Als je mensen hielp onderduiken, rolde je vanzelf in het verzet
Koerierster Marie Blommaart zat gevangen in de kampen Haaren en Vught.
De 104-jarige Marie Blommaart herinnert zich de oorlog nog haarscherp: ‘Op 10 mei 1940, toen de oorlog begon, was ik 19 jaar oud. Mijn ouders hadden een bakkerij en kruidenierswinkel in het Zeeuwse dorp Lamswaarde. Mijn moeder hielp in de winkel altijd al mensen die problemen hadden, zoals weinig eten of geen onderdak. Eind 1942 werd mijn moeder benaderd door de bonkaart-inspecteur uit Goes, Jacob Klaaysen, met de vraag of ze iemand wist die pakjes met bonkaarten kon bezorgen op onderduikadressen. Mijn moeder antwoordde: “Ja, dat doet ons Marie wel!” Zo raakten mijn ouders en ik, als oudste dochter, vanzelf betrokken bij de hulp aan onderduikers.’
Mijn moeder hielp iedereen met raad en daad
‘Mijn ouders hadden een bakkerij en kruidenierszaak in Lamswaarde in Zeeuws-Vlaanderen. Mijn vader werkte in de bakkerij en mijn moeder stond in de winkel, waar zij iedereen met raad en daad bijstond. Zij kregen een groot gezin met acht kinderen, van wie ik de oudste ben. Op 18 maart 1921 werd ik geboren. We werden rooms-katholiek opgevoed. Op mijn twaalfde jaar verliet ik de schoolbanken om in de winkel te helpen.
Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers ons land binnen. Op die ochtend kwam onze buurman met een wit gezicht de winkel binnen en zei: “Mensen, het is oorlog! Het is als een brandende schuur, daar is geen houden meer aan!” De volgende dag schoten Belgische soldaten met een kanon naar de overkant van de Schelde, waar de Duitsers al waren gearriveerd. Rotterdam werd gebombardeerd. Nederland werd in vier dagen onder de voet gelopen en capituleerde op 14 mei.
In de oorlog was alles op de bon; per persoon had je bonnen nodig voor voedsel, schoenen en kleding. Onderduikers hadden geen bonkaarten, maar ze moesten wel voorzien worden van eten. Het verzet pleegde overvallen op de Duitse distributiekantoren om extra bonkaarten voor onderduikers te bemachtigen. Eind 1942 vroeg de bonkaart-inspecteur uit Goes, Jacob Klaaysen, aan mijn moeder of er iemand pakjes en voedselbonnen kon bezorgen bij de onderduikadressen van gevluchte Joden, verzetsdeelnemers en Engelse piloten. Mijn moeder antwoordde: “Ja, dat doet ons Marie wel!” Ze vond dat ik dit wel onopvallend kon doen, omdat ik wel vaker boodschappen wegbracht naar klanten.’
Je wist niet wie je kon vertrouwen
‘Al gauw vroeg Jacob Klaaysen mijn moeder om meer hulp bij het vinden van adressen. Daarna bracht ik elke onderduiker naar boeren die ver afgelegen aan de Schelde woonden. Als je mensen hielp onderduiken, rolde je vanzelf in het verzet. Zo raakten mijn moeder, vader en ik vanzelf betrokken bij de hulp aan onderduikers. Mijn broertjes en zusjes wisten van niets, zodat ze hun mond niet voorbij zouden kunnen praten. Er kwamen overdag veel klanten in de winkel, wat voor de veiligheid van de onderduikers niet handig was. Het was altijd spannend als er een onderduiker een uur of een nacht verstopt zat in ons huis achter de winkel, omdat je niet wist wie je kon vertrouwen. In de pakjes die ik op de fiets uit Goes met de pont over de Schelde haalde, zaten bij mijn weten alleen de extra voedselbonnen voor de onderduikers. Op die pont was er ook vaak een Duitse controle.
Achteraf zou ik dit nooit meer zo hebben gedaan, want op de pont kon je geen kant op. Pas na de oorlog hoorde ik dat er in die pakjes ook vaak de verzetskrant Trouw werd meegegeven. Het is maar goed dat ze me niet daarmee hebben betrapt.’
