"In een oorlog moet je de dingen een beetje anders zien"

In gesprek met... Majoor Bosshardt

Alida Margaretha Bosshardt (91), beter bekend als majoor Bosshardt, is het gezicht van het Leger des Heils in Nederland. Zij is opgeklommen tot luitenant-kolonel, maar noemt zichzelf nog altijd majoor. Majoor Bosshardt verwierf grote faam met de opzet van het maatschappelijk werk van het Leger in de rosse buurt van Amsterdam. Beroemd werd de foto uit 1965 van Prinses Beatrix die door de majoor werd rondgeleid op de wallen in Amsterdam. In augustus 2004 ontving zij de Yad Vashem-onderscheiding voor haar hulp aan de joodse gemeenschap in de Tweede Wereldoorlog. Majoor Bosshardt vertelt over haar werk voor het Leger tijdens de oorlog.

Majoor Bosshardt.
Majoor Bosshardt.

Het leger

“Ik ben geboren op 8 juni 1913 in Utrecht en kom uit een eenvoudig Nederlands-Hervormd middenstandsgezin. Toen ik twaalf jaar was bekeerde mijn vader zich tot het katholieke geloof. Hij werd hiervoor bij de overwegend protestantse redactie van het Utrechtsch Nieuwsblad als journalist ontslagen. Een paar jaar later kon hij aan de slag bij de katholieke Utrechtsche Courant. Ik wilde direct na de lagere school gaan werken en werd voor één rijksdaalder in de week inpakster in een manufacturenwinkel. Op mijn achttiende nam de vriendin van mijn neef mij mee naar een bijeenkomst van het Leger des Heils. De praktische kant van het Leger sprak me aan: help mensen eerst aan eten en een dak boven hun hoofd, breng daarna pas de boodschap over. Mijn ouders vonden het geen goed plan dat ik bij het Leger ging. Maar toen ik dan toch de gelofte aflegde en heilsoldate werd, kreeg ik van mijn vader mijn eerste uniform. Omdat ik graag officier wilde worden, ging ik in 1934 naar de kweekschool van het Leger in Amstelveen. In een boekje moest je bijhouden wat je had gedaan. “Strijdkreten verkopen”, daar was ik heel goed in.

Het onderdeel “Zielen bekeerd” heb ik nooit ingevuld. Als er al zielen werden bekeerd dan vond ik niet dat ik dat had gedaan, want dat doet God door zijn geest. In 1936 werd ik na mijn opleiding op een evangeliepost in Rotterdam-Noord geplaatst. Het klikte niet met mijn bevelvoerend officier, een oudere chagrijnige vrouw. Na een half jaar werd ik overgeplaatst naar Kindertehuis Zonnehoek aan de Rapenburgerstraat midden in de jodenbuurt in Amsterdam. Daar heb ik een heerlijke tijd gehad, omdat ik het gevoel had nodig te zijn voor de kinderen. We hadden veertig vrouwen in huis en honderd kinderen.”

Oorlog

“’s Morgens vroeg op 10 mei 1940 vertelde de directrice van het kindertehuis, mevrouw Raven, ons dat de oorlog was uitgebroken. Ik hoopte dat ik nu niet naar de groenteveiling hoefde te gaan, maar ze stuurde me toch op pad: ‘Ook in een oorlog moeten we iets eten!’ Drie keer in de week liep ik met een kar alle tuinders op de groenteveiling af en kwam terug met een volle kar. Op die bewuste dag liep ik achter het Paleis, toen het luchtalarm ging. Onder het postkantoor moest ik voor het eerst een schuilkelder in. ‘Straks stelen ze al mijn groenten!’ dacht ik, me niet realiserend dat íedereen de schuilkelder in moest. Toen ik boven de grond kwam, stond mijn volle groentekar er gelukkig nog. Op de dag van de capitulatie, 15 mei 1940, belde ik mijn vader. ‘Fijn hè, dat het voorbij is,’ zei ik. Maar hij wist beter: ‘Nu begint het pas!”

Helpen onderduiken

“Het Leger werd in 1941 door de Duitsers verboden, maar Zonnehoek bleef functioneren als een particulier kindertehuis. In onze buurt werden veel joodse mensen opgepakt. Zij brachten hun kleine kinderen, vooral baby’s, bij ons om ze te laten onderduiken. Van de ondergrondse kregen we onderduikadressen, waar we de kinderen zo snel mogelijk heenbrachten. Ik bracht de kinderen op de fiets soms tot over de IJssel bij gastgezinnen. Verspreid over de oorlogsjaren heb ik in totaal misschien wel zo’n vijfenzeventig kinderen, voornamelijk baby’s, weggebracht. Op een dag in het eerste oorlogsjaar, kwam er een joodse vrouw bij ons met een baby die Sam heette. Zij moest met haar man onderduiken, maar vond het onveilig om de baby mee te nemen. Ze overhandigde me de baby met een mooi geborduurd lakentje waarop zijn naam stond. Ik moest ervoor zorgen dat dit altijd bij hem zou blijven. Ik wikkelde het in pakpapier en bewaarde het in een kast totdat ik de baby naar zijn onderduikadres bracht. Ik liet de baby op de stoep van een huis in Laren achter en stopte het lakentje bij hem. Vijfentwintig jaar later hoorde ik de afloop van dit verhaal van de moeder zelf. Zij was met haar man ondergedoken in het oosten van het land en op een zomeravond in 1944 zaten ze in de tuin te praten met hun gastgezin. ‘We hebben eigenlijk nog een zoontje, hij zal nu vier jaar zijn,’ zei ze. Waarop de vrouw des huizes antwoordde: ‘Hier even verderop woont een gezin dat een joods jongetje van die leeftijd in huis heeft.’ Toen zijn ze gaan vragen of bij dat jongetje ook een lakentje was meegegeven. En ja hoor, hij was het! Ik heb ook eens een joodse baby in een rieten mand meegenomen op de fiets en kreeg een lift van een Duitser met een vrachtwagen. ‘Wat zit er in de mand?’ vroeg de chauffeur. ‘O, dat is heel breekbaar, doe maar voorzichtig,’ antwoordde ik. Hij dacht waarschijnlijk dat het eieren waren. Bang was ik niet, maar ik bad vurig dat het kindje niet zou gaan huilen.”

Opgepakt en opgesloten

“Het kindertehuis verhuisde naar Amsterdam-Noord. Naast ons woonde een gezin met elf kinderen. Op 1 juli 1943 kwamen zeven van die kinderen om bij een bombardement. De bommen vielen om ons heen en raakten de Rosakerk, waar net een feestelijke plechtigheid aan de gang was waar dat gezin ook bij was. Die ouders hadden zoveel verdriet. Onze kinderen ontsnapten als door een wonder aan de ramp. We zijn diezelfde middag geëvacueerd. Omdat we zoveel mogelijk wilden meenemen, kleedden we de kinderen dik aan. Woedend waren ze want het was snikheet. Een jongetje zei: “Ik ga het tegen Sinterklaas zeggen!” We gingen met een grote groep kinderen naar het Centraal Station, waar we ons ’s nachts hebben verscholen. De trein vertrok de volgende ochtend pas naar Hilversum, waar we een tijdje verbleven in tenten op het terrein van een aannemersbedrijf. Omdat er geen geld was om eten voor de kinderen te kopen begon ik in die tijd ook weer met collecteren, hoewel dat verboden was. In Beverwijk kwam ik aan de deur bij een rijke freule. Achteraf bleek haar dochter lid van de NSB. Hoogstwaarschijnlijk heeft haar dochter bij de Duitsers gemeld dat ik collecteerde voor het Leger des Heils. Na de oorlog werd me gevraagd of ik mijn verraadster wilde laten vervolgen. Ik heb haar niet aangegeven. Ze zal, omdat ze lid was van de NSB, haar straf hoe dan ook wel hebben gekregen. Ik werd door de Grüne Polizei opgepakt en opgesloten in het oude huis van de familie Dreesmann in Bussum, dat door de Duitsers als politiepost werd gebruikt. Een paar weken zat ik opgesloten en werd ik iedere ochtend verhoord door een Duitse commandant. Het was geen kwaadwillende man. Niet alle Duitsers waren slecht, dat vond ik toen ook al. Zij zaten in een systeem en waren daar uiteindelijk ook slachtoffer van. Hij vroeg voortdurend of ik gecollecteerd had voor het Leger des Heils. Ik antwoordde telkens: “Het Internationale Leger des Heils is in Nederland dan wel verboden, maar in andere landen bestaat het nog. Als de oorlog voorbij is, trek ik gewoon mijn uniform weer aan.” Ik werd niet slecht behandeld. Ik vond het alleen erg dat mijn ouders niet wisten waar ik was, die bleken achteraf ook vreselijk ongerust te zijn geweest. Na enkele weken liet de commandant me, na een verhoor, alleen achter met de deur open. Heel rustig ben ik naar buiten gewandeld. Zodra ik op straat kwam, ging ik een fietsenwinkel binnen. De eigenaar van de fietsenwinkel heeft een lift voor me geregeld naar Hilversum. Het eerste wat ik deed toen ik in Hilversum kwam, was voor mezelf een bosje bloemen kopen. Het kindertehuis was niet blij met mijn terugkeer. ‘Je brengt ons allemaal in gevaar,’ zei majoor Raven, die verwachtte dat de Duitsers elk moment voor de deur konden staan om mij op te pakken. Ze stuurde me weg. Ik had geen idee waar ik heen moest gaan. Ik vond onderdak in Beverwijk bij een kennis, een jonge weduwnaar. Om praatjes te voorkomen mocht ik er wel overdag zijn, maar ’s nachts niet. Het was juli 1944 dus ik sliep in de duinen onder een slaapzak en een stukje zeildoek. ’s Ochtends kon ik me wassen bij mijn gastheer en kreeg ik een ontbijt van zijn huishoudster.”

