In mijn beeldentuin kan ik de oorlog kwijt

Lidy Movig-Schrijnen verloor haar moeder in Tjideng.

‘Als jong meisje had ik als enige in het gezin altijd veel last van mijn luchtwegen en bleek ik astma te hebben,’ vertelt Lidy Movig-Schrijnen. ‘Mijn ouders maakten zich daarom altijd ernstige zorgen om mijn gezondheid. Ik had een fantastische jeugd met mijn vier zussen op mijn vaders thee- en rubberplantage in de bergen op West-Java.’

Tijdens de Japanse bezetting moest haar moeder met haar vijf dochters naar verschillende Japanse vrouwenkampen. ‘In die kampen was het smerig en stoffig, wat natuurlijk niet goed was voor mijn longen. Mijn moeder en zussen waren altijd zo bezorgd om mij, terwijl wij allen uiteindelijk zwaar ziek zijn geworden in de kampen,’ herinnert Lidy zich. Als een van de langstlevenden van het gezin, deelt zij graag haar oorlogsverhaal.

Lidy Schrijnen, 5 jaar, Tjiemas 1938.

Lief zijn voor Lidy

‘Mijn vader, Pierre Schrijnen, was planter op een thee- en rubberonderneming in Tjiemas op West-Java. Hij werkte prettig samen met de regent, die hem goede werknemers leverde. In 1921 was mijn vader naar Indië gekomen om zijn toenmalige werkgever Matthieu Kerbosch te assisteren bij de kinine-ontwikkeling. Mijn moeder, Nel van Oppen, was gouvernante bij de familie Kerbosch en daar hadden zij elkaar leren kennen. Zij was geboren in Koedoes op West-Java en protestants opgevoed, maar ze werd katholiek om met mijn vader te kunnen trouwen. Zij kregen vijf dochters en ik was de vierde. Na Trees, Nel en Wies kwam ik en daarna kregen ze Claartje. Op 16 december 1933 ben ik geboren als Lidy Schrijnen in Soekaboemi op West-Java. Mijn ouders hebben ons katholiek opgevoed. Ze waren erg bezorgd om mij, omdat ik astma had en vaak te weinig at. Ik was vaders lieveling, omdat ik zo’n teer poppetje was. Tegen de andere dochters zei hij vaak: “Jullie moeten lief zijn voor Lidy!”

Mijn moeder gaf ons thuisonderwijs. Mijn ouders hadden een bungalow met een enorme tuin. Er waren zeven huisbedienden en wel veertig plantagemedewerkers in dienst. Mijn vader kwam uit een apothekersfamilie en hij hield als autodidact een apotheek en EHBO-post aan huis, want een arts was ver weg. Mijn moeder hielp hem in de apotheek en de hulppost. In de bergen, ver van de bewoonde wereld, merkten we nauwelijks iets van de Japanse oorlogsdreiging in 1941. Vader hoefde niet te worden gemobiliseerd, omdat hij als ondernemer de thee- en rubberplantage draaiende moest houden. Hij zag dat mijn oudste zus Trees zich interesseerde voor het plantersvak en hij nam haar vaak mee. Hij leerde haar administratieve, maar ook praktische zaken te doen, als bijvoorbeeld zwijnen te schieten.’

Mijn ouders Nel Schrijnen-van Oppen en Pierre Schrijnen bij hun huwelijk in 1927.
V.l.n.r: Trees (1928), Lidy (1933), moeder Nel (1898), vader Pierre (1899) met op schoot Claartje (1936), Wies (1932) en Nel (1930). Op 5 oktober 1939 bij het koperen bruiloftsfeest van mijn ouders.

Oorlog in Indië

‘Toen de oorlog in Indië begon, was ik bijna acht jaar oud. In de woonkamer luisterden we via de radio naar de nieuwsberichten over de Japanse aanval van 7 december 1941 op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor. Koningin Wilhelmina en de Nederlandse regering in ballingschap in Londen verklaarden daarop Japan de oorlog, nog eerder dan het aangevallen Amerika zelf. Na de capitulatie op 8 maart 1942 moesten alle Nederlandse mannen zich melden bij de Japanse autoriteiten om te worden geïnterneerd. Mijn vader werd bij ons thuis gearresteerd. We namen afscheid en daarna hoorden we lange tijd niets meer van hem.