Tijdens de Duitse verhoren liet ik niets los
‘Op 12 oktober 1943 kwam er een verzetsman, Freek Bakker, bij mijn moeder in de winkel. Hij zei alleen: “Ik moet nog wat regelen.” Diezelfde dag werd hij opgepakt door de Gestapo, de Duitse politie. Bij de verhoren sloegen ze al zijn tanden uit zijn mond. Ik kan het hem niet kwalijk nemen dat hij mijn naam noemde, want dat kan ik geen verraad noemen. Hij is naar kamp Haaren en vervolgens naar kamp Vught gebracht en enige tijd later gefusilleerd.
Nog diezelfde dag kwamen twee Duitse soldaten me thuis ophalen. Ze brachten me naar het politiebureau in Axel. Ik werd in een cel geplaatst, maar de deur werd niet eens op slot gedaan, want er stond een soldaat op wacht. Ik had niet in de gaten waarvoor ze me nu precies hadden opgepakt. Zoveel had ik nu ook weer niet gedaan, alleen wat pakjes bezorgd en onderduikers weggebracht. Dit kan nooit lang duren, dacht ik, maar dat had ik toch verkeerd ingeschat. Ik werd er verhoord door twee Duitse bewakers. Ik deed alsof ik geen woord Duits verstond en maar een simpel meisje was. Omdat ik me van de domme hield, liet ik tijdens de verhoren niets los. Ik zei alleen maar: “Dat weet ik niet!” of “Wat zegt u?” Daarom moest er een tolk bij mijn verhoren komen en dat gaf mij de tijd om even na te denken over mijn antwoorden. Natuurlijk verstond ik hen wel, want er kwamen ook Duitsers in de winkel. Ik werd elke dag ondervraagd, maar ik liet niets los.’
Naar de Duitse gevangenis in het Grootseminarie Haaren
‘Ze kregen geen informatie uit mij, maar vonden toch dat ik schuldig was, ook al konden ze niet bewijzen welke verzetsdaden ik had gepleegd. Daarom werd ik naar de gevangenis gebracht die gevestigd was in het Grootseminarie Haaren. We kregen hier geen kampkleding. Eerst moest ik een uur met mijn gezicht naar de muur staan op de binnenplaats. Dat was heel akelig, want je wist niet wat er met je ging gebeuren.
‘s Avonds om tien uur stopten ze me, zonder eten, in een lange smalle cel met alleen twee stapelbedden. Er lagen daar al drie celgenoten. Boven mij lag de verzetsstrijdster Hetty Voûte uit Utrecht, naast me lag Wies van Leeuwen uit Uden, en daarboven sliep Leonie Overgoor uit Breda. Tijdens de eerste dagen zei het drietal vrij weinig tegen me, want soms werd er door de Duitsers een spionne in de cel gezet, die haar celgenoten informatie moest ontfutselen.’
Geborduurde berichten
‘Na een paar dagen bleek ik toch wel te vertrouwen. Hetty was aan het handwerken en had wat kleine strengen borduurgaren bij zich. Ze vertelde dat ze haar vuile was naar haar ouders mocht sturen, omdat zij er al langer gevangen zat. Ze liet me zien dat ze in de zomen van haar vuile handdoeken korte berichten voor hen borduurde. Daarna vouwde ze de zoom dubbel, zodat haar woorden onzichtbaar bleven voor de Duitse bewakers. Ik had maar één handdoek en ik regelde naald en draad bij een bewaakster die de poepdoos in onze cel kwam legen. Ik vroeg Hetty of ik via haar vuile was ook berichten aan mijn ouders mocht sturen. Mijn moeder bewaarde mijn geborduurde handdoeken en stuurde me steeds een nieuwe handdoek terug.’
Eenzame opsluiting
‘Na een week verhoren die op niets uitliepen, kreeg ik eenzame opsluiting. Ik mocht niet luchten en kreeg geen boeken. Ze hadden er alle ramen dichtgetimmerd. Alleen bovenin was er een streepje licht te zien. Als ik de stoel op mijn bed plaatste en erop ging staan, kon ik door die houtspleet precies op de binnenplaats kijken. Zo zag ik dat Jacob Klaaysen werd binnengebracht en ook Freek Bakker, die mijn naam had genoemd.