Hongerwinter

“De zomer liep ten einde en ik was het zat om buiten te slapen. Ik ging terug naar het inmiddels naar Amsterdam teruggekeerde kindertehuis en dit keer mocht ik blijven. Ik kreeg de meest uiteenlopende taken. We kregen van bedrijven bakken met eten, die we in de buurt uitdeelden. Van de hongerwinter herinner ik me nog dat ze me op Kattenburg bijna platdrukten toen ik voedsel uitdeelde. Ik trok er vaak met een fiets met houten banden op uit om voor de kinderen voedsel op het platteland te gaan halen. Er is gelukkig geen kind uit ons tehuis gestorven van de honger! We kregen hulp van alle kanten. Uit Brazilië kreeg ik pakjes sigaretten toegestuurd, die ik voor aardappels ruilde. Dat vertelde ik niet tegen majoor Raven, want die was streng in de leer: ‘Een heilsoldaat rookt niet en drinkt geen sterke drank.’ Ik voelde me bezwaard over mijn leugentje en schreef mijn vader daarover. Hij schreef: ‘In een oorlog moet je de dingen een beetje anders zien!’”

Bevrijd

“Om de bevrijders te kunnen begroeten liep ik op 7 mei 1945 met de kinderen op de Dam. We hadden allemaal oranje  strikken in ons haar gedaan. Plotseling hoorde ik in de verte de schietpartij bij de Grote Club. ‘Snel de Damstraat in!’ dacht ik en nam alle kinderen met me mee, waardoor we niets gezien hebben van de schietpartij. Vijf dagen voor de bevrijding werd mijn vader bewusteloos met een enorme schotwond naar mijn moeder gebracht. Kort daarna is hij overleden. Met vier andere journalisten kreeg hij de kogel, de anderen waren in een keer dood, alleen mijn vader was zwaar gewond. Waarvoor hij precies de kogel heeft gekregen weten we nog steeds niet. Ik ben halsoverkop bij een Canadees achter op de motor naar Utrecht gegaan om er voor mijn moeder te zijn in de periode rond de begrafenis. Na de oorlog ging ik vanuit het hoofdkwartier in Amsterdam op zoek naar de verblijfplaats van joodse kinderen die we hadden weggebracht. Soms waren ze lastig te traceren omdat ze van adres waren veranderd. Vooraf hadden we ze een herkenningsteken meegeven, bijvoorbeeld een armbandje of een zakdoekje. Zo hebben we er uiteindelijk veel teruggevonden.”

Anders dan anderen

“In 1948 vroeg ik meerdere malen aan het hoofdkwartier: ‘Waarom doet het Leger niets voor de armen en de prostituees in de binnenstad?’ Na lang aandringen kreeg ik uiteindelijk honderd gulden mee, een Legervlag waarop ‘Goodwill’ stond en een Engelstalig foldertje over wat Goodwillwerk precies inhield. Ik mocht in de rosse buurt een post van het Leger des Heils vestigen. Ik moest zelf maar zien hoe ik de financiën rond kreeg. Ik begon met een handjevol heilsoldaten. We trokken ’s nachts de cafés en bordelen in met de collectebus en de Strijdkreet. Het ‘Goodwillcentrum’ moest een geestelijk en maatschappelijk hulpcentrum worden voor alle mensen, zonder aanzien des persoons. Het werk in de rosse buurt van Amsterdam trok vrijwel meteen de aandacht van de pers. In 1959 kwam ik voor de eerste keer op televisie in het programma ‘Anders dan Anderen’ van Bert Garthoff. Deze presentator had allerlei mensen rondom mij en mijn werk uitgenodigd. Er waren ook vrouwen ‘uit het leven’ uitgenodigd en dat was in die tijd een heel gewaagd onderwerp. Maar het pakte erg goed uit. Op een gegeven moment zei ik dat we bij het Goodwillcentrum behoefte hadden aan een opvangcentrum voor daken thuislozen en dat we nog heel veel geld en spullen nodig hadden. Vanaf dat moment stond de telefoon in de regiekamer roodgloeiend. Het begon met iemand die bedden aanbood, vervolgens gaf iemand ons matrassen en een ander wilde dekens bezorgen. Je kon het zo gek niet bedenken of het werd aangeboden. Aan het eind van de uitzending mocht ik ons gironummer noemen, waarop vervolgens duizenden guldens zijn binnengestroomd.”

Hierna kan het nooit meer

“In 1965 kwam ik prinses Beatrix in een restaurant in Amsterdam tegen en toen nodigde ze me uit aan haar tafeltje. Ze vroeg: “Ik zou zo graag eens met u mee willen op een rondgang door de buurt.” Ik zei dat ze altijd welkom was, maar dacht tegelijkertijd: daar hoor ik nooit meer wat van. Op een dag werd ik gebeld door iemand van haar staf voor een afspraak. Dinsdag 28 april 1965 belde prinses Beatrix om half vier bij me aan. Nadat ik haar tomatensoep had gegeven, vroeg ik: ‘Hoe stelt u zich dat nou voor? Ik heb begrepen dat u vanavond met mij over straat wilt, maar bent u niet bang om herkend te worden?’ ‘Ik wil graag precies hetzelfde programma meedraaien dat u op andere avonden ook heeft,’ zei ze. Ze vermomde zich met een pruik, een bril en een regenjas. Op straat herkende niemand haar. Na een aantal bezoekjes aan kleinbehuisde arme gezinnen en een vrouw uit ‘het leven’ in de binnenstad, begonnen we met de verkoop van de Strijdkreet in de cafés en bordelen. In een café herkende een fotograaf haar. Om hem te ontlopen, stelde ik voor onze tocht te beëindigen. Prinses Beatrix wilde van geen ophouden weten: ‘Hierna kan het nooit meer!’ zei ze. Telegraaffotograaf Peter Zonneveld achtervolgde ons en maakte de foto van zijn leven. Achteraf was het goede reclame voor het Koninklijk Huis en voor het Leger des Heils.”

Prinses Beatrix en Majoor Bosshardt, met de Strijdkreet op pad door nachtelijk Amsterdam. Foto: Peter Zonneveld.
Prinses Beatrix en Majoor Bosshardt, met de Strijdkreet op pad door nachtelijk Amsterdam. Foto: Peter Zonneveld.

Yad Vashem-onderscheiding

“Het was moeilijk om op mijn 88e te stoppen met mijn caférondes. Nadat ik een keer bijna werd overreden door een tram die ik niet aan hoorde komen, was ik ineens van het idee genezen nog verder te gaan. Ik woon nu in de Goodwillburgh, een bejaardenhof van het Leger dat ik in 1975 in de Anne Frankstraat heb gesticht. Vorig jaar vierde ik mijn negentigste verjaardag. Ik had ook een aantal joodse kinderen uitgenodigd, die ik in de oorlog onder mijn hoede had. Deze kinderen, inmiddels ook in de zestig, hebben dit jaar het initiatief genomen om mij een Yad Vashem-onderscheiding toe te kennen voor mijn hulp aan de joodse gemeenschap tijdens de Tweede Wereldoorlog. Op 30 augustus 2004 kreeg ik van de Israëlische ambassadeur deze ‘Righteous Among the Nations’-onderscheiding. Veel mensen die ik al jaren kende wisten niet dat ik kinderen had weggebracht in de oorlog. Voor mij zat er niet zo’n scheidslijn in. Ik was altijd al bezig voor anderen en in die oorlogsperiode ook. Ik noemde het geen verzet, ik hielp kinderen in nood die bij het Leger gebracht waren. Ik heb nooit gedacht dat ik in gevaar was. Mijn moeder stierf altijd wel duizend doden om mij. Door de publiciteit rond de Yad Vashem-uitreiking kwamen veel oorlogsherinneringen naar boven. Ik kreeg mooie reacties en verhalen van kinderen uit die tijd, die de ontbrekende schakels voor mij konden invullen. Dat heeft me rust gegeven. Als ik het over mocht doen zou ik zo weer voor een carrière bij het Leger kiezen. Om niet stijf te worden loop ik iedere dag een half uur met mijn rollator, met daarin een aantal Strijdkreten, op straat en iedereen die me aanspreekt krijgt er een. Ik wil niet thuis achter de geraniums blijven zitten, want ik hou nog steeds zoveel van mensen!”

Marjoor Bosshardt in haar woning, een bejaardenhof van het Leger

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak December 2004