Het zilveren kapstel van Leny Boeken

Portret van een Auschwitz-overlevende

Mevrouw Boeken (81) is overlevende van het Poolse concentratiekamp Auschwitz. Zij is al zeven keer met het Nederlands Auschwitz Comité meegegaan met de jaarlijkse reis naar verschillende concentratiekampen in Polen. Mevrouw Boeken vertelt over haar ervaringen in de oorlog.

Leny Boeken.
Leny Boeken.

“Ik ben geboren op 22 november 1922. Mijn ouders woonden in Zandvoort en mijn moeder had een sigarenwinkel. Ik had één broer. Mijn vader werkte bij Hollandia Kattenburg (een grote kledingfabriek in Amsterdam-Noord). Op 10 mei 1940 werkte ik als zeventienjarige verkoopster in een parfumeriezaak in Amsterdam. Mijn moeder had altijd gezegd dat ze de gaskraan open zou zetten als de oorlog zou uitbreken. Toen de vliegtuigen overkwamen zat ik doodsbang in mijn bed met mijn broertje. We hadden de deur van de kast waar de gasmeter zich bevond op slot gedaan en de sleutel onder ons hoofdkussen verstopt, zodat mijn moeder niet bij de gaskraan kon komen. Enkele dagen later heeft ons gezin een poging gedaan om per boot met een deel van het joodse personeel van Hollandia Kattenburg naar Engeland te ontsnappen. Dit mislukte omdat we op de brug van het Centraal Station een neefje tegenkwamen die zei dat zijn oom zoek was en mijn vader ging hem toen helpen zoeken. Later bleek dat deze oom zich had verdronken.”

Een bijzondere gelegenheid

“In 1941 moest ik naar het ziekenhuis voor een operatie aan mijn amandelen. Mijn vader vroeg mij aan mijn ziekbed: ‘Wat zou je graag willen hebben als je uit het ziekenhuis komt?’ Ik wist het meteen: ‘Een zilveren kapstel!’ Mijn vader zei dat ik last had van hoogmoed. Toen ik thuis kwam stond er een groot boeket bloemen voor mij op de salontafel en daar lag ook mijn felbegeerde cadeau: een zilveren kapstel bestaande uit een handspiegel, kledingborstel, borstel en kam. Er werd een foto van mij gemaakt terwijl ik mijn haren kamde en in de spiegel keek die ik voor mijn gezicht ophield. Díe foto van die bijzondere gelegenheid zou voor mij na de oorlog van grote betekenis worden.”

Drie gemiste kansen

“Begin juni 1942 werd het té gevaarlijk om ons op straat te begeven. Mijn broertje was al een keer opgepakt, maar werd vrijgelaten omdat hij minderjarig was. Ons gezin moest onderduiken. Sinds 1941 was ik verloofd met een Nederlandse jongen, die ik tijdens mijn onderduikperiode nog een paar keer heb gezien. We hebben als gezin op verschillende onderduikadressen gezeten. In november 1942 werd ik alleen naar Zeist gestuurd, waar ik met zeven anderen kon onderduiken bij een gescheiden vrouw met twee kinderen. Ik zag er niet zo joods uit met mijn blonde haren en blauwe ogen en daarom kon ik in dat huis de rol van het dienstmeisje uitoefenen onder de schuilnaam ‘Liesje van der Velde’. Op 16 augustus 1944 kwam iemand van de illegalen bonnen brengen. Ik vertrouwde die man niet. Een vriendin van het onderduikadres, Zus, en ik zijn die woensdagavond naar een ander adres gegaan, maar daar kreeg Zus meteen te horen dat ze er niet kon blijven vanwege haar te opvallende joodse uiterlijk. Ik zei toen: ‘Samen uit samen thuis!’ en wilde met haar terug naar het oude adres in Zeist. Ik ging alvast alleen terug naar het oude onderduikadres om dit aan te kondigen. De vrouw des huizes ging daarna de stad in en kwam de bonnenman tegen. Zij vertelde hem het nieuws dat Zus en ik die donderdagavond bij haar zouden terugkeren. Hij heeft ons verraden, want diezelfde avond werd iedereen op het onderduikadres in Zeist opgepakt en naar de Sicherheitsdienst in Amsterdam op de Euterpestraat gebracht. Een Duitse agent zei daar tegen mij: ‘Jij kunt wel gaan, jij bent niet joods!’ Ik protesteerde doodsbang: ‘Ik ben wél joods!’ Ik durfde het gebouw niet te verlaten, want waar moest ik heen? Ik had geen onderduikadres, mijn familie was al weggevoerd, en op straat werd ik toch direct opgepakt. Hij zei: ‘Als je dan niet weg wilt, dan moet je maar blijven!’ Vervolgens werd ik met de tram naar de gevangenis op de Weteringschans gebracht. De trambestuurder, die ik kende omdat hij bij de fietsenstalling had gewerkt, bood aan mij te verstoppen in de tram in de kofferbak naast hem. Hij zei: ‘Je kunt bij mijn moeder onderduiken!’ En weer durfde ik het niet! De derde ontsnappingsmogelijkheid werd me geboden in Westerbork. In de laatste nacht voor het vertrek naar Auschwitz werd mij aangeboden door een gat te springen dat door het verzet was uitgezaagd in de achterste wagon van de trein. Acht man mochten springen als de trein langzamer zou rijden bij rangeerterrein Hooghalen. Zeven mensen zijn gesprongen en ik durfde niet. Later hoorde ik dat één vrouw na de sprong haar armen heeft verloren. Zij is kort na de oorlog overleden. De rest werd verlinkt en heeft het niet gered. Ik ben de enige van de acht die de oorlog heeft overleefd.”

