Praten over het kamp was bij ons thuis taboe!

Marianne Batault-Wichers groeide op in de kampen Malang, Solo en Banjoebiroe op Java.

“Wat ik aan het kamp overgehouden heb, is dat ik niets kan weggooien. Dat blijft een twistpunt tussen mijn zoon en mij. De armoede die wij gekend hebben in het kamp, we hadden helemaal niets! Ik kan er niet tegen als mensen kieskeurig zijn over hun eten bij een diner. Wij waren door de honger zo blij met alles wat eetbaar was. Dat vergeet je nooit meer. Ik ben heel blij dat er aandacht is voor oorlogsgetroffenen uit Nederlands-Indië en dat ik mijn verhaal mag doen, want veel mensen in Holland hebben geen idee wat wij moesten doorstaan.” Precies om die redenen geeft Marianne Batault-Wichers een interview over haar kampervaringen in Malang, Solo en Banjoebiroe op Java.

Marianne Batault-Wichers. Foto: Jan Jacob Wichers.

Geboren te Den Helder

‘Mijn grootvader Wichers beheerde een koffieplantage op Java. Mijn vader, Jan Jacob Wichers, was in 1894 op deze plantage in Loemadjang op Java geboren. Mijn vader was naar Nederland gekomen voor een marineopleiding in Den Helder. Hij ging er wonen en werd marineofficier. Vervolgens werd hij daar commandant van de onderzeedienst. Mijn vader heeft een uitschuifbare pijp op de onderzeeboten uitgevonden, waardoor lucht werd aangevoerd en je langer onder water kon blijven. Hij noemde deze vinding de ‘Snuiver’ en de Duitsers noemden dit later de ‘Schnorckel’ op hun U-boten. Mijn moeder, Alida Ketjen, kwam uit een gegoede familie en had conservatorium viool gedaan in Amsterdam. Ze ontmoetten elkaar bij de bruiloft van mijn vaders broer, Theo Wichers, waar mijn moeder bruidsmeisje was. Het was liefde op het eerste gezicht. Mijn ouders trouwden in 1924 en kregen op 3 augustus 1927 mijn zus Catherina Marie Elisabeth. We noemden haar Lilly, maar na de oorlog wilde ze Catherine heten. Mijn moeder was al zevenendertig bij mijn geboorte op 30 juli 1937. Mijn ouders noemden mij Marianne Albertine Christine Wichers, mijn roepnaam was Marianne. Wij werden protestants opgevoed. Na mijn geboorte kwam er vanwege moeders zwakke gezondheid permanent een gouvernante in huis, Nana Dallinga, die mij voortreffelijk verzorgde en opvoedde.’

Mijn moeder Alida Wichers-Ketjen en mijn vader Jan Jacob Wichers.

Het vertrek naar Indië

‘Eind 1939 moest mijn vader voor zijn werk naar Soerabaja in Indië, maar vanwege de Duitse oorlogsdreiging wilde hij dat wij ook naar hem toekwamen. In december 1939 vertrokken wij met de gouvernante met de trein naar Italië om in Genua op de boot te stappen naar Nederlands-Indië. Wij gingen in het hoger gelegen Malang wonen, omdat mijn moeder slecht tegen de warmte kon.
Mijn vader kwam ons ieder weekend opzoeken vanuit Soerabaja. In ons grote huis was iedereen welkom en er was veel Javaans personeel. Ik was trots op mijn vader, want hij kon mooi vertellen en hij was de jongste commandant bij de marine. Hij was oprichter van de organisatie Ontwikkeling en Ontspanning. Hij organiseerde sportwedstrijden, dansavonden en cabaret. Daar traden de cabaretiers Wim Kan en Corry Vonk vaak op. Ik wilde liever niet naar de kleuterschool, want thuis had ik het meer naar mijn zin.’

Mijn ouders met mijn zus Lilly (na de oorlog heette ze Catherine) in ons huis in Batavia 1931.

Naar het vrouwenkamp

‘Na de Japanse aanval op Pearl Harbor op 7 december 1941 verklaarde Nederland Japan de oorlog. In rap tempo veroverden de Japanners Nederlands-Indië en op 8 maart 1942 volgde de Nederlandse capitulatie. In november 1942 moest mijn moeder met haar dochters naar een vrouwenkamp in een wijk van Malang waarin wij slechts één kamer kregen in een klein huis. Het kamp heette ‘De Wijk’. Onze gouvernante bleef buiten dit kamp. Er was daar niets te doen, dan wat rondhangen. Moeder had ons fotoboek meegenomen waar ze vaders foto’s in uniform uithaalde. We kregen eten uit de gaarkeuken. Mijn moeder kon nog wel water koken voor chicorei, een plant met koffiesmaak. Ik herinner me de ‘koffieklop’, het schuim op je koffie met suiker als je flink roerde. Het was mijn moeder gelukt om in een kleine koffer wat voedingsblikjes mee te nemen naar het kamp. Op mijn verjaardag kreeg ik een blikje doperwten cadeau. De omstandigheden verslechterden snel omdat het kamp steeds voller werd. Op een nacht moesten wij per vrachtauto vertrekken naar het station Malang. In de overvolle trein richting Solo met vrouwen en huilende kinderen moest iedereen op een emmer zijn behoefte doen, dus het stonk er verschrikkelijk.’

Moeder Alida Wichers-Ketjen met baby Marianne, Den Helder 1937.

Geen privacy in kamp Solo

‘In november 1943 arriveerden wij in het kamp Solo, hooggelegen in de bergen. Wij sliepen op houten britsen op een houten vloer, gebouwd op bamboepalen met een rieten dak. De wanden waren van dun gedek, gevlochten bamboe, waar de bergwind dwars doorheen blies. We zaten al snel onder de luizen waar het gedek mee vol zat, waarvan je vreselijke jeuk had zodat je haar werd afgeknipt. Het was er ‘s nachts koud en aardedonker. Er was nauwelijks te eten; datgene wat wij kregen was bijna oneetbaar en in minimale hoeveelheden, maar net genoeg om niet te verhongeren. Ik heb de meest vreselijke herinneringen aan die tijd met al die zieke mensen, waarvan er velen voor mijn ogen stierven. Het was onmogelijk om er te slapen door de snurk- en rochelgeluiden van de zieken.

In dit kamp was nergens een mogelijkheid om alleen te zijn. Wat je ook deed, iedereen zag het en bekeek je. Een vervelend meisje aapte me de hele tijd na. Het was lastig om afstand te bewaren tijdens het gezamenlijk wassen in een klamme ruimte met al die blote lijven dicht op elkaar. Je kreeg al snel ook de besmettelijke diarree. De wc was slechts een smerige goot. In kamp Solo heb ik vaak in het kampziekenhuis gelegen. De zusters deden hun best, maar hadden geen medicijnen. Mijn moeder moest vaak wachtlopen. Vanwege mijn moeders slechte gezondheid hoefde zij niet in het veld te werken, maar moest zij kluiten kloppen, aarde tussen plantenwortels uitschudden. Ze nam ons mee naar het veld en leerde ons voor zover mogelijk rekenen en taal, want onderwijs geven was er verboden.’

Mijn moeder en ik, Den Helder 1938. Foto: Familiealbum Marianne Batault-Wichers.

Kamp Banjoebiroe 10

‘Op 30 mei 1945 werden wij vanuit Solo overgebracht naar kamp Banjoebiroe 10, een van de meest vreselijke kampen op Java. Banjoebiroe betekent ‘blauw water’, want het lag naast een meer. Het kamp was gevestigd in een stenen gevangenis, oorspronkelijk bestemd voor zware criminelen. Dit gebouw was vlak voor de oorlog afgekeurd als gevangenis. Wij werden ondergebracht in de paardenstal met nauwelijks daglicht. ’s Nachts in het aardedonker moest je een po zien te vinden. Het was er vies en het zat vol ongedierte. Iedere dag stierven er meer mensen. Mijn moeder was er doodziek en wij zochten voor haar naar de eiwitrijke slakken als bijvoeding. Wij werden geslagen, getrapt, mishandeld en uitgeput door urenlang in de rij op appèl staan zonder eten of drinken. Ook ik werd enkele keren door de Japanse bewakers geslagen. Eens omdat ik niet diep genoeg boog en een andere keer omdat ik stiekem een tomatenplantje had geplant.

Ik heb vrouwen zien doodgaan en zien flauwvallen. Wij kinderen keken iedere ochtend bij de poort naar de open vrachtauto’s die voorbijreden vol naakte lijken, met de wiebelende witte oedeembenen, die vanuit het kamp werden weggevoerd. Niemand had verwacht dat de oorlog zo lang zou duren. Na verloop van tijd waren onze kleren en schoenen versleten en de kinderen waren eruit gegroeid. Wij liepen in vodden en op blote voeten. Wij droegen ‘gleteks’, zelfgemaakte sandalen van houten plankjes. Wij bezaten werkelijks niets; geen zeep, geen crème, geen tandpasta en geen spiegels. Mijn zus werd zo mager en was zo verzwakt dat zij niet meer kon lopen. Mijn moeder en mijn zus hadden een ongelofelijke wilskracht om te blijven leven. Mijn moeder zei steeds: “Ik wil overleven om te vertellen wat een rotmensen die Jappen zijn!” Mijn zus koesterde de hoop om haar vriendje Paul weer te zien. Mijn moeder verlangde naar vader en vreesde voor zijn leven.’

Oudere zus Lilly (later Catherine) met Marianne Wichers in Baarn, 1939.

Na de bevrijding

‘In Banjoebiroe vloog een Brits vliegtuig laag over en het wiebelde met zijn vleugels. Dit was een goed voorteken. Op 24 augustus 1945 hoorden we dat we ‘bevrijd’ waren, maar voor onze eigen veiligheid moesten we in het kamp blijven. Ons kamp werd voortdurend aangevallen door Indonesische vrijheidsstrijders, die ons wilden vermoorden. De Brits-Indische Gurkha-brigades kwamen ons nog net op tijd bevrijden en verdedigden ons kamp samen met onze Japanse oud-kampbewakers. Van deze Britse soldaten hoorden we dat de atoombommen waren gevallen en waren dankbaar dat dit had geleid tot de Japanse overgave, anders hadden we dit kamp niet overleefd. Zij verdedigden ook ons treintransport naar Semarang en uiteindelijk zijn we onder hun begeleiding veilig in Bandoeng aangekomen. Mijn vader had geregeld dat wij persoonlijk werden begeleid door een knappe jonge marineofficier. Ik vroeg hem meteen: “Bent u soms mijn vader?” In Bandoeng moesten wij op vader wachten in een hotelkamer. Ik herinneren mij goed hoe mijn moeder schrok en in tranen uitbarstte, toen zij zichzelf voor het eerst na al die oorlogsjaren zo mager en gerimpeld weer in de spiegel zag. Ze riep huilend: “Hoe kan ik nu mijn man onder ogen komen?” Mijn vader had altijd eerbied gehad voor mijn moeder en haar schoonheid bewonderd.’

Zoon Andries Wichers, Marianne Batault-Wichers en zoon Jan Jacob Boom-Wichers, 1997.

Andere verhoudingen

‘Bij het weerzien omhelsde vader mij als eerste. Hij zei: “Ben jij mijn Marianneke?” en ik antwoordde: “Dan ben jij mijn pappa!” Hij had in het militaire kamp Makassar gevangen gezeten. Ook hij was sterk vermagerd en serieuzer. De mannen hadden het kamp overleefd met verlangens naar en grappen over seks. De vrouwen hadden het overleefd met het delen van recepten en verlangens naar hun mannen en de zorgen om hun zonen in de jongenskampen. Alle verhoudingen waren anders, ook mijn ouders moesten aan elkaar wennen. Mijn zus heeft haar vriend Paul nog opgezocht, maar die had in het kamp ontdekt dat hij homoseksueel was. Een week na de bevrijding bezochten we een tandarts en werden al mijn verrotte melkkiezen getrokken. De tandarts hoopte zo mijn toekomstige kiezen te redden, maar helaas behield ik een slecht gebit.

De Indonesiërs keken ons na de oorlog met ogen vol haat aan. Ons was alles afgenomen, we hadden drieënhalf jaar in barakken opgesloten gezeten en we moesten opnieuw beginnen. Mijn vader had een huis voor ons geregeld ofwel ‘getjoept’, waar we met drie andere gezinnen woonden. Tijdens deze periode kreeg ik de mazelen. Vader was in Bandoeng het hoofd van de RAPWI, de Recovery of Allied Prisoners of War and Internees, de organisatie die geallieerde krijgsgevangenen en geïnterneerden na de Japanse capitulatie naar veilige plaatsen moest brengen. Eind december 1945 vertrokken we met vader op de Johan van Oldenbarnevelt naar Europa. In Port Saïd kregen we een tas met warme kleding en schoenen voor de winter in Holland uitgereikt. Ik vond die kousen maar kriebelen.’

Aankomst in Nederland

‘Op een koude winterdag in februari 1946 kwamen we via de haven van IJmuiden in Amsterdam aan. Wij trokken in Baarn bij mijn grootmoeder van moederskant in. Alles was nog op de bon. Je moest suikerbonnen opsparen om een taart te maken. Ik werd in de tweede klas van de lagere school geplaatst. Daar lachten ze me soms uit, want ik wist veel dingen niet, omdat ik geen onderwijs had gehad in de kampen. Ook mijn zus heeft het daar moeilijk mee gehad. In augustus 1946 trokken wij in bij onze tante Pfaff in Wassenaar. Na de lagere school ging ik naar het Rijnlands Lyceum te Wassenaar, daar voelde ik me meer op mijn gemak en ging het leren beter. In 1955 behaalde ik er mijn MMS-diploma.’

Een internationaal leven

‘Mijn ouders stuurden me naar het Albert Schweitzer college in Zwitserland. Na een jaar keerde ik terug en haalde bij Schoevers in Amsterdam het diploma voor directiesecretaresse. Daarna kon ik aan de slag als directiesecretaresse bij het American Business Centre in Amsterdam, een soort Amerikaanse Kamer van Koophandel. Hier leerde ik Willem Boom kennen, met wie ik trouwde in maart 1961. We kregen twee zonen, Andries, geboren in november 1962 en Jan Jacob, geboren in maart 1965. De eerste woont in Savannah, Georgia, in Amerika, de tweede vier etages boven mij in Parijs. Na ons huwelijk werd mijn man overgeplaatst naar Bad Godesberg in Duitsland. En in 1963 werd hij in Parijs geplaatst. Na mijn scheiding hertrouwde ik in 1985 met de Fransman Claude Batault. Hij werkte voor het Franse Ministerie van Buitenlandse Zaken als ambassadeur.’

Claude Batault en Marianne Batault-Wichers, 1998.

Terugblik

‘Wij werden gedwongen lange uren gebogen in de houding te blijven staan onder een brandende zon. Ik heb vrouwen en kinderen zien neervallen en ter plekke dood zien gaan, zonder dat iemand zich mocht bewegen om te helpen. Degenen van mijn generatie die in een Jappenkamp gevangen zijn geweest, hebben dit altijd ervaren als iets waarover je niet mocht en kon praten. Het onderwerp was bij ons thuis taboe. Allen die ik heb ontmoet en die ik ernaar vroeg, hadden dezelfde ervaring. Geen van onze ouders wilde verhalen over het kamp horen of vertellen, want iedereen dacht in die tijd dat het beter voor je was om alles te vergeten. Op school begreep en wist niemand er iets van. Wij hebben alle emoties alleen moeten verwerken. Vrijwel iedere nacht word ik wakker van angstdromen over die oorlogstijd.

Marianne Batault-Wichers (met hoed) vroeg allen bij de herdenkingsceremonie van haar grootvader Jan Jacob Wichers witte kleding te dragen. Singaraja Bali, 2015.

In de zomer van 1994 vroeg ik mijn zoon Jan Jacob: “Wil je liever een gouden horloge cadeau of een reis naar Indonesië voor je afstuderen, zodat ik je de jappenkampen kan laten zien?” Gelukkig koos hij voor dit laatste. We bezochten kamp Banjoebiroe. Alleen de muren waren hetzelfde, maar er was inmiddels een politieschool in gevestigd. Ons eerste oude huis in Malang stond er nog. De geuren zijn hetzelfde gebleven, maar de mooie parken zijn verdwenen. Mijn grootvader Jan Jacob Wichers ligt op Bali begraven. In 2015 heb ik zijn graf in ere hersteld en een prachtige protestantse herdenkingsdienst laten houden. Ook mijn zoon Andries en zijn dochter en de kinderen en kleinkinderen van mijn zus Catherine uit Nieuw Zeeland waren hierbij aanwezig. Dat was een bijzonder afscheid en het was goed om haar kinderen en kleinkinderen te spreken en hun vragen over het familieverleden te kunnen beantwoorden. Achteraf heb ik veel respect voor mijn ouders. Zij klaagden later nooit dat zij alles hadden verloren, maar de keerzijde daarvan was dat alles over de oorlog taboe bleef.’

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak, December 2020.