Naast de wasbak ontdekte ik achter het behang een klein gat in de muur, waardoor ik met mijn oude celgenoten kon praten. Ik sprong op mijn bed om een ijzeren spiraal los te breken, waarmee ik het gat iets groter kon maken. Op mijn handdoek borduurde ik voor mijn ouders: “Alleen in een cel, maar maak het goed.” Deze handdoek schoof ik stijf opgerold door het gat naar Hetty. Zij gaf mij een schone handdoek terug. Ze deed mijn handdoek bij haar was en borduurde aan haar ouders: “Deze handdoek naar bakkerij in Lamswaarde sturen.” Zo wisten mijn ouders van mijn situatie in kamp Haaren. Vijf maanden had ik eenzame opsluiting.’
Naar kamp Vught
‘In maart 1944 werden we overgebracht naar kamp Vught. Het was heerlijk om buiten de gevangenis te komen op de reis ernaartoe. In Vught lagen we op een zaal met 40 bedden. Bij de ingang van het kamp moesten we onze kleding, schoenen en sieraden afstaan en kregen we kampkleding en klompen uitgereikt. In deze zogenoemde ‘Bekleidungskammer’, het kledingmagazijn, moest ik voortaan werken. Daar kregen we ‘s avonds de lijsten met de kampnummers van degenen die de volgende dag zouden vertrekken. We vroegen de vrouwen die naar huis mochten of we briefjes in hun kleding konden naaien voor onszelf of voor anderen. Zodra ze vrij waren, konden ze die dan doorzenden aan onze families.’
Ik was ziek van angst
‘In Kamp Vught was het regime heel streng en de Duitse kampbewakers deelden wrede straffen uit. De mannen moesten in de ijzige kou urenlang rennen. Eens zag ik vier mannen naakt hun eigen kleding weer aandoen in het mannengedeelte van de Bekleidungskammer. Twee Duitse bewakers stonden erbij te roken en de een zei: “Sie werden erschossen!” De Joodse mannen liepen een voor een langs mij en ik durfde hen niet eens gedag te zeggen. Ik was zo ziek van angst, dat ik direct naar de wc liep om over te geven. Ik voelde me machteloos en bezwaard over mijn zwijgen. Dit vreselijke moment kwam vaak terug in mijn dromen, ook na de oorlog.
Het regime werd steeds gruwelijker. In de nacht van 15 op 16 januari 1944 sloten de Duitse bewakers voor straf vrouwen in twee kleine cellen op. In cel 115 van slechts 9 vierkante meter, werden 74 vrouwen naar binnen geduwd en 14 uur lang opgesloten. De volgende ochtend lagen er in die cel tien vrouwen gestikt op de grond. Dit vreselijke bunkerdrama zijn we later te weten gekomen.’
Berichten smokkelen uit het kamp
‘In die tijd was er een Aufseherin, een Duitse kampbewaakster, die zwanger was. We maakten babykleding voor haar om haar aandacht zoveel mogelijk af te leiden. Zo konden anderen op de vertreklijst kijken wie er de volgende dag naar een volgend kamp moest en wie werd vrijgelaten.
’s Avonds borduurden we razendsnel boodschappen voor de familie van degenen die werden vrijgelaten. Op een dag stond mijn nummer voor vrijlating genoteerd en ook mijn kleding zat bij mijn vertrek vol met kleine berichten in de zomen, die ik allemaal voor die gevangenen heb doorgestuurd. Op 10 mei 1944 werd ik tegelijk vrijgelaten met twee verzetsmannen, Piet en Gerard. De Duitsers brachten ons eerst met een bus naar de Kommandatur in ’s-Hertogenbosch, waar we te horen kregen dat het streng verboden was om iets over het kamp naar buiten te brengen.’
Onderduiken in Amsterdam
‘Het was een emotioneel weerzien thuis. Binnen enkele weken hoorde ik dat de twee verzetsmannen, Piet en Gerard, die tegelijk met mij vrijkwamen, alweer waren opgepakt. Ze zijn toen ter dood veroordeeld, maar later bleek dat ze gelukkig de oorlog hadden overleefd. Het verzet vreesde dat ik ook weer zou worden opgepakt, daarom moest ik direct onderduiken in Amsterdam. Ik meldde me als dienstmeisje bij een kolenboer aan de Korte Prinsengracht. Die kolenboer bleek veel zwart geld te bezitten. Hij moest kolen uit de openbare gebouwen halen en naar de gaarkeuken brengen. In zijn handkar zat een dubbele bodem, waarin hij kolen verstopte en die ruilde hij weer voor voedsel. Die man maakte winst met zijn ruilhandel, dus daar wilde ik niet meer werken. Ik kreeg een ander adres bij een buitenlandse dame in Amsterdam-Zuid, die mij opdrachten gaf op een bevelende toon. Haar nare toon herinnerde me aan de Duitse kampbewaaksters, dus daar vertrok ik zonder iets te zeggen.’
