland hadden ze vast schilders nodig voor al die barakken.’ Met een mapje tekeningen onder mijn arm ging ik naar de afspraak op de Joodse Ambachtsschool om toegelaten te worden tot de opleiding ‘Huisschilder’. Ze vonden mij zo goed dat ik meteen het eerste jaar mocht overslaan. Mijn moeder was verbaasd en riep uit dat ik altijd al een zondagskind was geweest. Voor het eerst van mijn leven kreeg ik een kwast in mijn hand en er was een magische klik. Mijn tekenlerares wilde niet geloven dat ik nooit eerder letters had getekend. Ik was 17 toen ik daar was aangenomen en met rode oortjes mijn eerste naaktmodel moest tekenen.’

De Barneveldgroep

‘In december 1942 kwam mijn moeder vanwege de bijzondere zorgmethode die zij hanteerde in haar tehuis met haar gezin in aanmerking voor het zogenoemde Plan Frederiks. Karel Johannes Frederiks, de Nederlandse secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken, was in 1941 benaderd door vijf bevriende Joden die bang waren voor de antisemitische politiek van Hitler. Frederiks probeerde Joden, die een specifieke maatschappelijke waarde hadden, zo lang mogelijk uit de kampen te houden. Zijn plan om deze mensen eerst in drie huizen in Gelderland te interneren werd tijdelijk goedgekeurd door de Duitse bezetter. Vanwege haar functie werden mijn moeder, mijn oma en ik geplaatst in de zogenoemde Barneveldgroep. Op 31 maart 1943 werden wij geïnterneerd in het huis ‘De Biezen’ in Barneveld. Het was weliswaar een vrijwillige internering, maar de keuze was óf gevangen in dit huis óf deportatie naar Westerbork. We mochten het huis niet uit zonder ster en we mochten niet van het terrein af. We zaten hier met meerdere families gevangen. Voor ons was dit een bijzondere tijd, want mijn moeder ontmoette er haar nieuwe vriend die vanaf dat moment bij ons bleef. Met toestemming van de commandant mocht ik er mijn studie vervolgen. Dagelijks kreeg ik privéles van een inspirerende docent, Hans van der Waal. In die tijd, toen de academische wereld er nog geen oog voor had, erkende hij fotografie al als kunstvorm. We spraken niet over de oorlog en niet over de trein naar Auschwitz. We probeerden allemaal door te leven alsof de oorlog er niet was en alsof er geen dreiging van deportatie was, maar je voelde iedere dag de spanning. Je leerde leven met de dag, je moest wel.’

Kamp Westerbork

‘Lange tijd dachten we dat we hier veilig zouden zijn voor deportatie, maar nadat Frederiks was gestorven werden wij op 29 september 1943 met de Barneveldgroep toch naar Westerbork gedeporteerd. Met zware koffers moesten we vanaf het station naar het kamp lopen. In Westerbork ontmoette ik de destijds bekende Nederlandse beeldend kunstenaar Jobs Wertheim. Als achttienjarige jongeman was ik diep onder de indruk van zijn uitstraling en capaciteiten. Hij introduceerde me in zijn kennissenkring. Uit deze bijzondere ontmoetingen putte ik hoop om alle narigheid en vernedering te verdringen. Het gehuil van kinderen bij het wegrijden van de treinen sneed door ieders ziel. Vanwege de bescherming die de Barneveldgroep in eerste instantie had gekregen, hadden we ook in Westerbork meer bewegingsvrijheid dan de andere gevangenen. Van die bewegingsvrijheid maakte ik gebruik door ordonnans te zijn, ik bracht stiekem in mijn laarzen briefjes over en weer voor mensen uit de strafbarak naar mensen die in het kamp gevangen zaten. Wanneer er nieuwe transporten kwamen had ik het er druk mee, want iedereen kende wel iemand in de strafbarakken. De mensen die op transport gingen vonden het prettig om hun naam op hun koffers en rugzakken te hebben, dus heb ik veel namen op koffers geschilderd en daar mensen een plezier mee gedaan. Op foto’s van stapels koffers in de media herken ik soms mijn handschrift.’

Ralph Prins, juni 2010
Ralph Prins, juni 2010,  Foto: Ellen Lock.

