Je moest altijd op je hoede zijn voor de Japanners!

Lies Theil-Martin was kampkind in Tjihapit en Kramat op Java

Lies Theil-Martin blikt terug op haar jeugd als Indisch kampkind: ‘Soms heb ik zelf nog vraagtekens over mijn kamptijd, omdat ik pas zes jaar was toen de oorlog begon. Ik heb het altijd jammer gevonden dat mijn ouders niet met ons over het oorlogsverleden wilden spreken. Alleen de komische voorvallen en stoute dingen die we als kinderen in Indië uithaalden, werden tijdens familiebijeenkomsten opgehaald en daar werd dan smakelijk om gelachen. Iedereen probeerde na de oorlog vooruit te kijken.’ Achteraf drukte de drieënhalf jaar Japanse gevangenschap een groot stempel op haar verdere leven.

‘Je moest in het kamp altijd op je hoede zijn, want als je niet voor de Japanners boog, kreeg je een harde klap. En je was altijd bang dat jouw moeder, tante of grootmoeder zou worden geslagen.’ Lies had graag een normale jeugd in vrijheid gehad, zonder het gemis van haar vader en het gebrek aan eten, medicijnen en onderwijs. ‘Vrij weinig mensen weten dat wij, Europese vrouwen en kinderen, na de oorlog nog bijna een jaar in Engelse quarantaine op Ceylon hebben gezeten, voordat wij naar Nederland mochten vertrekken.’ Ze wil haar Indische oorlogsgeschiedenis doorgeven, want ze merkt dat veel Nederlanders nauwelijks weten wat daar is gebeurd met hun landgenoten.

Lies Theil-Martin, Wassenaar 2024. Foto: Ellen Lock

Vuur

‘Mijn vader, Andries Martin, kwam uit Amerongen. Op zeventienjarige leeftijd vertrok hij naar Nederlands-Indië om bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) in dienst te gaan. Zijn legeropleiding begon in Tjimahi op Java. Om zijn weerbaarheid te trainen nam hij wekelijks schermles bij de heer Krijger. Hij mocht er vaak blijven eten en werd verliefd op diens dochter, Gerda Krijger. Bij die eerste ontmoeting zei hij over haar konijn: “Wat heeft ie mooie vuurrode oogjes!” Sindsdien kreeg hij van zijn aanstaande schoonvader de bijnaam “Vuur”. Mijn moeder werkte tot haar huwelijk als kleuterjuf. In 1931 trouwden ze en ze gingen in het dorp Piroe wonen op de Molukken, vlakbij het eiland Ambon. Ze kregen vier kinderen, van wie ik de tweede dochter ben.

Op 10 december 1935 werd ik in Piroe geboren. Mijn vader moest met een prauw naar Ambon varen om me in het geboorteregister te laten inschrijven als Elisabeth Ciska Martin. In de kerk op Ambon werd ik rooms-katholiek gedoopt. Mijn roepnaam werd Lies. Mijn oudste zus Puk is geboren in Arnhem (1932), mijn broer Cor (1934) op Ambon en mijn zusje Fietje (1939) in Batavia.’

Vader Andries Martin (1906-1995) en moeder Gerda Krijger (1910-2002)
Baby Lies Martin, Piroe, 1935

Ik zie jullie een hele tijd niet

‘Begin maart 1942 begon de Japanse invasie op de noordkust van Java. Op 8 maart 1942 capituleerde het KNIL en werd Nederlands-Indië bezet door Japan. Op dat moment woonden wij in Batavia. Ik was zes jaar en ging pas sinds een paar weken naar school. Mijn moeder verstopte uit voorzorg al onze zilveren voorwerpen en haar sieraden. Mijn vader kwam thuis van het KNIL en werd direct door Japanse soldaten gevangengenomen. Hij mocht niet uit de legerwagen stappen om afscheid te nemen. Hij zwaaide naar ons en riep: “Ik zie jullie een hele tijd niet!”

