‘Wie goed doet, goed ontmoet!’

Verzetsvrouw Mia Lelivelt vertelt hoe de opvang van vele onderduikers in huis spanning meebracht voor het hele gezin.

‘Ons dorp Lichtenvoorde in de Achterhoek lag precies op de vluchtroute voor onderduikers naar het zuiden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Al snel na de Duitse inval in mei 1940 werd mijn vader Martin Lelivelt door het verzet gevraagd om onderduikers in zijn huis en bij boeren in de omgeving onder te brengen.
Hij betrok mij bij deze taak.’ vertelt zijn dochter Mia Lelivelt (93). Zij woont nog altijd in het ouderlijk huis in de Martin Leliveltstraat, die naar haar vader is vernoemd.
De verzetsvrouw vertelt over hoe de opvang van vele onderduikers in huis spanning meebracht voor het hele gezin.
Mia Lelivelt, 2018.
Mia Lelivelt, 2018. Foto: Ellen Lock.

Een geheime voorraadkast

Mia Lelivelt: “Mijn vader was timmerman en had met zijn twee broers een aannemersbedrijf aan de overkant van ons huis in Lichtenvoorde vlakbij de Duitse grens. Mijn Duitse moeder kwam uit Osnabrück en werkte als au pair voor een zieke vrouw in Lichtenvoorde toen zij mijn vader ontmoette.

Zij trouwden en in dit rooms-katholieke gezin ben ik geboren op 4 april 1925. Ik kreeg twee broers, Joep en Martin, die allebei nog in leven zijn. Als kind logeerde ik voor de oorlog veel bij mijn grootouders in Osnabrück, een Duitse garnizoensstad. De laatste keer dat ik er logeerde in 1935 ging vijf minuten na mijn aankomst de bel. Het bleken de Bruinhemden te zijn met de vraag of ik Nederlandse kranten in mijn bagage had. Vanwege de Hollandse familie werd mijn Duitse familie extra in de gaten gehouden door de nazi’s. Mijn Duitse ooms waarschuwden ons al vanaf 1933 voor de onrustige ontwikkelingen in nazi-Duitsland.

Mijn vader Martinus, oudtante Mietje, baby Mia en moeder Johanna Lelivelt, 1925. Foto: Familiealbum Mia Lelivelt.
Mijn vader Martinus, oudtante Mietje, baby Mia en moeder Johanna Lelivelt, 1925. Foto: Familiealbum Mia Lelivelt.

Ze zagen de legerbasis in Osnabrück snel uitbreiden en zeiden: “Jullie moeten je qua voedselvoorraden maar op het ergste voorbereiden. Met deze toenemende troepenmacht is er vast en zeker oorlog op komst!” Dit advies nam mijn vader ter harte. Al in 1938 maakte hij met mij als zijn ‘krullenjongen’ een onzichtbare extra zolderruimte als geheime voorraadkast voor huisraad van allerlei aard. Niemand wist van deze geheime zolder, alleen mijn vader, moeder en ik.’

Bidprentje van mijn Eerste Communie, Mia 7 jaar. Foto: Familiealbum Mia Lelivelt.
Bidprentje van mijn Eerste Communie, Mia 7 jaar. Foto: Familiealbum Mia Lelivelt.

Dringend behoefte aan opvang

Op de ochtend van 10 mei 1940 vielen de Duitse gemotoriseerde troepen Nederland binnen. Ze stuitten aan de grens met de Achterhoek op weinig verzet van de Nederlandse grondtroepen te fiets of te paard. De Duitse soldaten waren op snelle doortocht naar het Nederlandse front aan de IJssel en de Grebbeberg. Terwijl de luchtoorlog boven Lichtenvoorde dag en nacht doorging in die eerste oorlogsdagen, ontstond in de gemeente Lichtenvoorde een verzetsbeweging. Er was dringend behoefte aan opvang voor ontsnapte krijgsgevangenen en plaatselijke onderduikers. In de gemeente Bochelt was een Duits krijgsgevangenenkamp waaruit wel eens Fransen en Joegoslaven ontsnapten. Vanuit een persoonlijk netwerk van kerkelijke contacten binnen de regio’s Enschede – Apeldoorn – Maastricht moesten deze voortvluchtigen en onderduikers de grens naar het zuiden over worden gezet. Mia vertelt: ‘Al in de eerste oorlogsdagen werd vader door het verzet in Lichtenvoorde gepolst of hij onderduikers in huis wilde nemen. Vader antwoordde: “Dit moet ik eerst even voorleggen aan mijn vrouw en dochter.”’

Betrokken bij het verzet

‘Vijftien jaar was ik, toen vader mij vroeg hem te helpen in het verzet. Hij gaf me nog enige bedenktijd: “Mia, geef niet meteen antwoord, want als je ‘ja’ zegt, dan kun je niet meer terug!” Ik twijfelde er geen moment over, als zoiets je gevraagd wordt, dan is dat je opdracht. We dachten dat het voor korte tijd zou zijn en om enkele personen zou gaan, maar al met al hebben we vele tientallen onderduikers kunnen redden. Ik was nooit bang voor Duitsers, want dankzij de vele logeerpartijen bij mijn grootouders in Osnabrück sprak ik de taal goed. Bovendien wist niemand in de buurt ervan, dus er kon niks gebeuren, dacht ik. Mijn moeder was wel bang, dus we hielden haar er zoveel mogelijk buiten. 
Niemand van de familie wist van ons verzetswerk om zo niemand in gevaar te brengen. Vader zou niet naar de vergaderingen van het verzet gaan om zijn Duitse schoonfamilie niet in gevaar te brengen als hij gepakt zou worden. Hij had alles zorgvuldig voorbereid en we hadden genoeg groente uit eigen tuin voor de gasten. Soms haalde vader om vijf uur ‘s morgens onderduikers op uit de kerk, nog voor de vroegmis. Hij liet mij warm badwater klaarzetten en uit vrees voor ongedierte moest ik hun kleren verbranden. Gelukkig had mijn moeder bij haar huwelijk een degelijke Duitse uitzet gekregen, zodat we altijd voldoende linnengoed hadden voor de jongemannen. Als mijn moeder een pak zocht voor mijn vader in zijn kledingkast, dan zei ik, “Moeder, u hoeft niet langer te zoeken, want vaders bruine pak is allang in Frankrijk!”

Uiterst voorzichtig te werk gaan

‘In een klein dorp als Lichtenvoorde hield iedereen alles in de gaten, dus we moesten uiterst voorzichtig te werk gaan. Het was onmogelijk om de was van de onderduikers aan de lijn te hangen in de tuin, want er was immers maar één volwassen man in huis en dat zou opvallen. Aan de rand van het dorp was onze timmerwerkplaats aan de overkant van ons huis. Ook de Duitsers maakten gebruik van onze werkplaats, daar ontkwam je niet aan. Zelfs de familie van vader in het dorp wist van niets, omdat we niemand in gevaar wilden brengen. Alleen de lokale verzetsleider wist van de geheime schuilplaats en kreeg de sleutel. Zo kon het gebeuren dat hij in alle vroegte een of twee onderduikers bij ons afleverde en dat wij op die dag zelf pas merkten met hoeveel man we ’s avonds aan tafel zouden zitten. In onze geheime zolderruimte pasten hooguit twee à drie onderduikers. Telkens vingen we dus maar één of twee jongemannen op. Aanvankelijk hielpen we Hollandse jongens die wilden ontkomen aan de Arbeitseinsatz via onze neef Albert Postma, die in Nijmegen aan de Technische School voor Radiotelegrafie studeerde. Zijn medestudenten haalde ik op van het station in Lievelde en vader zorgde dat ze bij een boer in huis terecht konden. Daar kregen ze te eten, een verblijfplaats en ze konden helpen als knecht. 
Vanaf eind 1942 werd onze voorraadkast als schuilplaats gebruikt voor neergestorte geallieerde piloten die bij ons arriveerden. In huis moest ik de Hollandse onderduikers van hen gescheiden houden, zodat ze - als ze later op een volgend adres toch gepakt werden - onze pilotenhulp niet zouden kunnen verraden. Voor iedere piloot moest ik kijken of de kust veilig was om naar het toilet te gaan. Een zeer enerverende opdracht. Later in de oorlog kregen we ook Joden of verzetsmensen in huis, die op de vlucht waren. Zodra hun valse papieren door het verzet gereed waren gemaakt, werden ze door anderen tot de zuidgrens van ons land begeleid, om via de mergelgrotten bij Maastricht naar België te ontkomen. Het was voor het verzet nog een hele kunst om papieren te vervalsen, want in elk land had je andere stempels en foto’s nodig voor je paspoort. In Nederland waren de pasfoto’s links en profil, in België rechts en profil en in Frankrijk en face. We moesten oefenen dat ze zich doof hielden in de trein bij een controle.’