Leny Boeken.
Leny Boeken.

Auschwitz

“Op 3 september 1944 ben ik met het laatste transport vanuit Westerbork (hetzelfde transport als Anne Frank, bleek later) aangekomen in Auschwitz. We werden bij de poort geselecteerd door een arts, die dokter Mengele bleek te zijn. Wonderlijk genoeg ben ik elke keer door de selecties heen gekomen. We hadden wel iets door van de aankomende bevrijding, want in de laatste weken zag je Russische vliegtuigen overgaan die een wolk verspreiden over het kamp. Daardoorheen hebben ze foto’s kunnen nemen. Auschwitz werd in januari 1945 bevrijd door de Russen, maar vlak daarvoor werd ik met een aantal anderen op transport gesteld naar Kratzau, een vrouwenwerkkamp dat onderdeel uitmaakte van Gross Rosen in Tsjecho-Slowakije. Joodse gevangenen van verschillende nationaliteiten werkten in drie ploegendiensten. Werken betekende overleven en dus stond ik voorop in de rij. We moesten aardappelen sjouwen en dat was heel gunstig voor ons, want als je honger hebt smaakt alles, zelfs rauwe aardappelen. Ook heb ik in een munitiefabriek kogels gemaakt. We kwamen een keer van de nachtploeg terug en iemand raadde mij aan om van plaats te verwisselen zodat ik twee keer brood uitgereikt kon krijgen, maar ik werd gesnapt. Voor straf werd ik naar de ziekenboeg gestuurd. Daar werd ik gebruikt voor een medisch experiment met lila zalf op mijn buik. Mijn buik vergroeide en deed hevige pijn, maar ik moest blijven werken. Na twee maanden werd mij gezegd: ‘Dokter Mengele komt je morgen opereren.’ Toen ik hem zag herkende ik hem van de selectie in Auschwitz. Met zijn behandeling verminkte hij mij voorgoed, maar ik gaf geen krimp want ik gunde hem dat plezier niet.”