Niet lang daarna jaagden de Japanners in onze wijk iedereen het huis uit. We konden alleen het hoognodige in een rugtasje meenemen. Onze hond, kat en duiven moesten we achterlaten. In een betjak (fietstaxi) zijn we naar vrienden gegaan. Zodra het mogelijk was, heeft moeder thuis nog wat kleding en spullen opgehaald. Daarna zijn we met mijn grootmoeder Krijger en moeders zus Betsie naar Bandoeng gevlucht, naar de Orchideelaan in de Europese wijk Tjihapit, waar moeders broer Leo woonde. Oom Leo had verkering met tante Jopie de Vries. In het ouderlijk huis van tante Jopie werden wij met zijn allen opgevangen.’

We kregen allemaal een kampnummer

‘In november 1942 omheinden de Japanners de woonwijk Tjihapit met een hoge bamboe afrastering en prikkeldraad. We konden het kamp niet meer uit. We kregen allemaal een kampnummer dat je op je borst moest dragen. Mijn nummer was 15752. De Japanners hadden alle kooktoestellen weggehaald, omdat je het eten in de gaarkeuken moest halen. Als je te laat was in de rij kreeg je niets. Vindingrijk maakte mijn moeder een kooktoestel van een oude fietspomp die ze aan een gasbuis vastmaakte. In de pompbuis maakte ze gaten, waardoor zij toch op gas kon koken. Achteraf was dit natuurlijk levensgevaarlijk vanwege het ontploffingsgevaar.

Vanaf mijn zevende jaar kreeg ik last van hevige migraineaanvallen. De kamparts had geen medicijnen hiertegen, maar adviseerde moeder om mij tegen de hoofdpijn gestampte eierschillen te geven. Dagelijks at ik die met tegenzin op. We gingen niet naar school, want het onderwijs was door de Japanners verboden. Mijn moeder tekende wel stiekem sommen in het zand, zodat ze ons toch leerde rekenen. Ook vertelde ze ons veel over aardrijkskunde en geschiedenis. Bij ons in Tjihapit trad de cabaretière Corrie Vonk op zolang het mocht van de Jap. Ze was net met haar man, de cabaretier Wim Kan, op tournee in Nederlands-Indië toen de oorlog uitbrak. Ze beurde iedereen op met haar cabaretvoorstellingen en Hollandse liedjes. Na de oorlog hoorden we dat Wim Kan - evenals mijn vader - als dwangarbeider aan de Birmaspoorweg had gewerkt.’

Zorg voor mijn zieke grootmoeder

‘Mijn grootmoeder kreeg ernstige difterie. Zij moest naar het kampziekenhuis naast het Ursulinenklooster in Tjihapit. De zusters Ursulinen verzorgden de patiënten. In het kampziekenhuis ontmoette mijn moeder een non die zij nog kende van haar kleuterleidsteropleiding. Deze bevriende non vond het goed dat ik mijn oma ter afleiding verhalen voorlas. Ook al was het onderwijs verboden, zo regelde moeder toch dagelijks een leesuur voor mij als ‘zorg voor mijn zieke grootmoeder’.

Op een dag lag mijn grootmoeder op bed met haar ogen gesloten. Zo lag ze wel vaker te rusten tijdens het voorlezen, dus ik las wel een uur door. De bevriende non liep langs op haar ronde en zag dat mijn grootmoeder was overleden. Ze haalde snel mijn moeder om mij dit slechte nieuws te brengen. Als kind was ik flink geschrokken, want ik begreep niet dat ze zomaar dood was gegaan, zonder dat ik dit had gemerkt. Mijn moeder en tante Jopie kregen toestemming van de Japanners om haar te begraven buiten het kamp. Wij kinderen mochten niet mee.’

Altijd in angst

‘Op een dag in mei 1945 moesten we ineens onaangekondigd met de Japanse soldaten mee naar het station. In de overvolle, geblindeerde trein was geen toilet dus het stonk er enorm, want iedereen deed zijn behoefte in een hoek van de wagon. Na deze vreselijke treinreis kwamen we in Batavia aan en werden we naar het vrouwenkamp in de Europese woonwijk Kramat gebracht. Ook dit kamp was geheel afgesloten en werd permanent door Japanners bewaakt. Moeder had dagelijks corvee in de gaarkeuken of in de moestuin. Mijn dagelijkse corveetaak was het gras bijknippen met een bamboemesje. Als een vrouw niet deed wat de Japanners haar opdroegen, werd ze hard geslagen waar iedereen bij was. Wij kinderen huilden dan zo stil mogelijk. Als je als kind iets verkeerd deed, werd je moeder geslagen. Ik zat altijd in angst dat ze mijn moeder zouden slaan of weghalen. Vooral als de Japanners ’s avonds laat hun ronde maakten, moesten de vrouwen op hun hoede zijn. Eens was er een meisje van zestien jaar die een Japanner niet groette. Voor straf hing hij haar met een touw aan een boom in de brandende zon, waarbij haar tenen maar net de grond raakten. Zodra deze bewaker weg was, zetten mijn broer Cor en ik snel een kistje onder haar voeten. Uren later werd ze slap van uitputting losgemaakt.

We kregen structureel te weinig rijst of sagopap en nauwelijks vitaminen, waardoor we weinig weerstand hadden tegen de besmettelijke kampziektes. Daarom ruilde mijn moeder ‘s nachts stiekem kleding voor een kip of groente met de lokale bevolking over de kampomheining. Ze probeerde onze aandacht van de honger af te leiden met klusjes voor anderen. Ze liet ons bijvoorbeeld in de rij staan voor eten, afwassen in de gaarkeuken en eten halen voor de ouderen.’

Na onze bevrijding waren we nog niet vrij

‘Na half augustus 1945 waren de Japanners opmerkelijk minder streng en kregen we wat meer te eten. Opeens verschenen er twee vliegtuigen met zwaaiende bevrijders laag boven het kamp. Alle vrouwen en kinderen juichten. Razendsnel naaiden de vrouwen de rood, wit en blauwe banen van een stiekem bewaarde verknipte Nederlandse vlag aaneen. Ze zwaaiden met de vlag terug naar de vliegtuigen.

Eind augustus 1945 werd Kramat bevrijd door de Engelsen, maar na onze bevrijding waren we nog niet vrij. Voor onze veiligheid moesten we van de Japanse kampcommandant in het kamp blijven, want buiten het kamp was het te gevaarlijk. De Japanners beschermden ons nu tegen de aanvallen op het kamp van Indonesische vrijheidsstrijders die het op de Europeanen hadden gemunt. In oktober 1945 werden we door Brits-Indische legertrucks overgebracht naar de beschermde Britse legeropvang in de haven van Batavia, Tandjong Priok. Onderweg in de legertruck lagen we onder matrassen, omdat we werden bekogeld door de Indonesische vrijheidsstrijders met stenen, messen en speren.’

In Engelse quarantaine op Ceylon

‘Pas na bijna een jaar vertrokken we aan boord van het passagiersschip Nieuw Amsterdam naar Nederland. Eind november 1946 kwamen we in de haven van Rotterdam aan en ik was toen bijna 11 jaar. Opeens riep de kapitein om dat mijn moeder als eerste naar de kade moest komen. Daarop liet mijn moeder ons achter bij een kennis en ze verdween in de menigte passagiers. Wij vieren waren helemaal overstuur, omdat we dachten dat onze moeder ons voorgoed achterliet. Eenmaal op de kade zagen wij moeder bij mijn vader, die op een brancard lag. Eindelijk hadden we elkaar teruggevonden, want we wisten zo lang niet of iedereen nog in leven was. Hij was sterk vermagerd en ernstig ziek van een ontstoken beenwond. Aanvankelijk had hij als dwangarbeider aan de Birma-spoorweg gewerkt. Aansluitend had hij in de Japanse mijnen in Fukuoka moeten werken. Daar kreeg hij een grote balk op zijn been met als gevolg een enorme wond. Hij ging meteen naar een militair ziekenhuis in Den Haag, waar ze hem opereerden. Hij bleef voorgoed mank lopen. Wij werden met moeder opgevangen in Huize Groenendaal, een kasteel in Hilversum. Daarna zijn we naar Scheveningen gegaan naar een opvanghuis in de Badhuisstraat.’

