Een toekomstbestendige zorg

VWS-staatssecretaris, Marlies Veldhuijzen van Zanten, over haar beleid voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen.

Sinds 14 oktober 2010 is Marlies Veldhuijzen van Zanten (1953) staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) in het kabinet Rutte-Verhagen. Zij is deskundige op het gebied van ouderengeneeskunde en was onder meer docent aan de Vrije Universiteit en voorzitter van de beroepsvereniging van verpleeghuisartsen. Veldhuijzen van Zanten is verantwoordelijk voor onder meer de ouderenzorg en de jeugdzorg. Ook de zorg voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen maakt onderdeel uit van haar portefeuille. Wat zijn haar plannen?

Marlies Veldhuijzen-van Zanten, maart 2011. Foto: René Verleg.
Marlies Veldhuijzen-van Zanten, maart 2011,  Foto: René Verleg.

Bent u in uw werk als arts ouderengeneeskunde ook verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen tegengekomen en al bekend met onze cliënten?

‘Onder de patiënten, die ik in de loop van de tijd heb mogen ontmoeten, waren er uiteraard ook velen die naast andere aandoeningen kampten met klachten ten gevolge van hun oorlogservaringen. Ik heb daarvan geleerd dat de ervaringen in de oorlog een dominante rol in de levens van mensen kunnen spelen en dat trauma’s en herinneringen uit de oorlogsjaren in de eindfase van hun leven vaak nadrukkelijk op de voorgrond komen te staan. Zoveel gezegd, luisteren is in deze situatie het parool. Die ervaringen zullen mij zeker van pas komen in mijn komende ontmoetingen met de doelgroep. Als verpleeghuisarts werd ik altijd getroffen door de innerlijke kracht van mensen. Ontmoetingen worden dan even zovele leerervaringen. Verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen zijn stuk voor stuk mensen met een vaak gruwelijk verhaal over hun oorlogservaringen. In mijn ontmoetingen met hen zal ik mijzelf dan ook de vraag stellen, wat kan ìk van die ervaringen leren tegen de achtergrond van “Dat nooit meer!” Op de financiële en immateriële zorg voor deelnemers aan het voormalig verzet en de oorlogsslachtoffers zijn van oudsher de begrippen ‘ereschuld’ en ‘bijzondere solidariteit’ van toepassing. Ik beschouw het als een grote eer én opdracht om hier concrete invulling aan te mogen geven.’

Wat zijn uw plannen voor de toekomst van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen?

‘De afgelopen jaren hebben medewerkers van mijn ministerie in nauwe samenwerking met alle betrokkenen enorm hard gewerkt om de uitvoering van het wettelijk stelsel sterk te vereenvoudigen. Ik denk daarbij vooral aan de fixering en jaarlijkse indexering van de pensioenen en uitkeringen per 1 januari 2009. Cliënten hebben hierdoor een grote mate van zekerheid gekregen over de hoogte van hun inkomen, nu en in de toekomst. Ook de omzetting van bepaalde tegemoetkomingen op basis van een declaratie van de werkelijke kosten naar vaste bedragen heeft absoluut een belangrijke bijdrage geleverd aan een klantvriendelijke uitvoering. Daarmee zijn de mogelijkheden voor vereenvoudiging wel zo’n beetje uitgeput. De wettelijke vereisten om voor een pensioen of uitkering in aanmerking te komen, wil ik niet versoepelen.’

Waarin wijkt uw beleid af van het beleid van uw voorganger Jet Bussemaker?

‘Ik streef er naar het beleid van Jet Bussemaker voort te zetten. Wel met de kanttekening dat met de overgang van het cliëntbeheer van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) naar de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en met de overdracht van VWS-taken in het kader van Herinnering WO II naar het Nationaal Comité 4 en 5 mei per 1 januari 2011 grote stappen zijn gezet. De wijze waarop de taken van de PUR aan de SVB zijn overgedragen laat zien dat niet zozeer de instellingen of instituties centraal staan, maar juist de cliënten. Het kan zijn dat er de komende jaren aanpassingen nodig zijn om de zorg te garanderen. Ook wat betreft het levend houden van de herinnering aan de oorlog zal ik de uitgezette lijn met kracht doorzetten.’

Wordt er bezuinigd op verzetspensioenen en uitkeringen aan oorlogsgetroffenen als de crisis aanhoudt?

‘Tot nu toe zijn de verzetspensioenen en uitkeringen aan oorlogsgetroffenen bij alle voorgaande bezuinigingsoperaties volledig ontzien. Iedereen kon steeds worden overtuigd van de betekenis van de begrippen ‘ereschuld’ en ‘bijzondere solidariteit’. Ook in de toekomst zal dit standpunt mijns inziens niet wijzigen, want de zorg voor deze bijzondere doelgroep wordt Kamerbreed gedragen.’

Hoe houdt u contact met de doelgroep?

‘Wij ontmoeten elkaar bij herdenkingen. Dat biedt een goede gelegenheid om met de direct betrokkenen te spreken. Daarnaast zijn er bijeenkomsten rond bijzondere gebeurtenissen waar volop gelegenheid is tot contact. Ook blijf ik op een indirecte manier op de hoogte van wat er speelt binnen de groep verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen via de informatie die ik ontvang van mijn medewerkers en de contacten met organisaties zoals het Nationaal Comité 4 en 5 mei.’

Hebt u overleg met belangengroepen en de cliëntenraad?

‘Ik zal de mensen uit de cliëntenraad en belangengroepen zien bij herdenkingen en andere bijeenkomsten en hen daar spreken. De formele gesprekspartners van de cliëntenraad zijn de SVB en de PUR.’

