'Een Engelse granaatexplosie veranderde ons leven voorgoed'

Martien Klaus verloor bijna het leven bij de granaatexplosie in het Brabantse Ommel waarbij 10 kinderen omkwamen.

Martien Klaus is 89 jaar en hij herinnert zich het afschuwelijke oorlogsdrama nog glashelder. ‘Op 22 september 1944 hoorden we het geallieerde bevrijdingsleger in de verte al aankomen en de Duitse bezettingstroepen vochten fel terug. Opeens bevond onze boerderij in het Brabantse Ommel zich midden in de gevechtslinie. Mijn vader had al met vooruitziende blik een schuilkelder gemaakt in een diepe droge sloot achter het huis en deze bedekt met takken, hooi en aarde. 

Mijn moeder rende met haar 8 kinderen naar de schuilkelder. Ook onze buren Michiels zochten hierin beschutting met hun 10 kinderen. Mijn vader was op dat moment elders koeien aan het melken. Helaas was onze schuilkelder niet bestand tegen de Engelse granaat die voor de Duitse vijand was bestemd. Die granaat raakte een lindeboom langs de slootkant, viel loodrecht in onze schuilkelder en explodeerde. In onze families Klaus en Michiels waren 10 kinderen en de buurman op slag dood. Mijn zus Riet en ik raakten zwaargewond. Het is een wonder dat wij die explosie overleefden. Moeder Michiels had geen schram, maar overleed een paar dagen later van verdriet.’

Martien Klaus, Asten juni 2026.

Er is een leven voor en een leven na de explosie

Martien Klaus vertelt over het oorlogsdrama in het kleine bedevaartsoord Ommel in de Peel. ‘Er gaat geen dag voorbij dat ik niet aan die explosie denk. Er is een leven voor en een leven na de explosie. Voor de oorlog was ons leven in Brabant goed en gemoedelijk. Mijn ouders kwamen uit grote boerenfamilies. Ze leerden elkaar kennen via de katholieke school, de kerk en later in het dorpscafé. Ze kregen 8 kinderen: 5 dochters en 3 zonen.
Op 4 juli 1937 ben ik geboren in Asten, op de boerderij tegenover mijn huidige huis. Later verhuisden we naar een boerderij in de Jan van Havenstraat in Ommel. Van jongs af aan hielp ik mijn ouders graag op het land en met het melken van koeien. Ik kon snel lezen en ik werd vaak uitgekozen om gebeden als het ‘Weesgegroet Maria’ in de kerk voor te dragen of liederen voor te zingen. Ik vond het van jongs af aan leuk om op school of in de kerk op te treden.’

Martien Klaus voor zijn geboortehuis, Asten 2026.

We hielpen elkaar

‘Mijn vader heette Hendrikus Klaus en werd Driek genoemd. Hij was geboren in Asten op 24 augustus 1904. Vader had van jongs af aan al veel meegemaakt. Toen hij werd geboren, stierf zijn moeder in het kraambed. Ook zijn vader is jong gestorven. Mijn vader heeft zijn ouders niet gekend en is door pleegouders in Ommel opgevoed. Hij werd landbouwer met een eigen gemengd bedrijf van 7 hectare grond. Vader was een opgewekte man, want ik hoorde hem altijd neuriën. 

Mijn moeder kwam uit een grote katholieke boerenfamilie in Someren. Ze had vijf oudere broers en was de jongste en enige dochter. Ze heette Nel Verrijt en was geboren op 4 februari 1907. Bij mijn moeder thuis werd altijd gezellig veel gezongen bij verjaardagen en op katholieke feestdagen. Wij boeren hielpen elkaar met zware klussen. Zo haalden we samen de oogst binnen op de boerderijen van familie en vrienden, we trokken een koe uit de sloot en we hielpen elkaar bij de geboorte van een kalf of veulen. 

Op het platteland in Brabant merkte ik als kleine jongen aanvankelijk vrij weinig van de oorlog. Wij leden geen honger, omdat mijn vader genoeg koeien had en ook mestvarkens hield. Mijn vader was onmisbaar in zijn boerenbedrijf en had daarom een vrijstelling voor de Arbeitseinsatz. Mijn ouders hielpen in de oorlog iedereen die bij ons aan de deur kwam vragen om wat eten of om een schuilplaats. Zo kwam tijdens de oorlog het gezin van Arie de Bruin met zes kinderen uit Dordrecht bij ons in de schuur wonen, omdat hij op de vlucht was voor de Duitsers. Na de oorlog zijn mijn moeder en mijn jongste zusje nog bij hen op bezoek geweest in Dordrecht.’

Mijn moeder Nel Verrijt te midden van haar ouders en met haar 5 broers.
Mijn ouders Nel en Driek Klaus bij hun 50-jarig huwelijk.

Voor het eerst zag ik mijn moeder bibberen van angst

‘Mijn ouders hadden geen radio en lazen ook geen krant. Al het nieuws hoorden we via de familie of via de buren. Als 7-jarige jongen merkte ik voor het eerst dat het oorlog was, toen twee jonge Duitse soldaten op een dag bij ons via de keuken binnenkwamen. Ze vroegen mijn moeder om een eitje voor hen te bakken. Opeens zag ik mijn moeder bibberen van angst. Zo angstig had ik haar nog nooit gezien. Ze zeiden dat ze in dienst moesten en liever in Duitsland waren gebleven. En we hoorden hen tegen elkaar zeggen: “Die Kirche in Ommel ist ein Heiligtum, das muss ganz kaputt!” Ze wilden het bedevaartsoord bombarderen. 

Op 12 september 1944 bevrijdden de geallieerden als eerste het Zuid-Limburgse dorp Mesch. Vanuit het zuiden begon de geallieerde opmars om Nederland te bevrijden. Mijn vader bouwde een schuilkelder in een diepe droge sloot achter onze boerderij bij het Ommels Eindje. Hij had de slootbodem bedekt met hooi en deze afgedekt met takken, hooi en aarde. Onze buren aan weerszijden, de families Michiels en Beckers, mochten ook bij ons schuilen. 

In ons dorp hoorde je de beschietingen tussen het Engelse bevrijdingsleger en de Duitse bezettingstroepen al naderbij komen. Op 21 september 1944 besloot de burgemeester van het naburige dorp Asten de burgers te evacueren. Diezelfde avond kregen alle inwoners van Ommel ook het advies om zich schuil te houden.’

Onze laatste foto samen in 1944. Boven Jan (12) en Leo (11) Klaus. Onder vlnr: Anna (9), Dina (8) en Martien (7) Klaus.

De fatale dag

‘Op 22 september 1944 werden de beschietingen heviger. Onze boerderij lag precies in de gevechtslinie. Samen met onze buren Michiels met 10 kinderen en ons gezin met 8 kinderen doken we tegelijk in onze schuilkelder. Mijn vader was op dat moment elders koeien aan het melken. We zaten dicht op elkaar in de diepe sloot met de handen gevouwen te bidden in nood. Het ergste - waar iedereen bang voor was - gebeurde. 

Een geallieerde granaat die was bestemd voor de Duitsers, raakte de lindeboom aan de slootkant, viel loodrecht in de schuilkelder en explodeerde. Ik raakte meteen buiten bewustzijn. De schuilkelder stortte volledig in. De gevolgen hiervan waren rampzalig voor onze beide families. Van de familie Michiels overleden 6 kinderen en de vader ter plekke. Vier dagen later overleed ook hun moeder. Ze mankeerde lichamelijk niets, maar ze was geestelijk kapot van verdriet.’ 

‘Mijn ouders verloren bij deze aanslag hun oudste twee zonen en oudste twee dochters. Mijn moeder moest met haar blote handen haar vier dode kinderen uit het zand graven. Zij waren onherkenbaar verminkt. Mijn zus Riet verloor haar been. Ik was hun enige overgebleven zoon. Toen ik bijkwam lag ik onder het puin en ik had granaatscherven in mijn benen, rug en in mijn linker onderbeen. Er zat een scherf dwars door mijn linker onderbeen vlak boven mijn enkel. Er ontbraken vingers aan mijn beide handen. Mijn wijsvingers waren verdwenen doordat er tijdens het bidden een granaatscherf doorheen was gegaan. Een stukje duim en een middelvinger waren ook weg.’

Achter onze boerderij in Ommel was de schuilkelder waarin de granaat viel.

Wij dankten ons leven aan een moedige missiezuster

‘Diezelfde dag nog heeft een missiezuster, Thea Vissers, mijn zwaargewonde zus Riet en mij meegenomen naar de katholieke kleuterschool om ons daar eerste hulp te verlenen. We werden er op zolder gelegd, maar ook de kleuterschool werd onder vuur genomen en vatte vlam. Deze missiezuster heeft ons met gevaar voor eigen leven van die brandende zolder gered. Mijn moeder vroeg me jaren later of ik haar ook wat wilde schrijven op onze kerstkaart. Ik had geen idee wat ik haar moest schrijven. 

Toen legde mijn moeder mij uit dat mijn zus Riet en ik ons leven dankten aan deze bijzonder moedige missiezuster. Pas toen ik volwassen was, besefte ik welk risico zij voor ons heeft genomen door ons uit de vlammenzee op die zolder te redden. Mijn moeder beschouwde haar als een heldin en ze hielden altijd contact.’

Martien Klaus, Asten 2026.

Een geluk bij een ongeluk

‘De volgende dag werd ik opgenomen in het Sint Anna Ziekenhuis in Geldrop. Toen ik nog maar net in het ziekenhuis lag, werd er alvast een foto van mij genomen voor mijn familie, want de artsen vreesden dat ik het niet zou redden. In eerste instantie dachten de artsen dat mijn benen zouden moeten worden afgezet, zo slecht zagen ze eruit. Het was erg druk in het ziekenhuis waar vele slachtoffers van het recente oorlogsgeweld werden opgenomen. De artsen legden mij eerst een paar dagen apart op een kamer, omdat er te veel spoedgevallen werden binnengedragen die voorrang kregen. 

Achteraf was het een geluk bij een ongeluk dat ze me niet direct opereerden. Als het er rustiger was geweest, hadden ze ongetwijfeld mijn benen meteen geamputeerd. Pas na een aantal dagen hadden de artsen de tijd om mij nader te onderzoeken. Ze ontdekten dat mijn benen er minder slecht aan toe waren dan aanvankelijk werd gedacht. Nu namen de artsen alle tijd om mijn beide benen met succes te opereren. Ze hebben na vele operaties alle granaatscherven eruit verwijderd en ze deden er alles aan om mijn beide benen te behouden.’

Martien Klaus in het Sint Anna Ziekenhuis in Geldrop, 23 september 1944.

Ik keek uit naar het bezoek

‘Pas vijf maanden later, op 3 maart 1945, mocht ik weer naar huis. Al die tijd lag ik alleen in bed op een kleine kamer van 2 bij 3 meter met alleen een hoog raam in de deur. Zo’n vijftig jaar later ben ik nog eens naar dat Sint Anna Ziekenhuis in Geldrop gegaan. Mijn oude kamer was nog precies hetzelfde. Ik herinner me dat ik altijd zo blij was als de gezichten van mijn ouders weer achter het hoge deurraam verschenen om mij te bezoeken. 

Een half jaar lang lag ik de hele dag alleen maar in bed. Ik was te ziek en te moe om iets te lezen. In ditzelfde ziekenhuis werd het been van mijn zus Riet geamputeerd. Ik heb haar daar nooit gezien. Ze mocht veel eerder naar huis en moest leren lopen met een kunstbeen dat speciaal voor haar werd gemaakt. Ze las veel en ze kon goed leren. Ze kreeg een baan bij de Rabobank. Onze levens zijn door de granaatexplosie ingrijpend veranderd. We zijn allebei gehandicapt geraakt. Ondanks alle pijn bleven we flinke doorzetters en probeerden we een zo normaal mogelijk leven te leiden.’

Portretten van Joan, Leonard, Agnes en Arnoldina, 22 september 1944.

Na de oorlog

‘Na het verlies van mijn twee oudere broers en twee oudere zussen, was ik opeens het oudste kind. Als de enige overgebleven zoon van mijn ouders, deed ik er alles aan om mijn vader te helpen op de boerderij. Ondanks het gemis van mijn wijsvingers kon ik toch goed koeien melken. Het was mijn droom om zijn bedrijf voort te zetten. In de avonduren haalde ik alle benodigde landbouwcursussen en ontwikkelde me tot een allround vakman. Ondanks al mijn fysieke tegenslagen, stond ik elke dag om 5 uur op en werkte ik keihard met mijn vader mee op het land en in de stallen. We hadden 7 hectare bouw- en weiland met 15 koeien en 50 varkens. Toen hadden we nog geen rooimachine, dus moest ik altijd één hectare aardappelen met de riek uitsteken. 

Ik ontmoette mijn toekomstige vrouw in een café in het dorp toen ik met vrienden iets ging drinken. We hadden meteen een klik. Catharina van Bree kwam ook uit een boerenfamilie in het naburige dorp Someren, dus ze wist precies waaraan ze begon als boerin. We trouwden en kregen drie kinderen, twee dochters en een zoon. We hadden het goed samen. In januari 1966 nam ik het bedrijf van mijn vader over en breidde het uit met 100 varkens. 

In die tijd kreeg ik veel last van mijn rechterheup. De artsen hebben me geopereerd en daarna moest ik opnieuw leren lopen. Ik zeg altijd dat ik drie keer moest leren lopen: als kind, na het lange ziekbed als gevolg van de granaatexplosie en na het vastzetten van mijn rechterheup. Ik heb er alles aan gedaan om te blijven lopen, het kostte me veel pijn en moeite, maar ik ben een doorzetter. Naast mijn werk was ik vijftig jaar actief bij onze toneelvereniging.’

De 10 kinderen van de families Michiels en Klaus in een gezamenlijk graf begraven.
Martien Klaus met zijn vroegere buurmeisje, Dora Michiels, bij de herdenking.

Oorlogsgeweld is zinloos

‘Op basisscholen geven mijn vroegere buurmeisje, Dora Boerekamps-Michiels, en ik samen gastlessen over onze oorlogsgeschiedenis. Kinderen zijn eerlijk. Als ik voor de klas sta, zien ze meteen dat ik geen wijsvingers meer heb en meestal vraagt een kind heel direct hoe dit komt. En dan vertel ik hoe we daar in die schuilkelder zaten. “En wat doe je in nood?”, vraag ik dan en ik geef meteen zelf antwoord. “Dan ga je bidden met je handen gevouwen. En de bomscherf is precies door mijn wijsvingers geschoten tijdens het bidden.” Eens toen ik dit vertelde, adviseerde een leerling mij spontaan met de vraag: “Meneer, Ge kunt dan toch beter niet bidden?” Het mooie van het delen van je verhaal is dat er altijd bijzondere reacties op komen. 

Jaarlijks wordt op 22 september deze tragedie herdacht met een katholieke herdenkingsdienst. Bij de oude gehavende lindeboom hebben we een grafmonument opgericht met de namen van de getroffenen erin gegraveerd. Intussen is er op mijn verzoek een documentaire gemaakt waarin 6 ooggetuigen hun verhaal vertellen over de rampzalige oorlogsgebeurtenis in de Jan van Havenstraat in Ommel. De documentaire heet ‘Drama in ’t Ommels Eindje’ en is gemaakt door 3 mediastudenten van het Sint Lucas-college in Eindhoven in samenwerking met documentairemaker Gerard Geboers. Oorlogsgeweld is zinloos en leidt tot niets. 

Ik vind het zonde om te zien dat er elke dag ergens op de wereld nog steeds wapens worden gebruikt om mensen te doden of voor het leven te verminken. Daarom blijf ik vertellen wat dit verlies voor onze gezinnen heeft betekend. Ik wil laten zien hoe moeilijk het is om dagelijks met invaliditeit door oorlogsgeweld te moeten leven, opdat jonge mensen ervan leren. Door de granaatexplosie zijn onze levens totaal veranderd. Mijn zus heeft er nooit meer over gesproken. Ik wil deze oorlogsgeschiedenis graag delen, juist nu er weer zoveel prachtige mensenlevens worden vernietigd.’ 

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak Juni 2026.