Lies Martin, 16 jaar, Curaçao 1951

Naar Curaçao

Nadat mijn vader was aangesterkt vertrok hij naar Curaçao, want hij had voor zes jaar getekend bij de Koninklijke Marine om zijn gezin een betere toekomst te geven. Omdat hij slecht kon lopen, kreeg hij er een kantoorfunctie. Wij mochten bij hem wonen op de Marinebasis. In die tijd is mijn oom Leo naar Indonesië gegaan. Hij heeft al ons zilver en moeders sieraden teruggevonden en naar ons op Curaçao gestuurd. Dat was een grote verrassing voor mijn ouders.

In de oorlog had ik drieënhalf jaar onderwijs gemist. Op Curaçao moest ik nog twee jaar naar de lagere school. Daarna ging ik er twee jaar naar de openbare mulo. In 1952 ging mijn moeder met de kinderen terug naar Nederland. Jammer genoeg bleef vader achter voor zijn werk. Eenmaal weer in Nederland kreeg hij een baan bij het Ministerie van Oorlog. Hij ging op huizenjacht en vond een huis voor ons in de Sterappelstraat te Den Haag. In de avonduren leerde hij verder. Helaas lukte het mij niet om het mulodiploma te halen vanwege hevige migraineaanvallen. Uiteindelijk besloot ik een Schoevers-avondcursus steno en typen te doen en daarna boekhouden. Dat is me gelukt en mijn vader was trots op mij. Als hij en ik alleen waren kon ik beter met hem praten, heel soms ook over Indië. Verder sprak hij er niet over met mijn moeder. Ik denk dat ze elkaars gevoelens wilden sparen.’

Huwelijksfoto Chris en Lies Theil, 1961
Lies en Chris Theil, Wassenaar 2005
Lies Theil-Martin met haar foto’s uit Indië, 2024

Het was al een wonder dat je elkaar nog had

‘In 1954 ontmoette ik mijn latere man Chris Theil bij een dansgelegenheid in het Westbroekpark in Scheveningen. We hadden oogcontact en de vonk sloeg meteen over. In die tijd werkte ik als administratief medewerkster bij de Jagersvereniging in Den Haag. Samen besloten we een eigen lederwarenwinkel te beginnen in Wassenaar. In de avonduren haalde ik het beroepsdiploma Lederwaren. In 1961 trouwden we en gingen boven de winkel wonen. We kregen drie kinderen, Chris (1962), Angelique (1966) en Richard (1969), die alle drie gelukkig dicht bij mij wonen. Mijn zoon Chris nam na het overlijden van mijn man de winkel over.

Met mijn dochter Angelique heb ik mooie reizen gemaakt, ook naar Indonesië. Onze huizen in Tjihapit en Kramat waren nog intact met meubilair en al! De vriendelijke Chinees die opendeed, liet ons meteen binnen voor de thee. Hij vroeg toen we weggingen: “Wilt u nog iets meenemen?” Ik wilde niets terug, want deze mooie herinnering nam ik met me mee. Voor mijn kinderen heb ik mijn verhaal opgeschreven. Daarin zeg ik dat al die kampervaringen wel ontzettend naar zijn geweest, maar ze vormden me toch tot de Lies die ik nu ben. Het was al een wonder dat je elkaar nog had na de oorlog. Het was niet alleen maar negatief. Je wordt er ook een ander en sterker mens van. Al die ervaringen bij elkaar geven je veel mensenkennis.

Tijdens de oorlog heb ik van mijn moeder geleerd om aandacht te hebben voor zieke mensen en elke dag te waarderen dat je nog leeft.’

Interview: Ellen Lock, Maart-editie 2024, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak.