Een kennismaking met Puck Huitsing, directeur van de Eenheid Oorlogsgetroffenen en Herinnering WO II

De van oorsprong Groningse Puck Huitsing (44) kent de oorlogsgeschiedenis van nabij. Haar ouders zijn beiden bijna tachtig jaar. “Ik merk dat mijn ouders juist nu zij ouder worden meer praten over de oorlog, er meer mee bezig zijn, en ik kan me dat van onze verschillende groepen oorlogsgetroffenen daarom ook goed voorstellen.” Huitsing is directeur van de Eenheid Oorlogsgetroffenen en Herinnering WOII (OHW) bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Zij vertelt over het werk van OHW en over de Duitse schadeloosstelling voor Nederlandse ex-dwangarbeiders.

Puck Huitsing, Foto: Anne Reitsma.
Trouwfoto Arie Kooiman, 1942, Foto: familiealbum Arie Kooiman.

Hoe raakte je betrokken bij het beleidsterrein Oorlogsgetroffenen en Herinnering?

"Na mijn studie Geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam werkte ik jarenlang als manager bij Ahold. Toen ik 33 werd dacht ik: ‘Is dit alles?’ Ik wilde liever werken aan iets dat meer betekenis heeft voor mensen en meer met mijn achtergrond doen als historicus en zo kwam ik als projectmanager bij VWS terecht. Sinds 15 februari 2004 ben ik directeur van OHW. Deze Eenheid is een samenvoeging van de Directie Verzetsdeelnemers, Vervolgden en Burgeroorlogsgetroffenen (DVVB) en het project Tegoeden Tweede Wereldoorlog (TTW).”

Wat is je betrokkenheid bij de doelgroep oorlogsgetroffenen?

"Mijn betrokkenheid bij de doelgroep komt van twee kanten, via mijn ouders en via mijn studie. Het is niet alleen zomaar een zakelijk beleidsterrein, maar ook een terrein dat betrokkenheid vereist en die combinatie spreekt mij aan. Het gaat erom dat je enerzijds zo goed mogelijk met de gevoelens van diverse groepen oorlogsgetroffenen omgaat en anderzijds dat je als Rijksoverheid zo goed mogelijk bepaalde wettelijke taken uitvoert.”

Waarom is gekozen voor een nieuwe Eenheid Oorlogsgetroffenen en Herinnering WO II?

"Uit het project TTW kwamen veel nieuwe nationale en internationale activiteiten en waardevolle ideeën. We vonden dat daaraan geen einde mocht komen. Daarom is er per 15 februari 2004 een nieuwe eenheid gevormd die zich bezighoudt met de thema’s Oorlogsgetroffenen en Herinnering. Daaronder worden zowel verzetsdeelnemers, vervolgden als burgeroorlogsgetroffenen begrepen. De rol van OHW is ten eerste het thema op de agenda zetten; ten tweede proberen we de verbinding te leggen tussen de verschillende groepen en organisaties op dit terrein en ten derde zijn wij er om te faciliteren, dingen mogelijk te maken. OHW werkt samen met allerlei partijen en organisaties, zodat er een infrastructuur is en blijft rondom het thema oorlogsgetroffenen en herinnering.”

Wat zijn de aandachtspunten in het beleid van de Eenheid OHW?

"De aandachtspunten zijn: Oorlogsgetroffenen en Herinnering. We garanderen de erkende oorlogsgetroffenen de materiële zorg die zij op dit moment al hebben. Vanuit de gedachte van ereschuld en bijzondere solidariteit blijven we ons voor alle groepen oorlogsgetroffenen inspannen. Het vasthouden van de herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog vormt een speciaal aandachtspunt omdat bijna zestig jaar na de oorlog een groot deel van de bevolking de oorlog niet heeft meegemaakt en een ander deel minder bekend is met de Nederlandse oorlogsgeschiedenis omdat ze van allochtone afkomst is. De Eenheid OHW wil samen met organisaties op het gebied van de Tweede Wereldoorlog kijken op welke manier over tien jaar herinnering vorm kan krijgen. We richten ons speciaal op de educatieve kant, samen met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Er wordt lesmateriaal voor de scholen gemaakt om de geschiedenis door te geven. Het zou aardig zijn wanneer iedere geschiedenisdocent minimaal één keer per jaar met een klas naar een herinneringscentrum of verzetsmuseum gaat. Via subsidies stimuleren we dat er tentoonstellingen over het thema blijven komen. Vrijwilligersorganisaties, maar ook individuele oorlogsgetroffenen, hebben vaak een schat aan archieven in huis. We willen deze archieven zoveel mogelijk behouden in samenwerking met het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie. Tenslotte willen we in ons beleid zichtbaarder zijn voor oorlogsgetroffenen. De staatssecretaris probeert daarom zoveel mogelijk bijeenkomsten en herdenkingen te bezoeken.”