Verraad

‘Op 20 april 1944 werd mijn vader - na te zijn verraden - door de Duitsers bij ons thuis opgepakt. Om drie uur ‘s middags stonden de Duitse soldaten voor de deur. Gelukkig kon ik op dat moment nog snel onze twee onderduikers, een Engelse en een Amerikaanse piloot, op zolder verstoppen in de schuilplaats. De Duitsers doorzochten ons huis, vonden verder niemand en vervolgens ondervroegen zij iedereen. Zo kalm mogelijk kwam ik de trap af. ‘Mein Gott, meine Kartoffeln’, zei ik. Ik rende naar de keuken, waar ik de Duitsers meteen kon laten zien dat ik voor slechts vijf personen de tafel had gedekt: voor mijn ouders, mijn twee broers en voor mijzelf. Elk detail telde. De Duitse soldaten hebben de schuilplaats niet ontdekt, maar namen mijn vader toch mee. Vader zei nog tegen mij: “Mia, zorg goed voor je moeder!” Nadat vader was meegenomen, besloten moeder en ik om niemand meer in huis te verbergen. Elke keer als de deurbel ging waren wij doodsbang dat ze ons ook kwamen halen. We zijn altijd zo uiterst voorzichtig geweest, maar helaas zat er een verrader in onze verzetsgroep.’

Jullie moeten voor mij bidden

‘Mijn vader werd afgevoerd naar kamp Vught. Hij is gemarteld, maar ze kregen niets uit hem. Vervolgens is hij naar de gevangenis Wolvenplein, de Duitse gevangenis voor politieke gevangenen in Utrecht, overgebracht. Deze gevangenis werd bewaakt door Nederlandse SS-soldaten. We kregen nog een klein briefje uit deze gevangenis in zijn handschrift: “Jullie moeten voor me bidden, want ik zit in zwaar weer en vrees voor mijn leven.” Zes weken later is hij ter dood veroordeeld wegens ‘begunstiging van de vijand’ en op 48-jarige leeftijd is hij gefusilleerd op 25 juli 1944 in Fort Rijnauwen in de provincie Utrecht. Vanaf 1942 werd dit fort gebruikt als munitieopslag- en executieplaats voor Nederlandse en Belgische verzetsstrijders. Tegen ons werd gezegd dat zijn lichaam in de hoogovens was verbrand. Pas na de oorlog hoorden wij via het Ministerie van Oorlog in Den Haag wat er met vader was gebeurd. We moesten ook naar Den Haag schrijven om toestemming voor een bezoek aan het Fort Rijnauwen te krijgen. Dan waren er altijd officie-ren bij en kon je nooit alleen zijn met je familie op de gedenkplaats. Tegenwoordig valt het fort onder Staatsbosbeheer en moet hun sleutelbezitter het hek op aanvraag voor je openen. We betreuren het dat het monument voor vader niet vrij toegankelijk is en dat ons geen privacy wordt gegund om te rouwen.’
Het monument voor de gefusilleerden in Fort Rijnauwen. Foto: Familiealbum Mia Lelivelt.
Het monument voor de gefusilleerden in Fort Rijnauwen. Foto: Familiealbum Mia Lelivelt.

