Hou mijn handen vast!

Koos Postema over het bombardement op Rotterdam.

Na veertig jaar radio en televisie doet de Rotterdamse journalist Koos Postema alleen nog die dingen die hij echt boeiend vindt. Koos Postema begon zijn loopbaan in het onderwijs. In 1960 werd hij radioverslaggever bij de VARA. Hij werkte tien jaar lang als televisieverslaggever voor de actualiteitenrubriek ‘Achter het Nieuws’ en kreeg daarna zijn eigen spraakmakende televisieprogramma ‘Het uur U’, een taboedoorbrekend VARA-programma in de jaren zeventig. Vervolgens presenteerde hij nog eens tien jaar lang voor de commerciële televisie het programma ‘Klasgenoten’, waarin hij een bekende Nederlander met diens lagere schoolklas interviewde. In het voorjaar ‘99 zal hij voor de RVU-televisieomroep meewerken aan een tiental documentaires en hij presenteert nog één dag in de week een programma voor Radio Rijnmond. Een interview met Koos Postema over zijn oorlogsherinneringen.
Koos Postema. Foto: Saskia Lelieveld.
 
 Koos Postema. Foto: Saskia Lelieveld.

Watervliegtuigen op de Maas

“Als zevenjarige jongen ben ik weggebombardeerd uit Rotterdam. Ik woonde op twee hoog in het eenvoudige gedeelte van Kralingen met mijn moeder, mijn twee oudere zussen, mijn broer en een broer van mijn moeder, Oom Ger. Mijn moeder was weduwe. Mijn vader was trambestuurder. Hij stierf in 1936. Op 10 mei 1940 hoefde ik niet naar school, omdat het Pinkstervakantie was. Het was die dag heel mooi weer toen de oorlog uitbrak. Ik heb het gevoel dat ik tot op de seconde precies weet wat er gebeurde. We speelden voetbal op straat toen de Duitse soldaten met watervliegtuigen op de Maas landden en het Noordereiland bezetten. Tien minuten fietsen van ons huis vandaan, bij de Maasbruggen, waren ze oorlog aan het ma-ken. Daar boden Nederlandse militairen nog dagenlang tegenstand tegen de Duitsers, totdat Rotterdam werd gebombardeerd.”

Het bombardement

“Op 14 mei 1940 werd Rotterdam gebombardeerd. Het was een oorlogsmisdaad. Dat wist ik als zevenjarige jongen al, want ik zat rustig een boterham met hagelslag te eten tussen de middag; we hadden niets gedaan. Er werd nog met de Duitsers onderhandeld. Om vier uur die dag zou er een antwoord van de Nederlandse troepen komen. De Duitse generaal in Rotterdam had geen bevel gegeven om over te gaan tot bombarderen. Het duurde Hitler en zijn trawanten in Duitsland echter te lang. Ze wilden een overgave forceren. Er was een verschrikkelijk geluid van vliegtuigen en brekend glas. Het huis begon te schudden. Je kon de vliegtuigen zien langsscheren vlak boven ons dak met de hakenkruizen erop. Mijn moeder had haar zomerjurk aan en ze zocht naar de pensioenpapieren van mijn vader. Ze zei tegen mij: ‘Hou mijn handen vast,’ en we vlogen de trap af, die als een touwladder onder onze voeten bewoog. Iedereen schreeuwde tegen elkaar. Alsmaar grote grijze stofwolken en complete verwarring op straat.”

Schuilkelder

“We zijn de Lusthofstraat uitgevlucht. De plek waar voor mij de wereld eindigde. Ik speelde nooit verder dan die straat. Meteen om de hoek, aan het einde van die Lusthofstraat, moesten wij van mijn moeder in een schuilkelder kruipen, die verborgen lag onder een met gras begroeide heuvel. Daar heb ik voor het eerst van mijn leven een dode man zien liggen. Hij lag achterover en er droop een straal bloed uit zijn hoofd langs zijn wang. Ik mocht van mijn moeder niet kijken, maar dat heb ik toch ademloos gedaan. Zij vond de schuilkelder op dat moment niet veilig genoeg. We moesten er snel weer uit. ‘Vlug, vlug, en handen vasthouden’, zei mijn moeder. In die tijd woonden wij aan de rand van Rotterdam, nu ren je daar tegen het talud van de Brienenoordbrug op. We zijn toen gaan rennen, rénnen, zo door de weilanden, als maar rennen en achterom kijken naar de brandende, rokende en stinkende stad. En het bleef maar mooi weer, met de rookwolken van Rotterdam voor die warme zon. Onderweg zag je jongens uit de buurt, die de etalages hadden geplunderd, dat gebeurt dan blijkbaar ook meteen. Wij bleven rennen door die weilanden tot we om drie uur ‘s middags in Capelle kwamen en mijn moeder aanklopte bij een zeer christelijke tante die wij zelden hadden gezien, omdat wij heidenen waren. Natuurlijk mochten wij binnenkomen.”

Spoorloos verdwenen

“Op die dag van het bombardement was mijn broer gewoon naar zijn werk gegaan. Hij had een baan als monteur bij de PTT. Jan ging ‘s ochtends in zijn manchestere pak met de tram naar zijn werk. Niemand zei, dat moet je niet doen, want het is oorlog. Nee, het leven draaide gewoon door. Jan kwam niet van zijn werk terug, want alle straten waren verdwenen, ons huis was verdwenen en zijn familie was weg. Hij wist niet of wij nog in leven waren. En Rotterdam brandde nog een tijd na het bombardement. Moet je je voorstellen, het bombardement gebeurde even tussen de middag in twintig minuten tijd. En als ik je dan de oppervlakte aanwijs die verbrand is. Van het centrum naar het oosten is de stad gaan branden. De volgende dag startte mijn broer direct zijn zoekacties. Jan vroeg iedereen die hij tegenkwam of ze zijn familie hadden gezien. Hij sliep met anderen in de nog overeind staande kleedlokalen van voetbalclubs. Overdag zocht hij ons en hij voetbalde wat. Zo vond mijn oom hem tijdens een voetbalwedstrijdje. ‘Die Jan, die kan ook geen dag zonder voetbal!’ dacht hij. Mijn oom vertelde hem dat wij in Capelle zaten. Jan liep direct naar Capelle, waar hij ‘s avonds aankwam, na drie dagen zoek geweest te zijn.”

Verbrand speelgoed

“Ik snapte niets van de huilbuien van mijn moeder. Zij was haar oudste zoon Jan kwijt en bleef maar uit het raam staren in de keuken. Daar verscheen na drie dagen mijn oudste broer op de dijk, met een starende blik in zijn ogen. ‘Daar gaat Jan’, schreeuwde mijn moeder en we vlogen elkaar allemaal om de nek. Een paar dagen later ben ik met mijn moeder nog terug geweest naar de plek van ons huis. Er was helemaal niets meer van over. Letterlijk niets. 
Er lag wat verbrand speelgoed, een verroest wieltje van een auto-step, kromme lantarenpalen. ‘Kom Koos’, zei mijn moeder, ‘hier hebben wij niets meer te zoeken.’ Waar moesten we heen? We konden voorlopig even inwonen bij een zus van mijn moeder in IJsselmonde. Er kwam een briefje van een andere tante uit Vlaardingen, dat we daar naar toe moesten komen, want daar werden noodwoningen gereed gemaakt, maar we zijn in een mooi huis met een tuin gaan wonen in Vlaardingen-Ambacht.”

Puinruimen

“Op 15 mei begon het leven zich weer te hervatten. Het was één stad met puinhopen. Ik weet nog wel dat de mensen meteen begonnen met puinruimen. Het leven gaat weer door, net of er niets is gebeurd. ‘Dat is de buigzaamheid van het verdriet,’ heeft Hans Lodeizen ooit eens gedicht, en dat was toen ook zo. Ongekende schade, alles ben je kwijt.
We gingen met niets in Vlaardingen wonen. Hoe mijn moeder het voor elkaar heeft gekregen met vier kinderen en een klein pensioentje van de tram, begrijp ik nog niet. Er was geen opvang. Er waren geen hulpverleners, hoogstens een huisdokter die toevallig vriendelijk was. Niemand troostte mijn moeder. Telkens als er een bombardement plaatsvond, staarde zij gespannen naar de handtas met mijn vaders pensioenpapieren voor zich op tafel. Klaar om te vertrekken. Voor een deel ving je familie je op. Met zijn allen weinig hebben, schept wel een band. Ik moest weer naar school in Vlaardingen. De meester zei: ‘Zo Koos, kom jij uit Rotterdam, dat is gebombardeerd.’ En verder had je het er niet over.