Mijn oudste zus Trees hielp mijn moeder met het overeind houden van de onderneming en de apotheek. Twee Japanse officieren kwamen op doorreis in ons huis overnachten en eisten twee slaapkamers en een douche. Van tevoren bracht mijn moeder haar oudste vier dochters meteen in veiligheid bij vrienden in de kampong. Daarna sliepen wij weer thuis, maar altijd waakten er twee Javanen voor onze slaapkamerdeur tegen indringers.’

Mijn vader Pierre Schrijnen op zijn thee- en rubberonderneming in Tjiemas op West-Java.
De vijf zusjes Schrijnen: Trees met Claartje, Wies, Nel en Lidy, 1937.
V.l.n.r.: boven: vader, Trees, Nel, onder: moeder met Claartje, Lidy en Wies, Tjiemas 1938.

Naar het vrouwenkamp Kareës

‘In augustus 1942 moest mijn moeder zich met ons melden bij een Japanse post. Wij moesten met zijn zessen naar het vrouwenkamp Kareës in het zuidoosten van Bandoeng. We reden hier naartoe in ons volgeladen rijtuig, een zogenoemde grobak. Mijn moeder regelde met een pastoor dat ik mijn Eerste Heilige Communie kon doen in Soekaboemi. Mijn oudste zus Trees bracht mij naar de pastoor en hielp me zijn vragen te beantwoorden. Het kamp lag in de woonwijk Kareës, die was omringd door een bamboe omheining met prikkeldraad. We kregen een registratienummer en mijn moeder kocht er houten slippertjes voor ons, als bescherming tegen het hete asfalt. Elke middag kregen we een kopje sajoer, waterige groentesoep. Trees moest op het land werken en probeerde voor ons groenten mee te smokkelen.

Als achtjarige moest ik samen met anderen iedere ochtend voorafgaand aan het appèl de straat vegen. Al dat stof was niet zo best voor mijn astma. Onderwijs was verboden, maar toch heb ik er nog wat Frans geleerd van een lerares. In een droge sloot vertelde ik aan een groep jongere kinderen graag zelfverzonnen verhalen. We hinkelden of sprongen touwtje. We aten elke dag een lepel rijst en het huishoofd hield goed in de gaten of de rijst wel eerlijk werd verdeeld. Een Duits-Joodse vrouw was iets aan het koken en dat rook zo lekker, dat ik dichterbij kwam. Zij gaf mij een harde klap in mijn gezicht. Hierdoor viel ik met mijn hoofd op een stenen muurtje. De wond moest gehecht worden en ik hield er een litteken aan over.

In juli 1943 werden we naar kamp Grogol gebracht, dat lag buiten Batavia en was gevestigd in een krankzinnigengesticht. De kamppoort werd altijd bewaakt door Japanse soldaten. Wij kregen een zaaltje met matrassen voor ons zessen. De voormalige bewoners werden er ook nog verpleegd. Zo zag ik bijvoorbeeld een krankzinnig meisje onder de kraan het eten van haar bord wegspoelen, terwijl wij allemaal honger hadden. Mijn moeder had er keukencorvee en moest de pens van koeien schoonmaken. Daarvan werd bouillon getrokken voor onze waterige groentesoep.’

De wrede Sonei in kamp Tjideng

‘In augustus 1944 werden we in vrachtwagens overgebracht naar kamp Tjideng in een afgebakende en streng bewaakte woonwijk van Batavia. In die tijd zaten er circa 10.000 vrouwen en kinderen opeengepakt. Er was tekort aan water en eten. En er heersten veel besmettelijke kampziekten als dysenterie en tyfus. Wij hadden het geluk dat we in Tjideng alleen met ons zessen in een kleine keuken sliepen. Trees sliep op het aanrecht en wij op matrasjes op de grond. We hadden de wrede Kenichi Sonei als kampcommandant, die overdag en ‘s nachts zelfs ook de zieken liet aantreden. Urenlang liet hij ons in de rij in de brandende zon staan als pesterij. Of hij gaf ons voor straf een aantal dagen geen eten. Toen ik nog maar weinig kracht had vanwege de honger, trokken mijn zussen mij omhoog aan mijn armen als de Japanse soldaat eraan kwam om ons te tellen bij het appèl. Bij volle maan sloeg Sonei de vrouwen nog harder of scheerde hen voor straf kaal. Ze zeiden toen dat hij ‘maanziek’ was. Na de oorlog werd ontdekt dat hij waarschijnlijk syfilis had en daarvan agressieve buien kreeg. Ik werd apathisch van de honger en van alle Japanse wreedheden die er om ons heen plaatsvonden. Mijn moeder probeerde ons zoveel mogelijk hiervoor te beschermen, maar raakte zelf ook uitgeput. Zij was toen al ernstig ziek, haar lichaam hield vocht vast van hongeroedeem, wegens een tekort aan vitaminen.’

Lidy Movig met haar beeld: ‘Moeder met de vijf meisjes.'

Apathisch

‘Ik at steeds minder en verzwakte enorm. Daarom moest ik naar de ziekenbarak voor kinderen in een garage in Tjideng. Naast me stierven kinderen van de honger of diarree. ’s Ochtends werd ik buiten op mijn matje gezet en ’s avonds weer binnengehaald. Ik sloot me voor alles af en staarde apathisch voor me uit. Intussen lag mijn moeder op haar sterfbed in het kampziekenhuis. Mijn oudste zus Trees nam haar zorgende rol over en regelde bij het kamphoofd dat wij alle vijf afscheid van moeder konden nemen.

Op 18 augustus 1945 - vlak voor de bevrijding van ons kamp - is mijn moeder gestorven aan hongeroedeem, dysenterie en tyfus. Volgens mijn zus die bij haar was, zei moeder met een glimlach: “Ik ben bereid!” Trees liet ons ook van onze dode moeder afscheid nemen. Daarna werd ze buiten het kamp begraven, maar we wisten niet waar. Van verdriet en uitputting reageerde ik nauwelijks meer op anderen. Enige dagen na de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 kregen wij van het Hollandse kamphoofd te horen dat we bevrijd waren. Alleen Trees was nog op de been om dit te horen en aan ons te vertellen. Wij vieren lagen te ziek en versuft in de ziekenbarak voor kinderen.’

Met het eerste transport naar het ziekenhuis

‘Als urgente patiënten werden we op het eerste ziekentransport per vrachtwagen vervoerd naar het Carolus Borromeus-ziekenhuis in Batavia. Mijn oudste zus Trees heeft aan de chauffeur gevraagd of ze met haar zusjes mee mocht, omdat haar moeder net was overleden. Om bij ons te kunnen blijven zei ze dat ze hulpverpleegster was en ze werd er direct aangenomen. Mijn vader kwam net uit het kamp en was op zoek naar ons. Hij had gehoord dat wij in het Borromeus-ziekenhuis lagen. Omdat hij alleen nog maar een lendendoek droeg na zijn kamptijd, mocht hij van een ziekenhuispater een wit paterskostuum lenen om ons te bezoeken. Het slechte nieuws over het overlijden van zijn vrouw had hij al te horen gekregen. Nu wilde hij graag zien hoe het met zijn dochters ging. Op de gang kwam hij een verpleegster tegen en hij vroeg: “Juffrouw, kunt u mij zeggen waar ik mijn dochters kan vinden?” Uitgerekend die verpleegster was zijn eigen dochter Trees. Zij verlangde zo naar het weerzien met hem na alles wat er was gebeurd en zij was zwaar teleurgesteld dat hij haar niet eens herkende. Wij waren juist zo blij om hem aan ons bed te zien, maar we waren nog te zwak om te praten. Ik moest wennen aan zijn knuffel, want ik had hem al tweeënhalf jaar niet gezien. “Ik neem jullie zo gauw mogelijk mee naar Holland!”, beloofde hij.’

Aansterken

‘Zodra het beter met ons ging mochten we naar een Mickey Mouse tekenfilm kijken in de besloten tuin van het ziekenhuis. We kregen aanvankelijk zachte voeding. Je maag moest langzaam wennen aan vaste voeding. Zodra we goed waren hersteld aten we voor het eerst de Amerikaanse corned beef. We werden ondergebracht in een tehuis tegenover het ziekenhuis. We mochten absoluut niet naar buiten, want dat was te gevaarlijk vanwege mogelijke aanvallen van Indonesische vrijheidsstrijders. We werden tegen hen beschermd door een Britse legereenheid van Sikhs uit Brits-Indië. Ze hadden lange zwarte haren opgerold onder een tulband en droegen een lange baard. Ik vond dat er heel mooi uitzien. Meerdere malen per dag werd er alarm geslagen voor beschietingen. Mijn vader was nog maar net weduwnaar en spande zich samen met andere weduwnaars in om alle weeskinderen naar Nederland te brengen, voor betere zorg en voor onze veiligheid. In dit tehuis heersten ook diverse kamp- en kinderziektes. Naast mijn astma kreeg ik er hoge koorts van de heersende bof, waarvan ik het erg benauwd had.’

Na de oorlog in Nederland

‘Eind december 1945 vertrokken we met vijfentwintig wezen en halfwezen met mijn vader en een dokter aan boord met de ms Nieuw Amsterdam naar Engeland en daarna met de ss Almanzora naar Amsterdam. Op 1 maart 1946 arriveerden we in een besneeuwd Nederland. In die tijd mocht je als alleenstaande vader je kinderen niet bij je houden, want die moesten naar een pleeggezin. Pas als je als vader weer getrouwd was, kreeg je je kinderen terug. We werden ondergebracht op verschillende locaties verspreid over het hele land. Mijn jongste zusje en ik moesten naar een nonnenkostschool in Zeist. Wij werden zowel door de kinderen op die school als door de nonnen gepest met onze kale hoofden. En omdat we zo mager waren, zakten onze wollen kousen steeds naar beneden. Binnen een jaar leerde mijn vader een nieuwe vrouw kennen en trouwde hij haar. Toen pas mochten wij weer bij hem in huis komen wonen. Voor Trees was het moeilijk om de leiding over ons uit handen te geven. Samen kregen zij nog zes kinderen. Wij - dochters uit zijn eerste huwelijk - waren alle vijf enorm bedreven in het zorgen voor onze jongere broers en zussen.’

Het afscheid van mijn oudste zus

‘Mijn zus Trees is later op Schiermonnikoog gaan wonen. In 1988 werd zij zo ernstig ziek dat ik bij haar introk om voor haar te zorgen. Ze vertelde mij hoe zij zich zo verantwoordelijk heeft gevoeld voor onze thee- en rubberonderneming, voor moeder en al haar zussen. Dankzij haar en moeders goede zorgen hebben wij Tjideng overleefd. Trees’ teleurstelling over vader die haar niet herkende, was nog niet verdwenen. Op haar begrafenis waren ook familievrienden uit Indië uitgenodigd, zo ook het echtpaar Movig. Zij konden zelf niet, maar stuurden hun zoon Jacques naar de begrafenis. Jacques en ik hadden als kinderen met elkaar gespeeld. Zijn vader was rechter en zijn moeder was arts en had ons alle vijf in het ziekenhuis ter wereld geholpen. Wij vonden elkaar weer na onze gestrande huwelijken. Wij hadden tegelijkertijd in Tjideng gezeten. We begrepen elkaar en vonden steun en troost bij elkaar. Op 15 oktober 1990 zijn we getrouwd.’

Lidy en Jacques Movig, 2013.
Mijn moeder Nel van Oppen als balletdanseres (15-7-1898, Koedoes - 18-08-1945, Tjideng).

Mijn hoofd zat nog vol oorlog

‘Later ontdekte ik dat mijn moeder in haar jongere jaren een professionele balletdanseres was en in veel theaters in Nederlands-Indië had opgetreden. Ze had vele talenten en wilde ons altijd van alles leren. Over haar vroegere leven vertelde ze ons niets. Pas een paar jaar geleden ontdekte ik in een Nederlands archief dat mijn moeder na anderhalf jaar huwelijk was gescheiden van de architect Charles Prosper Wolff Schoemaker, beroemd van onder andere zijn ‘Villa Isola’ in art-decostijl in Bandoeng.

Ik kreeg gymnasiumadvies, maar ik kon me niet concentreren en behaalde zelfs geen mulo-diploma. Mijn hoofd zat nog vol oorlog. Uiteindelijk ben ik naar mijn eigen idee veel te jong getrouwd. We kregen drie zonen en een dochter, maar mijn huwelijk mislukte. Als een echte laatbloeier ging ik orthopedagogiek studeren. Mijn huidige man Jacques Movig en ik zijn allebei gastdocent geworden op scholen. We vertellen in gastlessen over onze Indische oorlogsgeschiedenis. Ook werken we graag samen in onze grote beeldentuin. In mijn beeldentuin kan ik de oorlog kwijt en kom ik tot rust. Mijn eigen favoriete beeld is een eerbetoon aan mijn moeder en Trees, want zij hebben ons gered in de vrouwenkampen. Ik was altijd zo’n teer poppetje in ons gezin. Wonderlijk genoeg ben ik samen met mijn oudere zus Wies nog als laatsten overgebleven. Daarom is het belangrijk dat ik het nog kan navertellen.’

Interview: Ellen Lock, September-editie 2022, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak.