Nooit meer Auschwitz Lezing 2010

Rechter Louise Arbour pleit voor eerder ingrijpen bij conflicten

Op Holocaust Memorial Day, 27 januari 2010, zal de voorzitter van de International Crisis Group, Louise Arbour, de Nooit meer Auschwitz Lezing houden in het Koninklijk Instituut voor de Tropen te Amsterdam. Van 1996 tot 1999 was Louise Arbour hoofdaanklager van de internationale oorlogstribunalen voor het voormalige Joegoslavië en voor Rwanda. Zij klaagde de grote verdachten van oorlogsmisdaden aan, waaronder Milosevic, de oud-president van Servië. Arbour eiste internationale politieke en militaire samenwerking en liet verdachten daadwerkelijk arresteren en berechten. Daarmee gaf zij de internationale tribunalen voor oorlogsmisdaden een stevige basis en verbeterde hun reputatie. Hier volgt een interview met Louise Arbour ter introductie van haar lezing.

Louise Arbour, 2009
Foto: Ellen Lock

Waar komt uw bevlogenheid voor het juridische vak vandaan?

Na een klassieke opleiding in Canada ging ik rechten studeren. Vanaf het eerste moment vond ik het interessant om over morele en ethische kwesties na te denken. Ik was vooral geïnteresseerd in publiek en strafrecht, maar ik had nooit gedacht dat ik het zou schoppen tot rechter van het Canadese Hooggerechtshof. Als kind identificeerde ik me met de stripheld Kuifje die de hele wereld rondreisde. Zoveel reizen wilde ik later ook wel. Mijn jeugddroom is aardig uitgekomen, want in vrijwel al mijn recente functies reisde ik de hele wereld rond.’

Hoe raakte u betrokken als hoofdaanklager bij de Tribunalen voor het voormalige Joegoslavië en voor Rwanda?

'In 1995, toen ik rechter was in Toronto, hoorde ik voor het eerst van de oprichting van het internationale tribunaal in Den Haag. Naar mijn idee betekende dit een ware revolutie in het internationale strafrecht. Sinds Tokio en Neurenberg was er geen internationaal tribunaal meer geweest, omdat er nooit overeenstemming was tussen de lidstaten van de Verenigde Naties over een permanent oorlogstribunaal. In 2004 vroeg de Zuid-Afrikaanse rechter Richard Goldstone mij of ik geïnteresseerd zou zijn om zijn opvolger te worden als hoofdaanklager van de Tribunalen voor het voormalige Joegoslavië en voor Rwanda en hij gaf mijn naam door aan de Secretaris-Generaal. Het was precies de mix die ik altijd interessant had gevonden: internationaal strafrecht en praktijkzaken over schendingen van mensenrechten. Bij mijn aantreden trof ik een niet al te goed functionerend Tribunaal aan; de processen vorderden nauwelijks en de weinige verdachten die vastzaten waren de zogenoemde ‘kleine vissen’. Even was ik bang dat het Tribunaal slechts een papieren tijger zou blijven. We wisten waar de verdachten zaten, maar ze bevonden zich op het grondgebied van staten die niet wilden samenwerken om hen te arresteren. Als we de verdachten niet zouden kunnen aanhouden, zou het Tribunaal niet eens kunnen functioneren. We veranderden van strategie en gingen ons concentreren op het onderzoek naar de ‘grote vissen’, de hoofdverdachten die verantwoordelijk werden gehouden voor de planning en uitvoering van de ergste wreedheden. Daarnaast begonnen we met het geheim houden van onze aanhoudingen, wat het voor de NATO-troepen in Bosnië gemakkelijker maakte om verdachten op te pakken. Deze strategie bleek effectief en veel aangeklaagden van oorlogsmisdaden werden voor het Haagse Tribunaal gebracht. Dit alles leidde weer tot betere internationale samenwerking tussen militaire inlichtingendiensten en het Tribunaal, en vergrootte ook de geloofwaardigheid en effectiviteit van het Tribunaal. Op 27 mei 1999 werd Slobodan Milosevic uiteindelijk aangeklaagd en beschuldigd van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Vervolgens werd hij door de Servische autoriteiten overgedragen aan het Tribunaal en berecht in Den Haag. Hij stierf in gevangenschap voordat de rechtszaak was afgerond. Toch markeerde zijn zaak het einde van een tijdperk waarin politieke en militaire leiders ongestraft konden blijven.’

Hoe kreeg u als hoofdaanklager de internationale pers mee voor uw zaak?

'Over het belang van de publieke opinie heb ik veel geleerd van de Tribunalen voor het voormalige Joegoslavië en voor Rwanda. Met mijn strafrechtelijke achtergrond was ik juist gewend om de pers zover mogelijk op afstand te houden, want media-aandacht doet een zaak vaak geen goed. Maar in de praktijk van het Tribunaal pakte dit anders uit. De Amerikaanse satellietfoto’s hadden duidelijk laten zien dat er massagraven waren en de pers had het bestaan van gevangenenkampen gepubliceerd, waar de gruwelen van etnische zuiveringen te zien waren. Er waren grote verwachtingen dat het voormalige Joegoslavië Tribunaal onderzoek zou doen, hoewel we bij veel zaken geen toegang hadden tot het gebied. Eind januari 1999 wilde ik een dorp in Bosnië bezoeken, Racak geheten, waar een paar dagen eerder 45 Kosovaarse Albanezen waren vermoord. Toen de Servische autoriteiten mij bij de grens tegenhielden, zette de ter plekke aanwezige buitenlandse pers mij onder druk om commentaar te geven op deze situatie. Tijdens mijn driedaagse verblijf aan de Kosovaarse grens was er uitgebreide media aandacht voor dit onderwerp. Uiteindelijk lukte het me niet om Kosovo binnen te gaan. Nogal ontmoedigd keerde ik terug naar Den Haag, tot ik de krantenkoppen onder ogen kreeg. In de pers werd pijnlijk duidelijk dat de Serviërs ons er niet wilden doorlaten en dat zelfs Generaal Clark en de NAVO-troepen ons niet hadden kunnen helpen. Tot mijn grote verbazing kreeg het Tribunaal via de media wereldwijd steun van de publieke opinie. Vanaf dat moment kregen we steeds meer medewerking van verschillende kanten en meer steun voor ons onderzoek en voor de lopende zaken.’

Denkt u dat de internationale tribunalen voor het voormalige Joegoslavië en voor Rwanda een preventief effect hebben op genocide?

'Het is moeilijk te meten wat niet is gebeurd. Daarnaast hebben er sinds Tokio en Neurenberg toch een groot aantal volkerenmoorden plaatsgevonden. Ook verzinnen oorlogsmisdadigers steeds weer andere manieren om hun slachtoffers te maken. Er zijn nu bijvoorbeeld meer terroristische groeperingen en kindsoldaten. We moeten hierbij echter bedenken dat zelfs op nationaal niveau strafrecht niet altijd effectief is. Afschrikking is zeker een doel, maar niet het enige. Oorlogsmisdadigers weten nu dat ze er niet zomaar straffeloos mee weg zullen komen. Vijftien jaar geleden was de publieke opinie nog anders. Wrede dictators gingen nog een glorierijke oude dag tegemoet. We wisten precies waar hun luxe vakantieoorden waren, maar er was geen breed internationaal draagvlak en dus geen mogelijkheid om hen te berechten. Inmiddels is de internationale gemeenschap van mening veranderd en zijn de Verenigde Naties bereid om actie te ondernemen.’

Wat is uw mening over een permanent Tribunaal?

‘Het Internationaal Strafhof is, denk ik, de beste koers voorwaarts. Op de langere termijn, zou het ideaal voor het Internationaal Strafhof zijn om echt een universeel strafhof te worden voor oorlogsmisdaden en vergelijkbare vergrijpen. Het Internationaal Strafhof kan nog veel leren van de Tribunalen. Ik ben blij dat ik hoofdaanklager van beide Tribunalen ben geweest, want de zaken waren zo verschillend en moesten dus ook anders worden aangepakt. In het geval van Rwanda waren de grootste misdadigers het land uit gevlucht en waren er veel mensen schuldig aan oorlogsmisdaden op kleinere schaal. Daar rees de vraag: ‘Hoeveel mensen kunnen we berechten in het Internationale Rwanda Tribunaal in Arusha, Tanzania?’ Want dat zou een onbeheersbare kostenpost kunnen gaan worden. Gelukkig ontstond er veel lokaal initiatief in Rwanda om die vele kleine misdadigers ter plekke te berechten. De grote vissen werden berecht in Tanzania. In de zaak van het voormalige Joegoslavië konden we dankzij samenwerking tussen de politiek, het leger en de inlichtingendiensten van de diverse landen veel harde bewijzen verkrijgen op grond waarvan we de verdachten konden laten arresteren en veroordelen. We moeten de geloofwaardigheid van de Tribunalen blijven verbeteren door met goede resultaten te komen, zodat de wereld kan zien dat het zin heeft om deze processen te voeren.’

Van 2004 tot 2008 bent u Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties in Genève geweest. Waar bent u trots op en wat waren de meest frustrerende aspecten van dit werk?

‘Het werk van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten bestond ook nog maar 15 jaar en had voornamelijk van achter het bureau in Genève plaatsgevonden. Ik wilde meer veldwerk laten verrichten, dicht bij de mensen komen die de schendingen van mensenrechten ondervonden. Ik deed dit door mijn teams juist naar de noodgebieden uit te zenden. Als Hoge Commissaris voor de Mensenrechten werkte ik onder het directe mandaat van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, in opdracht van de Secretaris-Generaal, Koffi Annan en vanaf eind 2006 onder zijn opvolger Ban Ki-moon, maar tegelijkertijd had ik te maken met de VN-Veiligheidsraad waar Amerika een grote stem in heeft. Dit leidde vaak tot botsingen van politieke belangen, die op mijn terrein vaak contraproductief werkten. Ik hield me bezig met zeer diverse onderwerpen: discriminatie op grond van ras, sekse, geloof, intolerantie, de bestrijding van armoede en mensenhandel en het recht op huisvesting, onderwijs, cultuur, etc. Deze functie was voornamelijk indirect, dat wil zeggen dat ik vaak moest lobbyen om mijn doelen te bereiken. Als je de Verenigde Naties vertegenwoordigt, werk je onder bepaalde beperkingen. Je presenteert vooral legitieme en politieke argumenten om een bepaald probleem aan te pakken, in de hoop dat de internationale gemeenschap zich achter jouw visie schaart.’

Louise Arbour, Foto: WFA REUTERS/Dennis BaliBouse

Waarom koos u in juli 2009 voor uw huidige baan bij de International Crisis Group in Brussel?

‘Tijdens mijn werk als Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties maakte ik vaak gebruik van hun onafhankelijke rapporten over conflicten of noodsituaties. De International Crisis Group (ICG) is een onafhankelijke internationale adviesorganisatie die preventief crisis- en conflictsituaties probeert te signaleren en pleit voor actie door alle mogelijke betrokkenen uit de Verenigde Naties, de Europese Unie, regionale autoriteiten en nationale regeringen. Er wordt nauw samengewerkt met organisaties die zich inzetten voor de mensenrechten, zoals Amnesty International en Human Rights Watch. De ICG vervult mijn wens om dicht bij de mensen te werken waar het om draait. Er wordt hier juist een kritische houding van mij verwacht en ik heb meer vrijheid van spreken dan in al mijn vorige banen. We werken met 130 professionals wereldwijd, die - als ze niet afkomstig zijn uit het land waar ze werken - tenminste de taal spreken en veel weten over de lokale cultuur. Onze medewerkers doen verslag van de gevaarlijke situaties waar journalisten normaal niet kunnen komen of niet in de belangstelling van de media staan. We concentreren ons op het voorkomen van conflicten en de escalatie ervan.’

U geeft de ‘Nooit meer Auschwitz Lezing’ op 27 januari 2010. Hoe kunnen we genocide voorkomen?

'Het is belangrijk dat de verhalen verteld blijven worden. We zeggen ‘Nooit meer Auschwitz’, nooit meer genocide, terwijl de volkerenmoorden en massale schendingen van de mensenrechten na het Neurenbergse Tribunaal maar bleven doorgaan. Je kunt genocide niet voorkomen met alleen een juridisch concept. Het is goed dat er wereldwijd bijeenkomsten zijn gehouden en afspraken zijn gemaakt over de bescherming van mensenrechten. Die afspraken hebben geleid tot de oprichting van de Tribunalen en het Internationaal Strafhof in Den Haag. Ook deze internationale tribunalen zijn niet in staat om overal mensen te beschermen tegen alle schendingen van mensenrechten, maar de politieke wil is er nu eindelijk om verdachten van oorlogsmisdaden te berechten. Genocide kun je, naar mijn mening, alleen voorkomen door crisissituaties nauwlettend te volgen en door het voor minderheden op te nemen. Zolang er onacceptabele tegenstellingen tussen arm en rijk blijven bestaan en minderheden onvoldoende beschermd worden, kunnen we in crisistijden spanningen en conflicten verwachten. Machtsongelijkheden geven een voedingsbodem voor grieven die snel kunnen omslaan in haat. Als we mensen tijdig kunnen attenderen op deze groeiende haat, kunnen we die haat bestrijden en misschien voorkomen dat het ontaardt in regelrechte agressie en volkerenmoord. Maar het kwaad zal nooit helemaal verdwijnen, dus we moeten wel alert blijven.’

Vindt u het belangrijk dat jonge mensen overal ter wereld aandacht besteden aan de Holocaust Memorial Day?

‘Ja, het is belangrijk om de dag waarop Auschwitz is bevrijd door het Rode Leger met jong en oud overal ter wereld te herdenken. Het is onbegrijpelijk dat deze genocide heeft kunnen plaatsvinden in het hart van Europa. Het kan altijd opnieuw gebeuren, niet alleen in Europa, maar overal ter wereld. We moeten onze solidariteit met de huidige oorlogsslachtoffers betonen en ook aan potentiële slachtoffers van dit moment actief onze steun betuigen. ‘Nooit meer’ was geen constatering: het was een roep om actie. Met alles wat we tot nu toe hebben geleerd van de Tweede Wereldoorlog en alle oorlogen die er op volgden, weten we dat ons handelen al snel te laat kan zijn. Zodra er een groep mensen in een samenleving wordt gestigmatiseerd en mishandeld, moeten we ingrijpen om een volgende genocide te voorkomen.’

Interview: Ellen Lock, PUR-cliëntenblad Aanspraak, december 2009.