Gekidnapt in Bandoeng

Panne Schreuders werd gekidnapt en ontsnapte aan executie

Constantin Henri Otto Schreuders, Panne of Stans voor zijn vrienden en familie in Nederlands-Indië, werd gekidnapt door Pemoeda’s en ontsnapte ternauwernood aan executie toen hij op zoek naar zijn moeder de demarcatielijn in Bandoeng overschreed. 

Panne en de foto met mede ontsnapten: links is Panne zelf, in het midden Willy Lecerf-Bertram en rechts Leo Spekman
Panne met de mede ontsnapten. Links is Panne zelf, in het midden Willy Lecerf-Bertram en rechts Leo Spekman. Foto: Ton Jenezon

Hij laat de dolk zien die een grote rol heeft gespeeld bij zijn ontsnapping en toont een foto van zijn makkers met wie hij ontsnapte. 

Geboren en getogen in Bandoeng

‘Ik ben op 28 april 1929 geboren in Bandoeng. Mijn ouders zijn Otto Karel Willem Schreuders en Ludmilla Johanna Constance Schreuders de Berghes. Ik heb een broertje gehad dat op zeer jonge leeftijd is overleden en drie zuster, waarvan er nog één in leven is. Mijn vader was hoofdadministrateur bij het Departement van Verkeer en Waterstaat. Vaak ging hij de bergen in om zijn controleurswerkzaamheden uit te voeren. Later werd hij referendaris, maar verrichtte het werk van een ingenieur. Mijn moeder had een opleiding als onderwijzeres, maar oefende dat beroep niet uit om zich geheel aan haar gezin te kunnen wijden.

Voor de Japanse bezetting woonden wij eerst aan de Brantasstraat 10 en verhuisden later naar de Bengawanlaan 5 in de wijk Tjihapit. In 1938 gingen we met verlof naar Nederland en na onze terugkomst in 1939 gingen we aan het Oosteinde 52 in Bandoeng wonen. Ik bezocht de Prinses Julianaschool voor Europees lager onderwijs. Ik zat in de zesde klas toen de Japanners Nederlands-Indië binnenvielen.’

De vader en moeder van Panne met zijn oudste zus (zittend) voor het huis in Bandoeng (Brantasstraat 10), 1927. Foto: familiealbum Panne Schreuders.
De vader en moeder van Panne met zijn oudste zus (zittend) voor het huis in Bandoeng (Brantasstraat 10), 1927. Foto: Familiealbum Panne Schreuders

Overleven in angst

‘Mijn vader werd eind 1941 voor het KNIL gemobiliseerd en als landstormer geplaatst in het XV Bataljon in Bandoeng. Hij werd krijgsgevangen gemaakt en naar Tjimahi overgebracht. Via Batavia en Singapore zou hij uiteindelijk tewerk worden gesteld aan de Pakan Baroe-spoorlijn. Pas in 1946 zag ik mijn vader weer terug. Door de bezetting en de internering van mijn vader vielen de inkomsten weg en werd het huis waarin wij woonden te duur. In maart 1942 verhuisden we naar het Oosteinde 77 dat leeg stond. Moeder, die een Duitse vader had die later tot Nederlander is genaturaliseerd, werd niet geïnterneerd. Wij leefden van wat moeder bakte en wij als kinderen moesten verkopen. Ook repareerde ik fietsen, bracht eten rond in rantangs en verzorgde soms de tuinen van mensen. Op die manier probeerde ik ons gezin met wat inkomsten te ondersteunen. 

Tijdens de bezettingsjaren voltooide ik de zesde en zevende klas van de lagere school en werd ik klaargestoomd tot het niveau van de tweede klas van het Lyceum, zodat ik daar na de oorlog meteen aan kon beginnen. De lessen vonden in het geheim plaats want Nederlands onderwijs was verboden. Het was een armoedige tijd en hoewel we nooit echt honger hebben geleden, was er toch dagelijks de onzekerheid over wat er met ons kon gebeuren. Mijn zusters waren bang lastig gevallen te worden door de Japanners en door mijn blanke uiterlijk en vorderende leeftijd had ik de angst geïnterneerd te worden of gedwongen tewerkgesteld te worden.’ 

Schoolfoto Prinses Julianaschool in Bandoeng, Panne was hier 10 jaar. Foto: familiealbum Panne Schreuders.
Schoolfoto Prinses Julianaschool in Bandoeng, Panne was hier 10 jaar. Foto: Familiealbum Panne Schreuders

Pasir Benteng tewerkstelling

‘Mijn vrees werd in maart 1945 bewaarheid toen ik een brief van de gemeente kreeg dat ik voor de Japanners moest gaan werken. Kort daarop werd ik van huis gehaald en met andere jongens begon ik aan een reis waarvan ik de bestemming niet wist. Na een paar uur rijden werden we aan de voet van een berg afgezet en moesten nog twee uur lang de berg oplopen naar wat uiteindelijk het kolonisatiekamp Pasir Benteng bleek te zijn. Het kamp was een rubberplantage die tijdens de bezettingsperiode door is blijven draaien. Er zaten hier enkele honderden Indische jongens vast, onder andere uit Bandoeng, Tjimahi, Lembang en plaatsen uit de directe omgeving. Het kamp werd bewaakt door Japanse soldaten. Je kreeg een slaapplaats toegewezen in een barak waar het wemelde van de ratten en de wandluizen. Het eten kwam uit de gaarkeuken en bestond uit wat zoute vis, kangkoeng en ketella. Mijn  redding was dat mijn vader mij geleerd had wat in de natuur wel of niet eetbaar was. Toch kreeg ik door de slechte voeding en de erbarmelijke hygiëne buikloop en door gebrek aan vitaminen oedeem aan beide benen. In de nacht was het koud en naarmate de tijd vorderde sleten je kleren steeds meer en vervanging was er niet. Ik kreeg de functie van tapper en moest de rubberbomen langs om een sneetje in de bast te maken en een bakje daaronder te bevestigen om het sap op te vangen. Het was zwaar werk. Je moest helling op, helling af met zware emmers, waarin je de latex weg moest brengen. In het kamp was de beheerder een Indische man die de eindverantwoordelijkheid had naar de Japanners toe. Er waren zelfs wapens in het kamp opgeslagen om weerstand te bieden aan eventuele bedreigingen door de Indonesische bevolking. Op een zeker moment zag ik geen Japanners meer in de omgeving. Zij bleken gevlucht en wij hoorden dat de oorlog afgelopen was. Ik ging op weg naar huis en na een dag lopen kwam ik in Bandoeng aan. Daar hoorde ik dat moeder was verhuisd naar Kareës. Ondanks dat ik vrij was en mijn moeder teruggevonden had, was de ellende nog niet over.’

Gekidnapt

‘Kort na de Japanse capitulatie begonnen de Pemoeda’s zich te roeren. Zij boezemden angst in door langs de huizen van Nederlanders en Indische mensen te lopen. Kort daarna  vonden de eerste beschietingen en moordpartijen plaats. Indische jongens uit de buurt maakten bamboe roentjings om zich zo nodig te beschermen. ‘s Avonds probeerden we Pemoeda’s hun wapens afhandig te maken. Hoewel de Japanners opdracht hadden gekregen van de Engelsen om Nederlanders in Kareës te beschermen, gebeurde dit niet. Er werden willekeurig mensen afgeslacht en huizen gerampokt. Volgens afspraak tussen het Engelse leger en de gouverneur van West-Java ontstond een demarcatielijn waardoor Bandoeng in een noordelijk deel werd gesplitst en een zuidelijk deel waar de Pemoeda’s de baas waren. Kareës lag in het zuidelijke deel. Om aan geld te komen voor het gezin heb ik mij bij de RAPWI (Recovery of Allied Prisoners of War and Internees) op het Jaarbeursterrein aangemeld en werd motorordonnans. Toen ik een paar weken in dienst was hoorde ik dat de situatie in Kareës steeds meer uit de hand liep. Ik wilde weten hoe het met mijn moeder ging. Aan mijn vriend Fred Versteeg vroeg ik of ik zijn auto kon lenen en samen met Leo Spekman, die ook benieuwd was naar de toestand van zijn familie, zijn we de demarcatielijn overgestoken. We werden meteen door Pemoeda’s onder vuur genomen. We probeerden zo snel mogelijk weg te komen, maar omdat de rivier de Tjikapoendoeng buiten haar oevers was getreden lag er veel modder op de weg. We slipten en kwamen vast te zitten. Ogenblikkelijk kwamen er jonge Indonesiërs op ons af en sleurden ons uit de auto. Ik was geoefend in Pencak Silat en verzette me hevig, maar tegen de overmacht kon ik niet op. Ik werd in elkaar geslagen en geblinddoekt afgevoerd naar een huis in de omgeving en daar twee dagen lang verhoord. Dit gebeurde zowel in het Maleis als in het Nederlands. Tijdens dit verhoor werd ik regelmatig geslagen. Door mijn contacten sprak ik goed Soendanees en gaf ook in die taal antwoord. Dat vonden mijn ondervragers gek voor iemand die er blank uitzag, maar ze vonden het ook bijzonder. Mijn ondervragers wilden weten waar de militaire posten waren, hoeveel militairen op wacht stonden en hoe ze bewapend waren. Ik vertelde dat ik alleen brieven rondbracht en van niets wist. Ik werd niet geloofd en werd met Leo per auto overgebracht naar Babakantilparaj, een kampong op vijftien kilometer van Bandoeng. Ik ben er van overtuigd dat ze mij niet meteen hebben vermoord omdat ik Soendanees sprak. Later hoorde ik dat een groep Indische jongens, die ook op zoek naar hun familie ging, meteen zijn omgebracht.’