Schoten op de Dam
‘Op 7 mei 1945 toen de Canadezen met hun tanks op de Dam in Amsterdam zouden aankomen, was er een grote feestende menigte die de bevrijding vierde. Ik liep daar net in een zijstraat en opeens hoorde ik geweerschoten. Iedereen vluchtte meteen weg van de Dam, ook in die smalle zijstraat waar ik me bevond en werd voortgestuwd door die mensenmassa. Dat was heel beangstigend. Bij toeval zag ik even later een Zeeuwse vrachtwagenchauffeur, die aangetrouwde familie van mij was. Hij zei: “Ga maar mee, maar ik rijd eerst naar de kazerne. Morgenochtend kun je meerijden naar Zeeland, maar wel onder een zeil tot we over de rivieren zijn.” De volgende ochtend kroop ik onder dit smerige zwarte zeil tot we over de Schelde waren. Vanaf dat punt ben ik naar huis gelopen. Voorbijgangers op de fiets gaven aan mijn familie in de winkel in Lamswaarde door dat ik eraan kwam. Mijn broer moest taarten bezorgen bij klanten. Hij zette ze neer op straat en liep naar huis al roepend: “Ons Marie komt naar huis!”’
En nu is het genoeg!
‘Op de kermis in Hulst in 1948 ontmoette ik mijn toekomstige man, Daan Verbraeken. Hij was boekhouder bij een garagebedrijf en kwam uit Boschkapelle, een buurtschap van de gemeente Hulst. We kregen 5 kinderen en ik kreeg een miskraam: Ineke (1949), Piet (1950), Stef (1952), een miskraam (1955), Paul (1957) en Christianne (1959).
Op 10 mei 1955, tien jaar na de bevrijding, werd op de radio en in de kranten uitgebreid stilgestaan bij de oorlog. En toen werd het me allemaal te veel. Ik schopte het speelgoed naar buiten en de kinderen erachteraan. Mijn man zei: “En nu is het genoeg!” Hij bracht de kinderen naar mijn moeder. Voor het eerst moest ik huilen om wat ik in de oorlog had meegemaakt. Omdat ik een week lang bleef huilen, werd ik opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis.
Een vrouwelijke psychiater luisterde goed naar mij. Ze vond dat ik meer moest stilstaan bij mezelf en mijn oorlogsverleden. Ik stond altijd klaar voor anderen, maar ik kon nergens mijn oorlogsverhaal kwijt. Mijn man zei: “Gooi al die oorlogsspullen maar weg.” Deze psychiater heeft mij erg goed geholpen. Ze zei juist dat ik dat nooit moest doen, want de geborduurde handdoeken zijn mijn tastbare herinneringen aan Kamp Haaren en Kamp Vught. Ik was daarom blij dat mijn moeder mijn berichten uit de gevangenis voor mij had bewaard. Later kon ik deze handdoeken goed gebruiken bij mijn gastlessen op scholen.’
Haat lost niets op
‘Zeker vandaag de dag moeten mensen hun leven in vrijheid niet licht opvatten. Bij een lezing in het Herinneringskamp Vught vroeg een kind mij: “Waarom ging u in het verzet? Haat u de Duitsers?” Ik antwoordde: “Haat heeft nog nooit iets opgelost. Je moet blijven praten met de ander. Ik heb van nabij gezien wat haat met mensen doet. Hoe de Duitsers en NSB’ers zich misdroegen tegen Joden, verzetsstrijders en andersdenkenden. Het begint met hatelijke woorden, met het betichten van de ander van alles wat slecht gaat. En al heel snel gaat dit over tot een ongelijke behandeling, opsluiting, deportatie, het martelen en doden van de ander. Alleen als je elkaar gelijk behandelt en blijft praten, kun je met elkaar in vrede leven.”’
Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak Maart 2026.
Andere verhalen over de oorlog
Wilt u nog meer verhalen over de oorlog lezen?