Vreedzaam vechten voor mensenrechten

In gesprek met PvdA-prominent, Minister van Staat en diplomaat Max van der Stoel

PvdA-prominent Max van der Stoel (78), Minister van Staat en gevierd diplomaat, is momenteel regelmatig in het nieuws over de oorlog in Irak. Als VN-rapporteur bracht hij van 1992 tot 1999 verslag uit aan de Verenigde Naties over de naleving van mensenrechten in Irak. Na één bezoek aan Tariq Aziz in Bagdad mocht hij het land niet meer in omdat hij schendingen van mensenrechten in Irak aan de kaak stelde. Eind maart 2003 interviewde de redactie van Aanspraak Max van der Stoel over zijn herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog, over zijn strijd voor mensenrechten en over zijn visie op de oorlog in Irak.

Max van der Stoel.

Onrecht

‘Ik ben geboren op 3 augustus 1924 in Voorschoten. Mijn vader was huisarts. Mijn ouders waren voor de oorlog gescheiden en ik woonde bij mijn moeder in Leiden. Op 10 mei 1940 hoorde ik ’s morgensvroeg een luid gebrom van laag overvliegende Duitse Junkers die op weg waren naar vliegveld Valkenburg om parachutisten uit te werpen. Bij de hierop volgende gevechten in Valkenburg hebben de Duitsers een neef van mij, die in dienst was, doodgeschoten. De oorlog heeft in mijn familie verder geen slachtoffers gemaakt in die zin dat er mensen zijn omgekomen. Dat neemt niet weg dat er wel de nodige benauwde momenten zijn geweest. Mijn vader zat in het artsenverzet. Hij heeft op alle mogelijke manieren geprobeerd om onderduikers te helpen. In de laatste twee jaren van de oorlog heeft hij met zijn tweede vrouw een joodse baby in huis gehad. Het joodse jongetje heeft met zijn familie de oorlog overleefd en woont nu in Israël. Ik heb hem twee jaar geleden nog gezien.
Aan het begin van de oorlog heeft mijn vader mij verboden in het verzet te gaan omdat ik te jong was. Het enige wat ik kon doen was alles weigeren wat de Duitsers mij voorschreven. Ik zat op het Stedelijk Gymnasium in Leiden, maar toen ik rechten wilde gaan studeren moest je een niet-jood verklaring tekenen. Dat weigerde ik en daarom moest ik mijn rechtenstudie uitstellen. In 1943 kwam de oproep dat de lichting 1924 zich moest melden voor de Arbeitseinsatz. Ook dat heb ik niet gedaan. Mijn vader heeft mij via zijn verzetsrelaties laten verwijderen uit het gemeenteregister en ik kreeg een vals persoonsbewijs dat mij een jaar jonger maakte. Eén van mijn meest afschuwelijke herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog is de vergeldingsactie van de Duitsers voor een verzetsdaad. Twee onschuldige mensen die ik goed had gekend, namelijk het hoofd van mijn lagere school en de conrector van het Stedelijk Gymnasium, tevens wiskundeleraar, werden neergeschoten. Dat zijn dingen die je bijblijven. Het onrecht dat onschuldigen werd aangedaan trof mij diep en heeft mij gestimuleerd om rechten te gaan studeren. Mijn politieke belangstelling werd aangewakkerd doordat ik drie keer per dag naar de BBC luisterde om het oorlogsgebeuren te volgen.’

Proteststem

‘De affaire Cleveringa heeft mij zeer aangegrepen. Ik kende hem persoonlijk omdat zijn dochter en ik met een aantal klasgenoten Latijn en Grieks bij elkaar thuis oefenden. Wat ik altijd geweldig heb bewonderd is het feit dat hij zijn rede uitsprak in november 1940. Er hing een sfeer in die dagen van: ‘We zullen moeten aanvaarden dat we een deel zijn van een door Duitsland beheerst Europa. Frankrijk was verslagen, men had de moed verloren. Duitsland was heer en meester.’ In november 1940 kondigde de Duitse bezetter het ontslag aan van joodse docenten aan de universiteiten. Cleveringa moest de colleges overnemen van de zojuist ontslagen joodse professor Meijers en hield een lofrede over diens wetenschappelijke verdiensten. Na zijn rede barstten zijn toehoorders spontaan uit in het Wilhelmus. Cleveringa werd kort daarop gearresteerd en pas na acht maanden weer vrijgelaten. Zijn proteststem werd door de studenten snel vermenigvuldigd en over het hele land verspreid. Om op dat moment, ongeacht de consequenties, zo’n principieel standpunt in te nemen, dat vond ik heel indrukwekkend.’