Nog altijd contact

‘Na vaders dood bleef moeder altijd angstig en zij lag veel op bed vanwege een langdurige bronchitis. Zoals ik mijn vader had beloofd, zorgde ik goed voor mijn zieke moeder en twee jongere broertjes, waardoor ik niet kon studeren. Mijn ooms hebben nog jarenlang geleefd en de zaak gerund. Uiteindelijk nam mijn jongste broer met zijn neven het familiebedrijf over. Bij het Fort Rijnauwen is een gedenksteen geplaatst voor mijn vader en twee andere verzetsmannen uit Lichtenvoorde, die daar ook zijn gefusilleerd. Op Dodenherdenking probeer ik daar altijd te zijn met mijn familie en de nabestaanden van de jongemannen die bij ons in huis waren. Ik denk dan altijd aan mijn vader en aan al die andere mensen die verraden zijn, want onze hele verzetsgroep is opgerold.
Na de oorlog onderhielden moeder en ik goede banden met de vele onderduikers, veelal geallieerde piloten. Voor zover ik weet, hebben allen de oorlog overleefd. De Amerikaanse, Engelse en Canadese jongemannen nodigden mijn moeder en mij uit om oorlogsherdenkingen bij te wonen in hun landen. Zo mocht ik eens een krans leggen op de Nationale Begraafplaats Arlington in Amerika. Ook kwamen de jongemannen op hun beurt weer bij ons logeren.
Ze zijn hier altijd eervol door de burgemeesters ontvangen. Het Crash Museum in Lievelde dat Achterhoekse vliegtuigwrakken tentoonstelt, gaf hen onderdelen van hun toestel mee voor de oorlogsmusea in Amerika, Engeland en Australië. Ter ere van mijn vaders verzet werd onze straat, de Schievegatsdijk, omgedoopt tot Martin Leliveltstraat. 
Inmiddels zijn de mannen die we hebben geholpen overleden, maar met hun nabestaanden heb ik nog altijd contact. Zij komen vaak bij mij logeren of in het hotel in het dorp en dan bezoeken we samen het monument voor mijn vader en de begraafplaats in Lichtenvoorde. Op deze begraafplaats adopteerde ik het graf van de Engelse vlieger Ronald Jacques dat ik voor zijn Engelse familie verzorg, omdat mijn vader geen officieel graf heeft kunnen krijgen.’

Alles komt van boven

‘Er was een RAF-piloot, Johnny Remington, instructeur bij de Royal Air Force Educational Service, die na de oorlog in Lichtenvoorde naar ons huis terugkwam om mijn hand te vragen. Mijn moeder gaf mij een negatief huwelijksadvies, omdat zij haar familie in Duitsland tijdens de oorlog zo had gemist. Na de oorlog kreeg zij geen toestemming om haar stervende moeder in Osnabrück te bezoeken, omdat de stad onder Britse controle viel. Ze zei: “Kind je kunt niets doen voor je familie in het buitenland als er weer een oorlog komt. Begin er maar niet aan!” 
Inscriptie van RAF-piloot Johnny Remington. Deze ketting draag ik elke dag.
Inscriptie van RAF-piloot Johnny Remington. Deze ketting draag ik elke dag. Foto: Ellen Lock.
Zijn protestantse geloof was ook een obstakel, want in die tijd ging je niet met iemand van een ander geloof. Het zwaarst woog de opdracht van mijn vader dat ik voor mijn moeder en broertjes moest zorgen, dus kon ik niet met hem mee naar Engeland. Al met al was mijn antwoord aan Johnny dus “nee”. Alles komt van boven, zo ben ik opgevoed. Toch heeft Johnny me nog vele malen opgezocht en hij gaf mij deze ketting met een inscriptie en die draag ik elke dag. 
Mia Lelivelt, 2018.
Mia Lelivelt, 2018. Foto: Ellen Lock.
Mensen vragen me wel eens: “Zou u hetzelfde weer doen?” “Ja,” antwoord ik dan, “als mijn lichaam jonger en sterker was, zou ik me nu graag inzetten voor de vluchtelingen, want ook vandaag de dag hebben mensen hulp nodig.”
Ik had nog zo graag aan mijn vader willen vragen of ik zijn laatste wens wel goed heb vervuld. Ik heb geen spijt dat ik aan het verzet heb deelgenomen. Mijn vader hielp altijd al mensen, ook voor de oorlog. We voelden het als een opdracht van Onze-Lieve-Heer om bij het verzet te gaan. Wie goed doet, goed ontmoet!’
 
Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak december 2018