Ontsnapt

‘Wij werden vastgehouden in een schoolgebouw om als wisselgeld te dienen voor gevangen genomen Pemoeda’s. In dit schoolgebouw zat ook Willy Lecerf-Bertram gevangen en nog enkele Indonesiërs die eten aan de Nederlanders hadden verkocht. Wij waren hier de gevangenen van de Tentara Republik Indonesia, de voorloper van het Indonesische leger. Deze groep was beter georganiseerd dan de loslopende bende die ons gevangen had genomen. Willy, die een Soendanese moeder had, won het vertrouwen van de gevangenbewaarders en mocht corveewerk doen en eten rondbrengen. Ik werd een maand lang iedere dag verhoord, geslagen en vernederd. Na vier weken vast te hebben gezeten hoorde Willy dat de gevangenen gedood zouden worden omdat er geen gevangenen meer werden geruild en het voedsel op was. Dit was het teken om te vluchten. Doordat Willy zich vrijer kon bewegen had hij een dolk weten te bemachtigen. Die verborgen we in een mandje met rijst. De dolk is nog steeds in mijn bezit. We wachtten tot het donker was om te vluchten en maakten met de dolk een gat in het bamboevlechtwerk van de omheining. Het regende zo hard dat onze vluchtpoging niet meteen werd opgemerkt. Willy kende het gebied waar we zaten en we gingen in de richting van het vliegveld Andir. Intussen was onze vlucht ontdekt en werden we achtervolgd. Onze achtervolgers liepen ons snel in, maar omdat ze geen schijnwerpers hadden konden ze ons niet zo snel vinden. We zijn in een sawah gaan liggen met alleen onze neuzen boven water. Nadat we ons veilig waanden gingen we weer op pad. Op een gegeven moment zagen we de lichten van het vliegveld en werden we opgevangen door het Rode Kruis. Ik lag in een barak met Indische jongens en een daarvan herkende mij. “Leef jij nog”, zei hij. “Je moeder en je zusjes zijn inmiddels geëvacueerd vanuit Kareës naar een paviljoen aan de Dagoweg”. Mijn moeder had mij als vermist opgegeven en was sprakeloos mij weer te zien. Ik pakte de draad weer op en bezocht het Christelijk Lyceum. 

Na alles wat ik had meegemaakt liet ik me niets meer zeggen en moest de school verlaten toen ik een leraar aanviel die mij voor de klas had vernederd. Ik heb mij toen bij het Bewakingsbataljon van het KNIL in de Houtmanstraat aangemeld.’

De dolk.
De Dolk. Foto: Ton Jenezon.

Naar Nederland

‘Intussen had de soevereiniteitsoverdracht plaatsgevonden en werkte ik als expeditiechef bij N.V. Javafruit. Ik hoorde dat ik op een zwarte lijst stond en dat mijn leven in gevaar was. Mijn bewakers van de TRI hadden destijds verteld dat ik omgebracht was en zij voor gek zouden staan als uitkwam dat ik was gevlucht. Er waren nog enkele Nederlandse militairen van de Koninklijke Landmacht in Indonesië die op het punt stonden naar Nederland te vertrekken. Ik had met hen contact en zij hebben mij bescherming aangeboden in het kampement van de 7-december divisie, van waaruit ik mijn reis naar Nederland kon boeken. Mijn ouders waren al eerder vertrokken.’

Vergeving

‘Ik heb altijd de behoefte gehad om Bandoeng terug te zien en de plekken te bezoeken die voor mij belangrijk waren. Op een gegeven moment ben ik teruggegaan. Ik bestelde een taxi en vroeg om een oudere chauffeur die de plaats nog gekend had in de periode dat ik er woonde en die de straten nog bij hun Nederlandse naam wist.

Panne Schreuders met zijn echtgenote. Foto: familiealbum Panne Schreuders
Panne Schreuders met zijn echtgenote. Foto: Familiealbum Panne Schreuders

Ik kwam aan bij de Dagoweg, waar mijn moeder in het paviljoen gewoond had dat deel uitmaakte van een veel groter gebouw. Ik nam een foto en werd aangesproken door een wacht die vertelde dat het een kazerne was en er niet gefotografeerd mocht worden. Toen ik hem vertelde dat mijn moeder daar gewoond had, haalde hij er iemand anders bij. Een sergeant kwam naar mij toe en stelde zich voor als Archi Suleiman. Ik sprak hem in het Soendanees aan en kreeg een rondleiding in het gebouw. Het klikte eigenlijk heel goed tussen ons tweeën. Ik ben bij hem thuis uitgenodigd en na lange gesprekken kwamen wij er achter dat hij een van die jongens was die mij op had gepakt. Dat was voor beiden een emotioneel moment. Hij heeft mij om vergiffenis gevraagd voor wat mij aangedaan is. Ik heb hem vergeven en dat heeft mijn leven lichter gemaakt. Tot aan zijn dood ben ik contact met hem blijven onderhouden en doe dat nu met zijn kinderen.’ 

Interview: Ton Jenezon, December-editie 2015, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak