Vluchten was onmogelijk

Lotty Huffener-Veffer over haar kampervaringen voor en na het Philips-transport.

Lotty Huffener-Veffer (1921) en haar vader waren diamantbewerkers. Zij waren in dienst bij de firma Asscher in Amsterdam. In de oorlog werden onmisbare gespecialiseerde vakarbeiders aanvankelijk gevrijwaard van deportatie, maar in februari 1943 werd zij uit huis gehaald en in Vught geïnterneerd. 

Haar jongere zus moest in juni 1943 mee met het Kindertransport en haar ouders gingen mee. Bijna anderhalf jaar werkte Lotty in de industriële werkplaats van Kamp Vught bij het zogenoemde Philips Kommando. Een jaar later, op 3 juni 1944, vertrok het laatste transport Joodse vrouwen vanuit Kamp Vught naar Auschwitz. Lotty vertelt hoe zij de Holocaust overleefde.

Lotty Huffener-Veffer, april 2017.
Lotty Huffener-Veffer, april 2017. Foto: Ellen Lock.

Eerst een vak leren

Mijn vader was diamantslijper bij de firma Asscher en mijn moeder was voor haar huwelijk verkoopster bij de Bijenkorf.

Op 10 juli 1921 ben ik geboren in een niet-gelovig Joods gezin in Amsterdam-Oost. Mijn zusje Carla was 7 jaar jonger. Toen ik heel jong was wilde ik toneelspeelster worden, want we speelden veel toneel thuis en mijn vader speelde viool. Na de lagere school ging ik naar de ulo. Daarna ging ik een cursus Frans volgen, maar mijn vader zei: ‘Je moet eerst een vak leren!’ Zo ging ik ook bij de firma Asscher werken en kreeg er een vakopleiding tot diamantsnijdster.

Lotty in de kinderwagen met haar moeder op het balkon, 1922. Foto: Familiealbum Lotty Huffener-Veffer
Lotty in de kinderwagen met haar moeder op het balkon, 1922. Foto: Familiealbum Lotty Huffener-Veffer

Dat is achteraf mijn geluk geweest. Als diamantbewerkers kregen wij naast de ’J’-stempel in onze persoonsbewijzen nog een Sperr-stempel van de Joodse Raad, die ons tijdelijk vrijstelde van de deportatie naar Duitsland omdat we onmisbaar waren in Asschers diamantfabriek.

Lotty met haar ouders op het Scheveningse strand, 1925. Foto: Familiealbum Lotty Huffener-Veffer
Lotty met haar ouders op het Scheveningse strand, 1925. Foto: Familiealbum Lotty Huffener-Veffer.

Niet gegaan

Mijn verloofde Sal en ik zouden gaan trouwen in mei 1940, dat ging dus niet door vanwege het uitbreken van de oorlog op 10 mei. We hadden wel al een onderduikadres geregeld en daar heb ik nog mijn hele uitzet ondergebracht. We waren al in ondertrouw gegaan. We hadden zelfs een trouwdatum en een locatie geregeld, maar toen werd ik tegelijk met alle Joodse diamantbewerkers weggehaald. Op 11 februari 1943 om acht uur ‘s avonds kwam de Grüne Polizei aan de deur om mij op te halen. Ik kreeg geen tijd om wat mee te nemen. In de overvalwagen zaten nog andere diamantbewerkers. Er zouden arbeiders nodig zijn voor een diamantfabriek die ze in kamp Vught wilden opzetten. Ik werd naar de Hollandsche Schouwburg gebracht, de verzamelplaats van waaruit de deportaties plaatsvonden. Daar kwam ik een bekende tegen, die er werkte en hij zei: ‘Als vanavond de tram komt, dan loop je erachter langs door en dan regel ik iemand die je zal opvangen.’ Diezelfde avond zag ik mijn ouders en zusje terug in de Hollandsche Schouwburg. Na een paar uur werden er zoveel mogelijk mensen in de tram gestopt, maar ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om er ongezien tussenuit te knijpen en mijn ouders en zusje uit het oog te verliezen, dus ben ik met ze meegegaan.

Gescheiden in Kamp Vught

Midden in de nacht werden we met andere diamantbewerkersgezinnen naar het Muiderpoortstation gebracht en vertrokken we in een passagierstrein naar station Vught. Daar aangekomen moesten we met ruim tweehonderd gevangenen door het donkere bos lopen en bij de ingang van het kamp al onze bezittingen afgeven. Mannen en vrouwen werden van elkaar gescheiden. Ik sliep met mijn moeder en zusje in een barak in drie bedden boven elkaar. De volgende dag werd mijn zusje in een aparte kinderbarak ondergebracht. We mochten niet meer met elkaar praten. Iedere ochtend om zes uur werden we geteld op appèl. De Hollandse kampbewaaksters waren nog het ergst. Bij de kinderbarak kreeg een moeder haar huilende baby niet stil. De kampbewaakster zei: ‘Die krijg ik wel stil!’ Ze griste de baby uit haar armen en drukte die met het nekje tegen het prikkeldraad dood. Deze wrede kampbewaakster heeft na de oorlog nog lang vastgezeten.

Het Kindertransport

Op zaterdag 5 juni 1943 werd bekend gemaakt dat alle Joodse kinderen die jonger dan 16 waren weg moesten uit het kamp. Ze waren vaak ziek en de bewakers vreesden voor besmettingen. Mijn zusje Carla was precies vijftien en moest op transport. Eén van de ouders mocht mee, maar mijn ouders wilden samen bij haar blijven. Ik wilde dat ook, maar mijn moeder zei: ‘Blijf jij maar hier, dan ben je er tenminste nog als wij terugkomen.’ Tegen de vrouwen die niet met het kindertransport mee hoefden zei ze: ‘Zorgen jullie voor haar?’ De vrouwen troostten me en hielden een oogje in het zeil. Er werd gezegd: ‘Ze komen in een werkkamp en de kinderen zullen er naar school gaan.’

Carla en Lotty Veffer, 1942. Foto: Familiealbum Lotty Huffener-Veffer.
Carla en Lotty Veffer, 1943. Foto: Familiealbum Lotty Huffener-Veffer.

Het Philips Kommando

In Vught bleef ik achter met een groep vrouwen die werd ingezet in een aparte Joodse barak bij het Philips Kommando. Wij werkten alle dagen van de week en moesten ook ’s nachts vaak lang op appèl staan. In deze Philips-werkplaats van Kamp Vught maakten we condensatoren, we soldeerden lampjes en bedrading voor de V2’s. Hoewel we als Joden strikt gescheiden werkten en sliepen van de andere gevangen vrouwen, maakte ik toch kennis met verzetsstrijdster Tineke Guilonard. Zij vroeg me bij hun aankomst in het kamp: ‘Wil jij op Beppie Schuier letten, want zij is hier helemaal alleen?’ Vanaf dat moment zijn de Joodse verzetsvrouw Beppie en ik samen gebleven. We waren even oud, hielpen elkaar en spraken elkaar moed in. 
Ik kreeg een ernstige middenoorontsteking en werd in de ziekenbarak geholpen door dokter Steijns, een aardige Joodse dokter uit Utrecht. Op 15 januari 1944 werden mijn vriendinnen voor het leven, Tineke Guilonard en Louise van de Montel, samen met 72 vrouwen als collectieve straf een nacht opgesloten in ‘de bunker’, een overvolle donkere cel zonder ramen. Zij overleefden dit, al waren er onder de overlevenden velen daarna niet meer in staat tot werken. In de bunker zijn die nacht 10 vrouwen overleden door verstikking en verdrukking.

Jonas Veffer en Catharina Veffer-Stuiver, 1942. Foto: Familiealbum Lotty Huffener-Veffer.
Jonas en Catharina Veffer-Stuiver, 1943. Foto: Familiealbum Lotty Huffener-Veffer.

Het Philips-transport

Plotseling moesten we allemaal aantreden en in de nacht van 2 op 3 juni 1944 vertrokken wij met zo’n vierhonderd Joodse vrouwen met het zogenoemde Philips-transport. De andere gevangen vrouwen vertrokken pas bij de sluiting van het kamp in september 1944. De trein reed in vier dagen rechtstreeks naar Auschwitz. We zaten in een afgesloten goederenwagon. Bij aankomst zag ik bewakers met grote honden op het perron. We moesten ons meteen bij de poort uitkleden, waar we werden bespoten tegen de luizen. Als Philips-groep werden we apart behandeld. Zonder dat de gebruikelijke selectie voor de gaskamers plaatsvond, gingen wij naar het aangrenzende kamp Birkenau. Daar werden we onthaard en werd een nummer op onze onderarm getatoeëerd. Vervolgens moesten we naar een ruimte met douches en wij vreesden dat hier gas zou uitstromen, maar tot onze verbazing kwam er gewoon water uit. Daarna kregen we een gestreepte jurk. We moesten grote tegels sjouwen van de ene kant naar de andere kant van het kamp. Ook hier moesten we urenlang op appèl staan om te worden geteld. Binnen een week werden we als vakarbeiders van Philips naar Reichenbach gebracht om in een Telefunken-fabriek condensatoren voor vliegtuigen te maken.

Gespaard gebleven

In de fabriek luisterde een monteur naar de Engelse radio en informeerde ons over het verloop van de oorlog. Ik ben daar ernstig ziek geworden door tyfus met hoge koorts. Fraulein Gebauer, een kampbewaakster die de oorlog ook afschuwelijk vond, keek op de thermometer en sloeg die meteen af. Zij liet haar meerdere weten dat ik geen koorts had en zo ben ik gespaard gebleven. De volgende dag bracht ze kininepillen voor me mee. In februari 1945 werd de Telefunken-fabriek gebombardeerd. Vanwege de onherstelbare schade aan de fabriek moesten we weg. Er volgde een lange barre tocht door de sneeuw langs diverse kampen in Polen. Tijdens deze dodenmarsen liep ik op twee linker klompen. Veel mensen hadden alleen nog wat verband om hun voeten. Een bewaakster leende me haar laarzen, mits ik deze in goede staat aan haar terug zou geven. Daar ben ik mee door de bergen gelopen. We hebben er nog met zijn twintigen op gespuugd om haar laarzen schoon terug te bezorgen. Onder ons bevonden zich ook Hongaarse en Russische Jodinnen. Het eten was slecht, hompjes brood en wat koolsoep. Onderweg stierven velen van honger, ziekten en uitputting. Een moeder - Miep Scholte ook uit Kamp Vught - miste haar kinderen zo erg dat ze elke dag met een stukje oud brood, groen uitgeslagen van de schimmel, in haar hand rondliep voor als ze haar kinderen weer zou zien. Ze zei altijd: ‘Ze zullen wel honger hebben!’ In de trein die stilstond bij Kamp Bergen-Belsen is ze om dat ene stukje brood vermoord. Bergen-Belsen was zo overvol, dat we daar werden weggestuurd.

Bevrijd

In mei 1945 kwamen we met zo’n paar honderd vrouwen, kaal en in onze kampjurken, samen met onze SS-bewakers bij de grens met Denemarken aan. Op onze reis door Duitsland had niemand van de burgerbevolking een hand naar ons uitgestoken en ontsnappen in je kampjurk was onmogelijk. Graaf Folke Bernadotte was vicepresident van het Zweedse Rode Kruis en regelde dat wij werden geruild tegen krijgsgevangen gemaakte Duitse soldaten. We kwamen vanuit Denemarken met de boot in Malmö aan waar we zes weken in quarantaine moesten. Daarna werden we met de trein naar Göteborg gebracht. Ik had geelzucht en ik kreeg geen hap door mijn keel. We kregen Zweedse les en mochten kleding uitzoeken bij een warenhuis in Göteborg. We kregen met zijn vieren een vakantiehuisje op een camping toegewezen. Pas in augustus mochten we naar ‘huis’. We werden naar Groningen gebracht. Na een overnachting in een kazerne konden wij meeliften in een auto en kwamen uiteindelijk in Rotterdam aan. We wilden naar Amsterdam, maar we hadden helemaal niemand meer waar we terecht konden. We kregen een paardendeken bij een hulpverleningsinstantie aan het Johannes Vermeerplein. Met Beppie bleef ik die eerste nacht in Amsterdam buiten slapen op een bank in de Apollolaan.

Onraad

Via een vroegere buurjongen werd ik naar Bilthoven gebracht, waar ik bij een gezin hard moest werken in het huishouden en moest oppassen. De heer des huizes bleek erg handtastelijk te zijn en ik heb me vaak aan hem moeten ontworstelen. Hij deed altijd de deur op slot, zodat ik daar gevangen zat. De vrouw des huizes vertelde aan mijn latere schoonfamilie, de verzetsfamilie Huffener, dat ze ‘een meisje uit het kamp’ in huis had voor het huishouden. De familie Huffener rook onraad omdat ze me nog nooit buitenshuis hadden gezien. Ze stuurden twee van hun kinderen, Ciska en Joep, op het adres in Bilthoven af om mij te bevrijden. Ciska belde aan toen de heer des huizes er niet was. Ze vroeg of ze mijn kamer eens mocht zien en instrueerde mij om meteen door te lopen naar de achterdeur, die al door haar broer was opengemaakt. Daar stond Joep klaar met een fiets en zo hebben die twee mij samen bevrijd. Voortaan mocht ik bij de verzetsfamilie Huffener wonen en in 1947 trouwde ik met Joep.

Het Kindermonument in Kamp Vught

Dagelijks denk ik aan mijn zusje en mijn ouders. Het gebeurde is zo gruwelijk en niet te bevatten dat ik vaak hoop wakker te worden uit deze nachtmerrie. Dan denk ik: ‘Heb ik het gedroomd of is het echt gebeurd?’ Mijn ouders en zusje zijn in juni 1943 in Sobibor vermoord en mijn verloofde Sal op 22 jarige leeftijd een maand later. In 1989, kort na het overlijden van mijn man, haalden twee kampgenotes uit Vught, Louise Affolter-van de Montel en Tineke Wibaut-Guilonard, me op voor een bijeenkomst in ‘t Nieuwe Kafé op de Dam. Eens per zes weken kwamen daar vrouwelijke ex-gevangenen van verschillende kampen bijeen. Samen met oud-verzetsstrijdster Hetty Voûte richtten wij vieren de Stichting Vriendenkring Nationaal Monument Kamp Vught op. Met Hetty werkte ik samen aan ons initiatief voor een Kindermonument voor de bijna 1.300 Joodse kinderen die vanuit Vught met het Kindertransport zijn gedeporteerd naar Sobibor. In 1990 mocht ik dit Kindermonument onthullen, maar helaas waren mijn kampvriendinnen toen al gestorven. Jaarlijks geef ik voorlichting op lagere scholen. Mijn dochter heeft gedenkstenen voor mijn familie in Sobibor gelegd. Mijn vier kinderen en kleinkinderen spannen zich voor mij en voor diverse herdenkingen in, zonder dat ik het ze hoef te vragen. Daar bof ik enorm mee!

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak juni 2017.