Houd nooit op met voelen

Pauline Kok over haar gevangenschap in vier Japanse kampen op Sumatra

Pauline Kok woont in Canada en heeft daar het boek ‘Het vergeten kamp’ kunnen schrijven, wat ontzettend moeilijk voor haar was. Zij vertelt: ‘Jarenlang kon ik niet spreken over wat we in de kampen moesten doorstaan, zelfs niet met mijn man en kinderen. Zij leerden pas over mijn verleden via mijn boek. Ik had hun mijn tranen en slapeloze nachten anders nooit kunnen verklaren. Maar het is me gelukt en het heeft geholpen.’

Pauline Kok als meisje. Foto: familiearchief Pauline Kok.
Pauline Kok als meisje, Foto: familiearchief Pauline Kok.

Een interview met haar naar aanleiding van haar boek, dat in 2013 ook in het Nederlands is verschenen.

Mijn moeder begon te fluisteren

Op 1 maart 1933 ben ik geboren in een rooms-katholieke familie in het dorp Tomohon bij Manado op Celebes. Mijn vader werd later het hoofd van de lagere school in Langsa, een stadje op het Indonesische eiland Sumatra. Toen de oorlog begon was ik negen jaar, mijn broer Frans was vijf en mijn zusjes, Annie en Mariet, waren drie en twee jaar. We waren nog te klein om te bevatten wat ‘oorlog’ was. Alleen merkte ik wel een gedragsverandering bij mijn moeder. Zij begon te fluisteren als ze met haar buurvrouw de veranderingen in Langsa besprak.

Wij, kinderen, mochten niet meer buiten spelen en de radio werd afgezet als we in de buurt kwamen. Het nieuws over de Japanse aanval op Pearl Harbor stond wel in de krant, maar die mocht ik niet lezen, dus ik wist van niets. In maart 1942 werd mijn vader ’s morgensvroeg door Japanse soldaten opgepakt en in een truck met andere Hollandse mannen weggevoerd.

Pauline met haar ouders en broer Frans. Foto: familiearchief Pauline Kok.
Pauline met haar ouders en broer Frans, Foto: familiearchief Pauline Kok.

Gerampokt

Mijn moeder moest - net als alle Hollandse vrouwen in Langsa - verzamelen in het grootste hotel van de stad, het Simon Fraay Hotel. Wat we konden dragen, mochten we meenemen. De vrouwen en kinderen werden ingedeeld in de hotelkamers. De volgende dag mocht mijn moeder nog één keer naar huis om waardevolle spullen mee te nemen. Sitah, onze baboe, hielp haar met dragen. Eén keer kon ik onder het prikkeldraad ontsnappen en naar ons huis terugkeren. Het was afschuwelijk om, verstopt in de struiken, te zien hoe ons huis werd gerampokt - geplunderd - door Indonesiërs.

We zagen mijn vader nog één keer toen de gevangenen in rijen van vier langs ons hotel werden gedreven. Mijn vader riep ons toe: ‘Hou vol, we komen er wel doorheen!’ Zij gingen naar de haven van Belawan vanwaar zij per boot naar elders zouden worden overgebracht. Gedurende onze jarenlange gevangenschap hebben wij nooit geweten waar hij was en of hij nog leefde.

Pauline’s Ouders, Foto: familiearchief Pauline Kok.
Pauline’s Ouders, Foto: familiearchief Pauline Kok.

Kamp Keudah

In juni 1942 werden wij vervoerd naar Kamp Keudah, een verlaten legerkamp in Kota Radja, de hoofdstad van Atjeh. Het kamp werd omsloten door een ijzeren hek waarlangs de kampbewakers uit Atjeh, die voor de Japanners werkten, patrouilleerden. De lange betonnen kazernes waren opgedeeld in kamers. Omdat wij met vijf personen waren in ons gezin kregen we één kamer voor onszelf, kleinere gezinnen moesten een kamer delen. Iedereen kreeg corvee, dat brak de tijd nog wat. We zijn geruime tijd in Kamp Keudah gebleven. Achteraf gezien was dit nog ons beste kamp. In elk volgende kamp was alles erger: meer honger, meer ziekten, meer wonden en minder aandacht daarvoor, geen hulp en geen enkel medicijn. Meer geschreeuw en stokslagen van de Japanse bewakers.

Kamp Lawe Sigalagala

In bussen werden we naar kamp Lawe Sigalagala overgeplaatst. De bewakers liepen dag en nacht rond de omheining van het kamp. We moesten twee keer per dag op appel komen en als een gevangene niet aanwezig of ziek was, werd er net zolang gezocht tot die ook aantrad. In ieder volgend kamp kregen we minder te eten. In de eerste kampen konden we nog aan wat voedsel komen als we geld of iets te ruilen hadden. Maar dat was gauw besteed en in de laatste kampen kon je niets meer kopen. Ons hele gezin heeft vrijwel voortdurend met malaria te maken gehad. Beriberi kregen we allemaal vanaf het tweede jaar in gevangenschap. Toen het bericht kwam dat de jongens ons moesten verlaten, waren ze geen 10 jaar, maar 11. Mijn broertje Frans was nog lang geen elf, maar wel een paar vriendjes. Dat was een hevige klap voor het hele kamp. De moeders hebben dagen lang lopen snikken en waren doodsbang dat ze hun zonen nooit meer zouden zien. We hebben ook nooit geweten waar ze heen gingen, tot we na de oorlog hoorden dat ze naar mannenkampen werden gezonden.

Heldin

Mijn moeder was apathisch van de honger, maar had soms nog een helder moment. Zo liep ze eens door de poort toen Japanse soldaten natte zakken met rijst buiten het kamp bewaakten. Zij lachten om de zielige, hongerige vrouwen, die dagen lang niet hadden gegeten, en zij hadden besloten dat we de rijst zelf naar binnen moesten halen. Mijn moeder liep naar de smerige, natte rijstzakken en begon ze onder de ogen van de soldaten naar binnen te slepen. Niemand begreep waar ze de kracht vandaan haalde. Onder gejuich van de andere vrouwen sleepte ze vier zakken naar binnen en spoorde zo andere vrouwen aan om dit ook te doen. Ze zakte in elkaar, maar anderen haalden de rest van de rijst binnen. Veel van de rijst was bedorven, maar het binnenste was nog bruikbaar en we hadden tenminste weer eten. Ik was zo trots op haar, ze was mijn heldin!

Angst

Mijn zusje Annie werd zo ziek dat ze drie maanden verdween in een onbekend ziekenhuis. Ik dacht dat ze zou sterven en hoe moest ik dat vertellen aan mijn jongste zusje Mariet? Die twee kleintjes waren enorm aan elkaar gehecht. Ik zal nooit de vreugde vergeten toen Annie genezen terugkwam en de meisjes elkaar weer omhelsden. Er was een dame in het kamp die mij veel hoop gaf met haar gezangen en Bijbelverzen die zij uit het hoofd voordroeg. Zij heette Mies Miedema en haar woorden waren eenvoudig, genezend, hoopgevend en prachtig in die eenzame tijden. Zij ontfermde zich over velen en nam corveetaken van zieken over. Zelfs de meest gemene vrouwen hadden respect voor haar. Ze probeerde mij te leren Japanners niet te haten. Ik was zo kwaad op de Japanners dat ik niet meer wilde voelen, vertelde ik haar. Ze antwoordde: ‘Ze kunnen mijn huid kapotmaken, maar ze kunnen mijn geest niet breken of mijn ziel wegnemen. En daardoor ben ik vrij!’

De Japanse kampcommandant ging in zijn woede altijd flink tekeer tegen ons bij het appel. Dit keer sloeg hij met zijn geweer op de vrouwen in en ook ik viel neer door een klap op mijn hoofd. Ik voelde hoe direct iemand op mijn rug viel. Toen de kampcommandant verdween en iedereen weer opstond, zag ik een vrouw die erg kreunde. Het was Mies Miedema, hij had deels haar nek en mond verbrijzeld. Ik tilde haar bebloede hoofd op en legde het in mijn schoot. Ze zei: ‘Dapper kind, houd nooit op met voelen, zonder gevoel ben je dood!’ en: ‘Pas je op mijn dochtertje voor mij?’ Helaas kon ik haar laatste wens niet vervullen, omdat haar dochter haar ook zag sterven en daardoor het contact met de werkelijkheid verloor.

Kamp Belawan Estate II

In kamp Belawan Estate II hebben we gruwelijk honger geleden. Angst werd een overheersend gevoel in onze dagen en ’s nachts hadden we voortdurende nachtmerries. De kleintjes huilden veel en vonden alleen troost bij elkaar. Geen moment dacht ik eraan om het op te geven gedurende onze gevangenschap. Ik was ziek, mismoedig vaak, wanhopig op het laatst, maar ik heb nooit echt opgegeven. De gedachten aan Mies Miedema hielden mij overeind, zij is de meest inspirerende persoon in mijn leven geweest. Mijn moeder liet ons zo vaak alleen en verborg zich achter depressie en escapisme. Ik was bang dat ze haar verstand zou verliezen en niet meer ‘werkelijk’ aanwezig zou zijn. Mijn enige hoop voor haar was dat onze gevangenschap zou eindigen voor ze in die duisternis verdween. Er kwam nog even een glans in haar starende blik bij een kerstkaart van mijn vader. De kaart was in zijn handschrift, maar de tekst bevatte geen enkele informatie over zijn verblijf of zijn toestand.

We lachten en we huilden tegelijk

Daags na 15 augustus 1945 werd onze kampleidster van kamp Aek Pamienke in het kantoor van de Japanse commandant geroepen. We hadden in de ochtend laag vliegende vliegtuigen gehoord en gezien, waardoor het hele kamp in opwinding was en we stonden in rijen te wachten voor de omrastering. Toen zij naar buiten kwam verklaarde ze op de stoep van het kantoor met tranen in haar ogen dat de oorlog voorbij was. Wij begonnen toen het ‘Wilhelmus’ te zingen. We lachten en huilden tegelijk en vele stemmen haperden of stokten. Ons eerste goede en heerlijke voedsel werd bezorgd door een truck met Rode Kruis pakketten. Die waren vol met voedsel, dat we in jaren niet hadden gezien of geproefd. Het was heel eenvoudig om te veel te eten, maar wij werden dringend gewaarschuwd dat niet te doen, omdat dit voor verzwakte mensen dodelijk kon zijn. In ons gezin kregen wij niet de kans om te veel te eten, moeder zorgde daar wel voor.

Het weerzien

Mijn vader kwam pas veel later, nadat wij vanuit kamp Aek Pamienke naar Medan vertrokken, met een vliegtuig terug bij ons. Hij had zijn eigen ellende doorstaan als dwangarbeider aan de Birma-Siam spoorweg. Mijn moeder wilde niet mee naar de vliegstrip en stuurde mij en mijn broer. Toen ik hem zag uitstappen was hij een oude man van 37 jaar met een grijze baard, gemengd met rode haren. Mijn vader zocht naar iemand die hij kende. Zijn ogen zagen mij, gingen over mij heen en hij herkende mij niet. Later herkende hij mijn broer aan zijn rode haar en is met hem naar huis gegaan. Zwaar teleurgesteld verliet ik alleen het vliegveld en bracht de nacht ergens in een kelder van een ziekenhuis door. Die kelder was gevuld met brancards waarop lijken lagen. Pas later de volgende dag ben ik naar huis gegaan, waar ik hem op de stoep zag zitten. Voor mij was de dag van zijn aankomst de meest wrede dag in mijn jonge leven.

Niet welkom

Mijn vader werd als voormalig schoolhoofd gevraagd te blijven en een schoolsysteem te ontwerpen om de achterstand van kampkinderen bij te werken. Mijn moeder verliet Indonesië met haar kinderen in september 1947 met het schip de ‘MS Oranje’. In Nederland werden we opgewacht door een soort ‘Leger des Heils’ groep, die ons van wat kleding voorzag en vervoer verzorgde naar Breda, waar we werden opgewacht door mijn moeders schoonmoeder.

Zij had haar zwangere dochter en haar schoonzoon ook al bij zich in huis wonen. Achteraf gezien waren wij helemaal niet welkom, omdat ze nog eens vijf monden extra moest voeden. Mijn moeder was blij met een onderdak, maar wij kinderen hebben een moeilijke tijd gehad in dat huis.

Na de oorlog met moeder, broer en zussen. Foto: familiearchief Pauline Kok.
Na de oorlog met moeder, broer en zussen, Foto: familiearchief Pauline Kok.

Tegen mijn zin in naar school

Na de oorlog zijn mijn ouders en de jongere kinderen nog een jaar naar Indonesië gegaan. Mijn vader kreeg het verzoek om in Padang hetzelfde lesprogramma voort te zetten. Mijn broer werd ondergebracht bij mijn vaders jongere broer in Zuid-Limburg. Ik moest vijf jaar naar een Franciscanessen-internaat in Dongen in Noord-Brabant. Zij stoomden mij in één jaar klaar voor een mulo-diploma, waarna ik met succes vier jaar kweekschool volgde, hoewel ik liever arts wilde worden. Nadat ik met twee jaar lesgeven in Geleen mijn ouders het geld voor mijn kweekschool had terugbetaald, ben ik in Eindhoven mijn verpleegdiploma gaan halen. De jaren na de oorlog was mijn gevoel zo goed als ‘dood’. Ik deed wat van mij verwacht werd en was alleen gelukkig in de verpleging. Dankzij mijn man leerde ik opnieuw ‘leven’. Nu ben ik 57 jaar getrouwd en kan zonder wrok of woede terugdenken aan de jaren van verdriet en eenzaamheid. Ik ben bijna zo ver dat ik de Japanners kan vergeven voor wat zij ons hebben aangedaan. Ik hoop echt dat ik dat punt ooit nog kan bereiken.

Een dag van pijn en afscheid

Op 15 augustus denk ik ieder jaar terug aan de dag dat wij hoorden dat we vrij waren en ik me afvroeg: ‘Wat betekent vrij zijn? Wat gaat er van nu af aan gebeuren? 
Wat kan ik doen met een vreemde en vijandige moeder? Hoe vind ik een vader terug, op wie ik rekende en terugverlangde naar wat we hadden voordat hij vertrok en wij in de kampen verdwenen?’ Dat alles is nu voorbij, maar als 15 augustus aanbreekt dan flitsen ervaringen uit het verleden door mijn geest. In Canada is 15 augustus voor mij een stille dag waarop de gebeurtenissen in de Japanse kampen weer glashelder naar boven komen. Voor mij blijft die dag ergens een dag van pijn en afscheid. Voor de oorlogsdagen en de jaren heb ik maar één beschrijving: ‘Dat waren dagen die ik nooit meer wil beleven’. 

Na de Engelstalige publicatie van mijn verhaal ‘The Remains of War’ in 2011 heb ik via het internet kinderen van ouders uit dezelfde kampen ontmoet.

Pauline Kok. Foto: familiearchief Pauline Kok.
Pauline Kok Foto: familiearchief Pauline Kok.

Het gaf hun inzicht in en begrip voor het gedrag of de zwijgende afwezigheid van hun ouders en de stilte in het gezin over dit onderwerp, waar ze niet doorheen konden breken. In Canada kwam er door mijn publicatie wat meer aandacht voor de oorlog in Nederlands-Indië. Ik gaf vele presentaties in scholen, clubs, bibliotheken en rusthuizen waar ouderen wel wisten van de Tweede Wereldoorlog in Europa, maar vrij weinig tot niets over Indië. Het praten over die tijd bezorgt mij nog steeds koude rillingen, want de herinneringen blijven wreed. Zolang het voor mij mogelijk is, zal ik het blijven doen.

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak, September 2015