Bevrijd

“Ik was door de wond aan mijn buik verzwakt, had buik-, vlektyfus en mocht een paar dagen in bed blijven. Op 8 mei 1945 werden we bevrijd. Alle bewakers en gevangenen waren weggelopen, alleen de zieken lagen er nog. De burgemeester van het boerengehucht Kratzau liet een ossenwagen komen, waarmee ik naar het doorgangskamp Pilsen werd vervoerd. Ik werd in een ziekenhuis opgenomen in Bayreuth op 100 km van de grens van Tsjecho-Slowakije met Duitsland. Ik woog 45 pond en verlangde alleen nog maar naar mijn moeder. In het ziekenhuis moest ik een document ondertekenen dat ik vrijwillig wegging. Op mijn zwerftocht door Duitsland sloot ik me aan bij een groep niet-joodse mannen uit de werkkampen. In Maastricht werden we een paar weken opgevangen door een joodse hulporganisatie, we kregen goed te eten en werden medisch onderzocht. Vervolgens werden we naar Amersfoort gebracht, want ‘Holland was dicht’ dat wil zeggen afgesloten voor alles wat uit Duitsland kwam. Pas in juni 1945 mocht ik naar Amsterdam reizen. Op het Centraal Station werd je geregistreerd. Ze vroegen mij: ‘Waar ga je nu naartoe?’ Ik had geen idee, want mijn familie was niet teruggekomen. Ze belden mijn verloofde en die bracht me naar zijn huis. Hij zei: ‘Je mag hier één nachtje  slapen, maar morgen ga ik trouwen en dan moet je weg zijn.’ Alle spullen uit onze verlovingstijd stonden daar nog. De volgende dag stond ik op straat. Ik ben naar kennissen gegaan.”

Een geschenk uit de hemel

“Na de oorlog was er een speciale opsporingsdienst in Amsterdam, de Politieke Opsporingsdienst (POD), waar joodse mensen hun verloren goederen konden aangeven. Direct na het bezoek aan mijn ex-verloofde in 1945 ben ik naar deze dienst gegaan, maar daar kreeg ik te horen dat ik moest kunnen bewijzen dat de spullen van mij waren. Een jaar later kwam in een sigarenwinkel van vrienden van mijn ouders op de hoek van de Weesperstraat-Kerkstraat een man binnen met een schoenendoos met foto’s van ons gezin die hij voor een dubbeltje had gekocht op de markt. Hij vroeg: ‘Ken jij deze mensen?’ De winkelier antwoordde: ‘Het echtpaar kende ik heel goed. Ze zijn niet teruggekomen, maar de dochter wel!’ Zo kreeg ik op wonderlijke wijze de schoenendoos met onze familiefoto’s, een geschenk uit de hemel! Tussen de familiefoto’s zat ook de foto met het zilveren kapstel. Nu kon ik eindelijk aantonen dat de laatste cadeaus van mijn ouders van mij waren: het zilveren kapstel, een zilveren suiker- en melkkannetje en een schaal kreeg ik terug. Ik heb geluk gehad, omdat veel mensen alles kwijt waren en helemaal niets meer konden aantonen.”

Leny Boeken.
Leny Boeken.

Kaddish zeggen

“Een vriendin van mij uit Auschwitz, die ook met mij in Kratzau had gewerkt, nodigde mij in 1946 uit om met haar vriend samen naar een dansavond te gaan. Een vriend van hen vroeg me op dit feest ten dans en ik zei: ‘Ik wil wel met je dansen, maar dan moet je me wel naar huis brengen!’ Die jongen heeft me tot zijn overlijden zestien jaar geleden altijd thuisgebracht.’ We zijn getrouwd in 1947 en we hebben een zoon gekregen. Na de oorlog had mijn man een groothandel in stoffen in Amsterdam. Ik werk er nog zes dagen in de week met heel veel plezier. Mijn man ligt hier vlakbij begraven en als ik wil kan ik iedere dag naar het graf gaan. Ik vind het heel belangrijk om één keer per jaar naar het graf van mijn ouders te gaan, de gedenksteen in Auschwitz-Birkenau, om hen op de plek waar ze zijn vermoord te herdenken en het joodse gebed voor de doden (kaddish) te zeggen en om hun namen te noemen. Er gaat voor mij geen dag voorbij zonder gedachten aan de oorlog en aan mijn moeder. Zij had overal een spreuk voor, zoals bijvoorbeeld: ‘Kinnesinne op de boterham wordt het meest gegeten!’ De herinneringen aan haar zitten vastgemetseld in mijn hoofd. 
Ook vind ik het heel belangrijk dat jonge mensen de geschiedenis daar ter plaatse uit mijn mond horen, want die verschrikkingen zijn niet te vergelijken met een verhaaltje uit een boek of een film. Vaak verbaas ik me over de intolerantie vandaag de dag. We hebben toch allemaal één en dezelfde oorsprong? Ik kan met iedereen door één deur; er komen leuke meiden met een hoofddoekje bij me langs in de stoffenzaak en dan hebben we het heel gezellig!”

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak Juni 2004