Diepe indruk

“Mijn broer is vorig jaar overleden. Om nu aan te geven wat voor diepe indruk die oorlog op ons heeft gemaakt, kan ik je dit nog vertellen. Mijn broer was vorig jaar erg ziek. Toen hij was gestorven in mei, vroeg ik zijn vrouw: ‘Zeg, hij wordt zeker de veertiende begraven?’ ‘Nee’ zei ze, ‘dat wilde hij absoluut niet, en vooral niet op díe dag. Jan heeft zelf gezegd, nee, dat zal nooit gebeuren!’ Veertien mei was kennelijk al die tijd een zeer pijnlijke dag voor hem gebleven. Op die dag verkeerde hij tijdens het bombardement in de angst dat zijn hele familie was omgekomen. Ik denk dat dat hem hevig heeft geraakt. Hij werd dus uiteindelijk de vijftiende mei begraven.”

Hongerwinter

“In de Hongerwinter hield het leven echt op. Wij hadden van alle tulpenbollen regelmatig buikloop. Het had niet zoveel langer moeten duren. ‘Het scheelde maar weinig,’ zei mijn moeder later. We waren broodmager. Na de oorlog zag ik pas mijn eerste banaan en ik heb de hele oorlog geen sinaasappel gezien. Mijn vrouw corrigeert mij wel eens aan tafel: ‘Wat eet je toch snel!’ Dat is misschien een onhebbelijkheid van mij, die ik aan de Hongerwinter heb overgehouden: de onweerstaanbare drang om te vlug eten.”

Kleuterverzet

“In april 1945 gaf mijn oom mij de opdracht de illegale krant ‘Trouw’ te bezorgen bij een meneer die een paar straten verder woonde. Dan moest ik met die krant onder mijn trui heel snel voorbij de school lopen waar het hoofdkwartier van de Duitsers was. Ik vond dat heel spannend om te doen. Een collega bij de VARA, Wim Bosboom, noemde dit later ‘kleuterverzet’, omdat het natuurlijk erg weinig voorstelde, zo vlak voor het einde van de oorlog.

Een jongen van zestien rende gillend door de straat ‘We zijn bevrijd!’ Opeens hadden mensen nog een pak koffie achter de hand om dit te vieren en iedereen kwam weer tevoorschijn en vierde feest. Mijn moeder ging op dansles en ik vond dit allemaal maar erg gek. Auschwitz - daar had niemand het over. Zo nu en dan kwam er iemand in de buurt terug met een zwart wit gestreept pak aan. Dan zongen we als kinderen allemaal liedjes voor die man en we versierden zijn deur. De man kreeg tranen in zijn ogen en ging gauw naar binnen. Wij begrepen er niets van.” Jaren later maakten wij voor Achter het Nieuws uitzendingen over wat er tijdens de Tweede Wereldoorlog was gebeurd.

Dokter Fennema

Mijn liefde voor de radio kwam pas na de oorlog. De VARA zocht een jonge verslaggever en ik wilde na vijf jaar onderwijs heel graag journalist worden. Tien jaar lang reisde ik voor Achter het Nieuws de hele wereld af.
In Saigon ontmoette ik tijdens de Vietnamoorlog in 1969 bij een opname over kinderen in oorlogsgebieden dokter Fennema. Dokter Fennema was een kind van Nederlandse ouders, die vlak na de oorlog naar Canada waren geëmigreerd. Hij zong daar in de tropennacht bij een kampvuurtje voor door napalm gewonde Vietnamese kinderen, met een Canadees accent Nederlandse liedjes uit het jaar nul. Met zijn accordeon speelde hij ‘Kleine Greetje uit de polder, kind van ‘t lage land, blond van haar en blauwe ogen…’. Die man zal ik nooit meer vergeten. Te midden van die verschrikkelijke oorlog was hij zo optimistisch. Na twee dagen vertrouwde hij ons en fluisterde: ‘Zie je die twee gewonde mannen daar, op die brancards, dat is Vietcong, die help ik ook. Niet over praten!’
Wij bleven hem overdag filmen en ‘s avonds luisterden we naar zijn liedjes, met op de achtergrond het geronk van Amerikaanse bommenwerpers. ‘Houdt het dan ook nooit op?’, dacht ik. ‘Toen ik klein was hoorde ik dat en dertig jaar later in Vietnam klonk de oorlog nog steeds hetzelfde.’
 
Interview: Ellen Lock, PUR-cliëntenblad Aanspraak December 1998.