Puck Huitsing, Foto: Anne Reitsma.
Brief aan Akke Kooiman, 1944, Foto: familiealbum Arie Kooiman.

Welke bijzondere activiteiten gaat de Eenheid OHW organiseren in verband met het komend herdenkingsjaar 2005. Gaat de samenleving hier iets van zien?

“Er komt in het herdenkingsjaar 2005 natuurlijk weer veel media- aandacht voor dit onderwerp. OHW zal in goed overleg financieel bijdragen aan nationale en internationale evenementen voor oorlogsgetroffenen, mits het evenement wel binnen het beleid past. Wij steunen o.a. financieel het Nationaal Comité 4 en 5 mei en bijvoorbeeld de in dit blad geïnterviewde Piet Kool met de uitgave van een herinneringsboek en een tentoonstelling voor de herdenking voor ex-dwangarbeiders op 21 november 2004 bij het Provinciehuis in Den Haag.”

Zijn er bijzondere beleidskeuzes gemaakt voor de ex-dwangarbeiders?

"De schadeloosstelling van de ex-dwangarbeiders is een zaak van de Duitse regering. De Nederlandse overheid heeft, weliswaar laat, aandacht gekregen voor erkenning van de ex-dwangarbeiders. De ex-dwangarbeiders hebben een eigen positie in de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, er zijn mogelijkheden voor immateriële hulpverlening, er is een aantal monumenten opgericht en er is geschiedschrijving over de ex-dwangarbeiders."

Dus Duitsland is verantwoordelijk voor de schadeloosstelling van de ex-dwangarbeiders?

"Ja. In 2000 werd door de Duitse overheid en het Duitse bedrijfsleven een fonds voor de schadeloosstelling van ex-dwangarbeiders opgericht. Omdat er wereldwijd ontzettend veel ex-dwangarbeiders zijn, heeft de Duitse overheid partnerorganisaties ingeschakeld. De Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) in Genève is belast met de uitvoering van de schadeloosstelling voor de niet-joodse ex-dwangarbeiders die niet uit de Oost-Europese landen afkomstig zijn, en dus ook voor de Nederlandse ex-dwangarbeiders. Maar de voorwaarden zijn zo streng, dat veel Nederlandse ex-dwangarbeiders niet voor een schadeloosstelling in aanmerking komen. De Nederlandse regering heeft herhaaldelijk geprobeerd om de strenge criteria te laten verruimen. Ook is gevraagd het proces te versnellen. Dit heeft echter geen resultaat gehad.”

Hoeveel Nederlandse ex-dwangarbeiders komen daadwerkelijk in aanmerking voor een schadeloosstelling?

“De uiterste datum voor het indienen van een aanvraag bij de IOM was 31 december 2001. Er zijn bij de IOM in totaal 20.195 Nederlandse aanvragen van ex-dwangarbeiders ingediend. Per 3 mei 2004 zijn er 3.024 aanvragen toegewezen en, vanwege de strenge criteria die worden gehanteerd, zijn 16.069 aanvragen afgewezen. Op dit moment wachten nog ruim duizend Nederlandse ex-dwangarbeiders op een beslissing. Wereldwijd zijn er meer dan 330.000 aanvragen ingediend. De IOM had daarop niet gerekend en daarom duurt het zo lang. Eind 2004 wil de IOM de claims hebben afgehandeld.”

Interview: Ellen Lock, PUR-cliëntenblad Aanspraak september 2004.>