Onvermoede energiebronnen

‘Op 4 september 1944 werden we in een veewagen naar Theresienstadt gedeporteerd. De kleinste dingen raakten me het meest. Ik zag bijvoorbeeld hoe een deftige oudere dame in onze wagon niet op de ton haar behoefte wilde doen met iedereen eromheen. Die blik van vernedering op haar gezicht kwam hard bij mij binnen. Je zag dat die mevrouw kapot ging door het onterende. Het was erg dat iemand die zo perfect en ladylike was opgevoed, dit moest ondergaan. Alles wat gebeurde was zo niet te bevatten. In de volgepakte veewagon kon ik nog door een kleine spleet naar buiten kijken. Theresienstadt was één groot nepkamp, het was het modelkamp van Hitler om in een propagandafilm aan het Rode Kruis te laten zien dat alle kampbewoners goed werden behandeld. Deze propagandafilm heette: ‘Hitler schenkt den Juden eine Stadt’. Ik heb er met een borsteltje de straten moeten poetsen onder bevel van de kampcommandant. O wee, als er nog een kruimeltje lag. Allemaal kafkaëske onderdelen. De Deense regering eiste in 1943 dat het Rode Kruis er toegang kreeg tot de Deense gevangenen. Mijn pleegbroer Philip heeft nog een kaart naar Holland gestuurd vanuit dit kamp, waarop een stempel stond met de tekst: ‘Auf dem Flug erschossen’, dat wil zeggen op de vlucht neergeschoten, de Nazi’s deden net alsof je daar kon ontsnappen! Er was geen enkele mogelijkheid om te ontsnappen uit dit zwaar bewaakte concentratiekamp. Als gezin bleven we dicht bij elkaar. Ieder gezin had zijn eigen weg naar rauwe aardappels, hout voor het kacheltje en naar andere middelen om te overleven. Het was in die barakken bitter koud. Er was weinig eten dus iedereen vermagerde sterk en had weinig weerstand. Mensen met een warm hart waren belangrijk in deze situatie. Er zaten kunstenaars, wetenschappers en musici uit alle landen. Velen werden na enige maanden toch op transport gesteld naar het vernietigingskamp Auschwitz. Theresienstadt was geen vernietigingskamp, maar velen stierven van honger, kou en besmettelijke ziekten. Ik probeerde mij in al die ellende te focussen op de positieve dingen van mensen. Je kunt een heleboel kracht putten uit onvermoede energiebronnen. Voor mij was het belangrijk dat ik iedere dag met mijn familie kon praten. Ik kreeg een warm gevoel als ik mijn oma in die barakken aan tafel wat brood zag eten en dan toch een stukje papier neerlegde als placemat. Ik vond het bijzonder dat zij zo verfijnd bleef in die duisternis. De Nazi’s konden bepaalde gewoontes niet afpakken.’

De vrijheid proeven

‘Op een dag ging het gerucht dat je je in een rij kon opstellen omdat kampcommandant Rahm verzoeken om naar Zwitserland te gaan wilde afwegen. We wisten toen nog niet dat vanuit Zwitserland getracht werd om Joodse gevangenen uit Theresienstadt vrij te krijgen in ruil voor goederen, geld of krijgsgevangenen en dat Himmler aan het eind van de oorlog bereid was om een klein aantal gevangenen te ruilen. De enige voorwaarde voor vertrek was dat je de kampcommandant duidelijk moest uitleggen waarom uitgerekend jij zou mogen gaan. In het kamp vertrouwden veel mensen dit niet.
Ik vond dit idee zo onvoorstelbaar dat ik in de rij ben gaan staan om te zien wat er zou gebeuren. Medegevangenen vreesden dat het ook wel weer een lijst voor iets heel anders kon zijn. Opeens stond ik voor de kampcommandant die naar mijn reden vroeg. Ik vroeg: “Ik wil eerst uw toestemming om met u te praten alsof er geen oorlog is.” Hij stemde hierin toe. Wijzend op mijn hart antwoordde ik: “Ik weet hier van binnen dat ik ben geboren voor de beeldende kunst. De beste school op dit gebied is de Kunstgewerbeschule in Zürich en daar had ik op gezeten als er geen oorlog was.” Hij begon hard te lachen en zei: “Ik weet zeker dat er niemand zo’n goede reden heeft als jij! Je gaat maar mee naar Zürich en je familie mag ook mee.” Ook andere mensen uit de Barneveldgroep zijn op die manier via het Rode Kruis in Zwitserland geruild. Aan de keuze van die commandant heb ik mijn leven te danken. Met bewaking werden we op 5 februari 1945 uit het kamp op de trein naar Zwitserland gezet. Onze sterren mochten van onze jassen af, onderweg kregen we voor ons doen veel eten en drinken mee, zodat we er wat beter uitzagen wanneer we in Zwitserland aankwamen. Er werd aan de vrouwen zelfs make-up uitgedeeld. Bij de Zwitserse grens stond op 7 februari 1945 de internationale pers ons op het station op te wachten. We kregen schalen met taartjes aangereikt. Met de eerste hap van een tompoes proefde ik de vrijheid!
Tegen het einde van de oorlog kwamen steeds meer gevangenen via de dodenmarsen samen in Theresienstadt. Met het oog op de naderende Russische troepen probeerden de SS-ers zoveel mogelijk gevangenen naar de dieper in Duitsland gelegen kampen te brengen. Door de samenvoeging van een groot aantal gevangenen in steeds minder kampen stortten de voorzieningen vrijwel volledig in. Al snel was er een grote uitbraak van tyfus waaraan veel gevangenen overleden. Het kamp werd pas op 8 mei 1945 door de Russen bevrijd.
Als je dit alles hebt overleefd, dan blijven de oorlogen van nu een enorme impact op je hebben. Die oorlog houdt niet op in je hoofd. Zodra het gaat over mensen die gevangen zitten, raakt mij dat meteen. De onrust van: ‘Ik moet iets voor die mensen doen, want als wij niet waren geholpen…’, gaat nooit meer weg.’

Vrijgelaten

‘Al gauw raakte mijn leven in een stroomversnelling. Ik moest een test doen voor de school waar ik zo graag naar toe wilde in Zürich. Via een internationale kunstonderwijs inspectie maakte ik op die school kennis met de Oostenrijkse beeldhouwer Fritz Wotruba. Hij zag mij bezig en vroeg: “Heb je wel een atelier?” “Nee, ik heb niet zoveel nodig”, antwoordde ik hem. Hij zei toen: “Je krijgt zo gauw mogelijk een atelier van mij, daar zal ik voor zorgen.” Mijn moeder had gelijk gekregen, ik ontmoette in mijn leven altijd de juiste mensen op de juiste tijd. Wotruba regelde via de Nederlandse ambassade in Bern dat ik na de bevrijding op de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag een vrij rooster mocht volgen. Ook toen het vrede was, kreeg ik een atelier van hem met alles wat ik nodig had om van te leven. Hij bracht mij in contact met Vroom en Dreesmann, waar ik etalages en pakpapier voor mocht ontwerpen. Ik werd geheel vrijgelaten. Voor Amnesty International mocht ik affiches maken met typografische kunst: ‘Schrijf ons brieven, al komen ze niet aan, op een dag zullen wij ze lezen.’’

Monument Kamp Westerbork. Foto: Herinneringscentrum Kamp Westerbork.
Monument Kamp Westerbork,  Foto: Herinneringscentrum Kamp Westerbork.

Nationaal Monument Kamp Westerbork

‘Alleen bij het maken van de herdenkingstekens was er altijd veel bemoeienis van anderen. Ik begrijp natuurlijk wel dat het gevoelige materie is. Het was voor mij moeilijk om bij mijn eigen gedachten te blijven en me niet te laten beïnvloeden. Het Nationaal Monument Westerbork was een opdracht die ik van mijn vriend Otto Treumann overnam, omdat hij ziek was. Het werd in 1970 door Koningin Juliana onthuld. Ik wilde juist geen mensen of dieren in dit monument opnemen, want vrome Joden hebben daar moeite mee. Ik heb dit monument precies kunnen maken zoals het zich het in mijn gedachten aandiende. De zwaar gehavende rails van het monument strekken zich als wanhopige armen uit naar de hemel. Voor mij is kunst maken zeer zeker therapie. Ik kan er gelukkig veel in kwijt en nog steeds, want wat dat betreft ben ik nog lang niet uitgeraasd over die oorlog.’

Interview: Ellen Lock, PUR-cliëntenblad Aanspraak, Juni 2010