Max van Hedel spreekt met dochter en kleindochter over zijn verzet

Een interview met Max van Hedel, zijn dochter en kleindochter over zijn verzetsdaden in Amsterdam

Max van Hedel’s schuilnaam in de oorlog was ‘Max Twee’. Zijn dochter en kleindochter vallen bijna van hun stoel van verbazing als zij dit horen. “Maar u was toch ‘Rooie Max?”, roepen ze in koor. “Zo zie je maar,” zegt dochter Marieke, “We zien hem iedere week en we hebben het er nooit over.”

Max van Hedel met zijn vrouw.
V.l.n.r: Sibbeltje, Max, Tessa met Louise, Marieke met Lotte. Foto: Ellen Lock.

Dochter Marieke (58) vertelt: "Aan de ene kant kende ik mijn vaders oorlogsgeschiedenis wel. Zo nu en dan hoorde ik iets van mijn moeder, maar nooit direct van hem. Ik wist precies wanneer ik niet verder moest vragen, omdat mijn vader dat niet zou verdragen. Het verzet was iets dat hij gewoon gedaan had en daar had je het niet meer over. In de jaren tachtig, toen het meer in de media kwam en ik ook zelf meer geïnteresseerd raakte in het onderwerp, vroeg ik hem en mijn moeder zo nu en dan eens iets over de oorlog. En dan vertelde mijn vader er wel over. Ik ben op een gegeven moment zelf maar op onderzoek gegaan. Bij De Slegte kocht ik een aantal boeken over de Raad van Verzet (RVV) in Amsterdam. Pas toen kon ik zijn verhalen beter duiden.”

Kleindochter Tessa (33): “Mijn opa heeft het er nooit over, maar ik weet wel dat hij een schotwond in zijn arm heeft gehad. Als kind durfde je daar niet naar te vragen. Van mijn moeder en mijn oma weet ik het een en ander. Mijn moeder en ik hebben zijn rechtvaardigheidsgevoel en strijdlust meegekregen. We zijn het onderwijs ingegaan en proberen onze leerlingen ook een gevoel voor rechtvaardigheid bij te brengen. Ook mijn overgrootvader was een zeer strijdbare SDAP-er, die nog aan de spoorwegstaking heeft meegedaan.”

V.l.n.r: Sibbeltje, Max, Tessa met Louise, Marieke met Lotte.
V.l.n.r: Sibbeltje, Max, Tessa met Louise, Marieke met Lotte. Foto: Ellen Lock.

Max van Hedel (86): "Het is goed dat er verzetsstrijders zijn die op scholen in Nederland en in Duitsland over de oorlog kunnen vertellen. Vooral rond 4-5 mei heb ik het er erg moeilijk mee. Ook heb ik het er eigenlijk nooit over met mijn kinderen en kleinkinderen. In de oorlog studeerde ik voor apothekersassistent en werkte bij de Amsterdamse Chinine Fabriek. Mijn vader en mijn opa waren rangeerders. We woonden in een rode wijk in een straat met alleen maar spoorwegpersoneel in Amsterdam. Mijn vader was lid van de SDAP. Via mijn voetbalvriend Jan Groet raakte ik vanaf 1943 betrokken bij het verzet in Amsterdam. Ik werkte samen met Max Meijer, ‘Rooie Max’ genoemd, en Joop Ruurs. Bij het gereedmaken van de wapens in het wapendepot van de RVV aan de Zwanenburgwal zongen we Spaanse liederen, want Rooie Max had nog in de Spaanse Burgeroorlog gevochten. Op mijn werk verspreidde ik de verzetskrant ‘De Waarheid‘ en gaf hulp aan onderduikers via het Solidariteitsfonds. Op 25 april 1945 ging ik met mijn voetbalvriend Jan naar het wapendepot, omdat de kelder was ondergelopen met regenwater. We probeerden de wapens uit het water te redden, maar werden overvallen door de Sicherheits Dienst. Al vluchtend riep Jan dat hij zijn persoonsbewijs had laten liggen en ik rende terug om het voor hem pakken. Jan wist nog net op tijd over een muur te klimmen. Tijdens mijn klim werd ik in mijn arm geschoten en door de Duitsers gearresteerd. Zij dachten dat ik ‘Rooie Max’ was. Ik werd gevangen gehouden in het Huis van Bewaring aan de Weteringschans. In de avond van 5 mei 1945 werd ik op transport gesteld richting Scheveningen. Onderweg raakte de transportwagen bij Noordwijk in een sloot en we werden gesommeerd uit te stappen. We vreesden voor ons leven, want op zo’n moment schoten de Duitsers gerust in je rug. Omdat er zich ook gedeserteerde SS-ers in ons gezelschap bevonden, werden we door de Binnenlandse Strijdkrachten in Noordwijk vastgehouden. Dankzij getuigenissen van Amsterdamse verzetsmensen ben ik op 9 mei 1945 vrijgekomen.”

Dochter Marieke verheft haar stem: “Mijn moeder is hier heel boos over geweest, want haar werd gezegd: ‘Er zit hier niemand meer opgesloten’, terwijl mijn vader op 5 mei 1945 nog met 6 mensen in de Weteringschans gevangen zat! Mijn moeder heeft al die tijd bij de Weteringschans gewacht. Zij heeft nog met het hoofd van het Rode Kruis gesproken, maar niemand kon iets aan deze situatie veranderen. Een merkwaardige geschiedenis als je vanwege verzetsdaden bent opgepakt en achter tralies zit, als iedereen al is bevrijd! Voor mij is dat nog steeds een onbegrijpelijke zaak!”

Kleindochter Tessa: “Ik geloof dat wij ons nooit echt goed een voorstelling kunnen maken van die tijd. Pas als je de oorlog en gevangenschap zelf hebt ondervonden zoals opa, dan weet je hoe verschrikkelijk het is! Dan begrijp je ook zijn nachtmerries beter. Die angst kan je nooit voelen, maar desondanks besef je maar al te goed dat dit nooit meer mag gebeuren.”

Interview: Ellen Lock, PUR-cliëntenblad Aanspraak, september 2007.