Welcome to our Allies

‘In de laatste oorlogswinter was de elektriciteit uitgevallen en hoorden we via een kristalontvanger dat de Canadezen ons zouden komen bevrijden. Op 5 mei 1945 heb ik ’s ochtendsvroeg met een aantal vrienden een grote oranje banier met “Welcome to our Allies” over de Breestraat gespannen. De Canadezen arriveerden echter pas op 8 mei in Leiden en op 5 mei liepen er alleen nog maar Duitsers onder onze banier door. Dat was een merkwaardige situatie! Aan die bevrijdingsdagen heb ik ook een andere herinnering. Aan de rand van Leiden bij de Wilhelminabrug over de Oude Rijn zijn we op een Canadese pantserwagen geklommen, die gebrek aan water bleek te hebben. Wij brachten hem naar een Duitse watervoorziening en stonden met veel plezier toe te kijken hoe de Duitsers de Canadese tank vulden. Een Duitser zei toen heel ernstig tegen ons: “Sie lachen wenn ein Volk zugrunde geht!” Zijn berisping maakte diepe indruk op mij. Vanaf dat moment ben ik over het Duitse vraagstuk gaan nadenken. Want hoe moest je omgaan met de zestig miljoen Duitsers die we zo hadden verafschuwd? We konden de oorlog niet zomaar wegpoetsen! Ik vond dat je er verstandiger aan deed om te kijken wat je kon doen om de democratie te herstellen in Duitsland, dan af te wachten wat daar ging gebeuren. In 1947 ben ik naar Duitsland gereisd om contact op te nemen met de net opgerichte sociaaldemocratische studentenorganisatie. Die socialistische studenten brachten mij een tegenbezoek met merkwaardige effecten. Zo ben ik een keer met hen gaan zeilen op de Kaag. We sloegen om en spartelden in het water, waarop er van alle kanten redding toestroomde. Zodra onze redders echter Duits hoorden spreken, maakten ze rechtsomkeert.’

Verzet steunen

‘Na mijn rechtenstudie begon ik mijn loopbaan bij de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de Partij van de Arbeid. Ik schreef veel stukken over internationale vraagstukken. Zodoende werd ik in 1958 gekozen tot internationaal partijsecretaris en onderhield namens de PvdA contacten met geestverwanten in het buitenland. Nadat ik staatssecretaris van Buitenlandse Zaken was geweest in het kabinet Cals, volgde mijn eerste taak die zich voornamelijk concentreerde op mensenrechten. Als lid van de Parlementaire Assemblee (Raadgevende Vergadering) van de Raad van Europa werd ik gevraagd om als rapporteur op te treden in de Griekse kwestie. Op 21 april 1967 was er in Griekenland een staatsgreep van de Griekse kolonel Georgios Papadopoulos. Het fascisme leek voorgoed uit Europa verdreven en toen ontstond er plotseling een dictatuur. Dat vond ik een vreselijk idee en ik heb me dan ook tot het uiterste ingespannen om dat kolonelsregime te ondermijnen. In 1969 werd mij de toegang tot Griekenland ontzegd, nadat ik een aantal negatieve rapporten met Griekse getuigenissen uit binnen- en buitenland over schendingen van mensenrechten had geschreven. Uiteindelijk kreeg ik de Parlementaire Assemblee zover dat ze een resolutie aannamen om Griekenland uit de Raad van Europa te stoten. Dat was een grote vernedering voor het kolonelsregime. Het toonde de wereld dat het regime niet van zins was de democratie te herstellen. In 1974 kwam er onder druk uit binnen- en buitenland gelukkig een einde aan dit dictatoriale regime. Het moment dat Griekenland de Raad van Europa moest verlaten was voor mij een hoogtepunt in mijn carrière, omdat het aantoonde dat je wel degelijk druk van buitenaf kunt uitoefenen op een dictatuur. Dictaturen vallen niet door protesten alleen. Een doordacht mensenrechtenbeleid vraagt dat wordt gestreefd naar het opbouwen van een gemeenschappelijk front van gelijkgezinde landen. Het is een moeizaam zoeken naar de beste methoden om met vreedzame middelen van buitenaf het verzet van binnen tegen een dictatuur te steunen.’

Max van der Stoel.

Bruggen slaan

‘Vanaf 1993 ben ik acht-en-een-half jaar Hoge Commissaris voor de Nationale Minderheden geweest. In deze functie trokken mij twee dingen bijzonder aan: enerzijds het waarborgen van minderheidsrechten en anderzijds het proberen te voorkomen van conflicten tussen etnische groepen. Ik heb dit werk met veel plezier gedaan dankzij een enthousiast team van medewerkers. Ook hier was het vallen en opstaan, maar er werden ook resultaten geboekt en spanningen weggenomen. Er vloeide uit voort dat ik op dit moment namens de OVSE (Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa) in Macedonië actief ben om de verhouding tussen etnische Macedoniërs en etnische Albanezen te verbeteren. Ik heb er onder andere een universiteit opgericht waar zowel Albanese als Macedonische studenten studeren en met elkaar in gesprek raken. Ik hoop op deze manier bruggen te slaan tussen twee etnische groeperingen.’

Schending mensenrechten

‘Na de Golfoorlog werd ik in 1992 als VN-rapporteur voor de naleving van de mensenrechten uitgezonden naar Irak. Ik werd voortdurend omgeven met politiebewaking. Dat maakte het onmogelijk om met mensen te praten, want je brengt hen alleen maar in levensgevaar. Het was een benauwde atmosfeer en het deed denken aan de Tweede Wereldoorlog. Ik moest toen Tariq Aziz, de huidige vicepremier van Irak, ondervragen. Aziz had tijdens mijn vraaggesprek moeite zich te beheersen. Hij zat telkens geïrriteerd met zijn schoen te wippen en ontweek mijn vragen. Ik vroeg hem naar een groep Sji’itische geestelijken die door het regime waren vermoord. Na dit gesprek mocht ik Irak niet meer in. Mijn oordeel heb ik niet alleen gebaseerd op dat ene bezoek, maar ik heb ook de nodige gegevens kunnen vergaren door vluchtelingenkampen te bezoeken buiten Irak. Uit ooggetuigenverslagen maakte ik op dat veel Irakezen zonder vorm van proces werden gemarteld en gedood. Terwijl ik met vluchtelingen sprak fotografeerde een bevriend fotograaf de sporen van martelpraktijken op hun lichamen. Ik kreeg van diverse vluchtelingen beeldmateriaal dat over de grens was gesmokkeld. Het werd mij duidelijk dat dit een van de meest afschuwelijke regimes is die de wereld heeft gekend. Ik heb zestien rapporten over de schending van mensenrechten in Irak geschreven. Ik had een enorme deernis met de mensen die daar in de kampen zaten, wetende dat het regime nog stevig overeind stond en dat er weinig kans voor hen was om terug te keren. Na de Golfoorlog was het natuurlijk een enorme klap voor de Koerden en Sji’ieten om na hun opstand tegen Saddam, in de steek gelaten te worden door de geallieerden. Dat heeft zijn weerslag tot op de dag van vandaag. Als je ziet hoe bang de mensen zijn om publiekelijk steun te betuigen uit angst dat Saddam nog eens de macht krijgt.’

Een laatste kans

‘Ik ben een groot voorstander van stille diplomatie. Als je informeel met mensen onderhandelt kom je vaak veel verder in een conflictsituatie dan wanneer beide partijen om de beurt openlijk verklaringen gaan afleggen. Partijen bijten zich dan vaak vast in de kleinste details van hun eigen standpunten. Wat betreft de kwestie Irak ben ik juist wel weer in de pen geklommen. Het trof mij namelijk dat Irak aan de VN-wapeninspecteurs wel een tipje van de sluier wilde oplichten, maar geen echte openheid van zaken wilde geven. Ik was en blijf tegen oorlog, maar ik ga niet zover dat er onder alle omstandigheden geweld moet worden uitgesloten. Saddam Hussein beschikt over massavernietigingswapens waardoor de hele wereld gevaar kan lopen. We moeten ons goed realiseren hoe gevaarlijk het is om een dictator zijn gang te laten gaan, dat hebben we met Hitler gezien. We hebben Hitler de ene staat na de andere laten opslokken, zonder op tijd een gemeenschappelijk front te vormen. Saddam veroverde in 1991 Koeweit. Ik ben ervan overtuigd dat het volgende slachtoffer Saudi-Arabië zou zijn geweest. Hij heeft de ambitie om het hele Midden-Oosten te beheersen. Irak heeft alle Veiligheidsraadresoluties aan zijn laars gelapt. De resolutie 1441 gaf Irak nog een laatste kans om tot ontwapening over te gaan en openheid van zaken te geven. Naar mijn mening rechtvaardigde het negeren van deze resolutie de oorlog.’

Max van der Stoel.

Vreedzame oplossingen

‘De huidige oorlog doet veel herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog herleven. De geluiden van sirenes, de beelden van bombardementen: ik kan me goed voorstellen dat alles weer boven komt drijven bij onze generatie. In een oorlog worden altijd onschuldigen getroffen. Ik vind dat het naoorlogse Irak alleen kan worden opgebouwd met ruime buitenlandse steun. Ik hoop dat de Verenigde Naties een rol krijgen bij de wederopbouw. Om niet in herhaling te vallen is het van groot belang dat alle etnische groepen in het nieuwe Irak aan hun trekken komen en niet zoals op het ogenblik een kleine minderheid. Een moderne oorlog is zo verschrikkelijk dat we moeten blijven streven naar vreedzame oplossingen om verdere gewapende conflicten te voorkomen.’

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak Juni 2003