Is het gelukt om met het Project Gerichte Benadering potentiële cliënten te bereiken?

‘Ik beschouw de Gerichte Benadering als een buitengewoon succesvolle operatie. In dit project zijn tussen 2005 en 2009 rond de 35.000 personen uit met name de Indische doelgroep op een directe, persoonlijke wijze geïnformeerd over de mogelijkheden van de oorlogswetten. Dit heeft geleid tot 2.850 nieuwe erkenningen.’

De vereenvoudiging van de wetgeving was nodig om de administratieve lasten voor onze cliënten te verminderen, is dit gelukt?

‘Jazeker. Zij hoeven niet meer jaarlijks het zogenoemde inlichtingenformulier in te vullen over wijzigingen in hun inkomsten. Het aantal factoren dat het pensioen of uitkering bepaalt, is sterk verminderd. De cliënten hebben zo meer zekerheid over de hoogte van hun maandelijkse pensioen of uitkering en minder gedoe.’

Hoe garandeert u de kwaliteit van de dienstverlening op de lange termijn?

‘De overdracht van de uitvoerende werkzaamheden naar een grote organisatie als de SVB, met een werkwijze die goed past bij de specifieke WO II taken, maakt het mogelijk om ook op lange termijn de kwaliteit en de continuïteit van de dienstverlening aan oorlogsgetroffenen te garanderen. De omvang van de organisatie is hierbij een belangrijke factor, maar de SVB heeft nog andere pluspunten. Ik denk hierbij aan de uitgebreide ervaring met het verstrekken van pensioenen en uitkeringen aan ouderen. De SVB kreeg onlangs als eerste in Nederland een vijfsterren onderscheiding uitgereikt door het Instituut Nederlandse Kwaliteit. Deze prijs wordt gegeven aan organisaties die voortdurend hun bedrijfsvoering verbeteren en vernieuwen en een hoog kwaliteitsniveau in dienstverlening hebben behaald.’

U deelt de verantwoordelijkheid met de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Wie is uiteindelijk eindverantwoordelijk?

‘Wettelijk is vastgelegd dat ik als staatssecretaris van VWS eindverantwoordelijk ben voor de gang van zaken bij de SVB waar het de uitvoering van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen betreft. Maar u zult begrijpen dat ik bij onverhoopte problemen nauw zal samenwerken met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de primaire opdrachtgever van de SVB.’

Over het toekennen van financiële ondersteuning wordt beslist door de Pensioen- en Uitkeringsraad als iemand voor het eerst een beroep op een van de wetten doet en door de Sociale Verzekeringsbank als iemand al rechten had. Hoe wordt voorkomen dat er verschillend besloten wordt over vergelijkbare aanvragen?

‘Wettelijk is bepaald dat de beleidsregels van de PUR voor deze beslissingen leidend zijn voor de SVB. Wel kan nader overleg tussen PUR en SVB nodig zijn om vast te stellen in hoeverre er inderdaad sprake is van ‘vergelijkbare’ gevallen. Dit overleg is wettelijk geregeld.’

Is de overgang van de PUR naar de SVB naar wens verlopen?

‘Ja, de cliënten hebben er weinig van gemerkt, de betalingen zijn stipt verlopen en de dienstverlening is op hetzelfde hoge peil gebleven. Dat was de belofte aan de doelgroep toen deze operatie begon. Alle betrokkenen bij de PUR, de SVB en op mijn ministerie hebben in de afgelopen jaren hard gewerkt om dit te realiseren.’

U bent ook verantwoordelijk voor de voorlichting over de Tweede Wereldoorlog. De afdeling Oorlogsgetroffenen en Herinnering WO II bij het ministerie van VWS is in 2010 afgebouwd. De taken op het terrein van de voorlichting zijn overgedragen aan het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Verloopt deze overdracht ook naar wens?

‘De vraag suggereert alsof VWS zich niet meer bezighoudt met Herinnering WOII. Ik wil dit ten stelligste ontkennen. Ik wil graag benadrukken dat ik niet slechts formeel verantwoordelijk ben, maar daar ook inhoud aan blijf geven. Dat doe ik onder meer door het in stand houden van de infrastructuur, die primair bestaat uit de vier nationale herinneringscentra, het erfgoedpunt bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) en het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Mijn voorlichtingsbeleid zal winnen aan betekenis en beter aansluiten door de uitvoering ervan te beleggen bij een organisatie die middenin die praktijk staat. Heel bewust is daarom het Comité veel vrijheid gegund om te bepalen op welke wijze zij invulling gaat geven aan mijn beleid.’

Het programma Erfgoed van de Oorlog is eind 2010 afgerond. Hoe gaat u zorgen dat al het materiaal dat nu is verzameld toegankelijk wordt gemaakt voor het publiek?

‘Met het programma Erfgoed van de Oorlog is een grote hoeveelheid waardevol materiaal geconserveerd of gedigitaliseerd en toegankelijk gemaakt voor gebruik in documentaires, websites of andere mooie producten. Dit materiaal is bijeengebracht in nationale WO II collecties, die voor iedereen op het internet toegankelijk zijn. Op de websites kan gericht gezocht worden naar afbeeldingen en registraties van het oorlogsmateriaal dat in de musea en archieven is ondergebracht. Er is een breed netwerk ontstaan van organisaties die kennis delen en elkaar inspireren om het verhaal van de Tweede Wereldoorlog met het erfgoedmateriaal steeds weer over te brengen. Dit netwerk en deze collecties moeten goed onderhouden worden. Ik vind het belangrijk dat ook toekomstige generaties toegang hebben tot deze bronnen.’

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak, Maart 2011