De laatste vrouwelijke Ridder

Verzetsvrouw Jos Mulder-Gemmeke (86): “Ik zou het zo weer doen als het moest!”

Naast Koningin Wilhelmina is mevrouw Jos Mulder-Gemmeke de enige vrouw die tot nu toe is onderscheiden als Ridder in de Militaire Willems-Orde. Deze hoogste onderscheiding voor moed, beleid en trouw kreeg ze voor haar rol in het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Jos Mulder-Gemmeke was medeoprichtster van de verzetskrant ‘Je Maintiendrai’. Zij smokkelde onder andere belangrijke strategische informatie op microfilms de grens over naar Prins Bernhard en maakte vanuit Engeland als geheim agente een parachutesprong boven Nederland met wapens, zenders, medicijnen, geld en belangrijke informatie voor het verzet.

Prinses Wilhelmina feliciteert Jos Gemmeke met haar onderscheiding, 28 februari 1951. Foto: privécollectie Jos Mulder-Gemmeke.
Prinses Wilhelmina feliciteert Jos Gemmeke met haar onderscheiding, 28 februari 1951, Foto: privécollectie Jos Mulder-Gemmeke.

Bij ons eerste telefonische contact zei de nu 86-jarige Jos Mulder-Gemmeke bescheiden; “Je deed wat je moest doen, maar daar hoeft nu toch niemand meer iets van te weten? Het is al zo lang geleden.” Voor de lezers van Aanspraak wilde de laatste vrouwelijke Ridder gelukkig toch nog één keer haar oorlogsverhaal vertellen.

Jos Gemmeke en Cock van Paaschen, Eindhoven 1945. Foto: privécollectie Jos Mulder-Gemmeke.
Jos Gemmeke en Cock van Paaschen, Eindhoven 1945 Foto: privécollectie Jos Mulder-Gemmeke.

Waar bevond u zich toen de oorlog begon?

“Op 10 mei 1940 werden mijn moeder, mijn twee jaar oudere zus en ik gewekt door het geluid van bommenwerpers en het knetteren van de luchtafweerkanonnen op de Schenkkade in Den Haag. We renden meteen naar het balkon en zagen Duitse toestellen neerstorten. Mijn vader was, als reserveofficier, benoemd tot commandant van Katwijk, waaronder ook het vliegveld Valkenburg viel. We beseften dat hij in groot gevaar verkeerde en overlegden wat wij nu moesten doen. Ik meldde mij meteen bij het Westeinde Ziekenhuis, waar ik me al voor de oorlog als hulpverpleegster had aangemeld. Nog maar zeventien jaar oud - net van de MULO - verpleegde ik zwaar gewonde Duitse piloten en Nederlandse burgers. De echte verpleegsters lieten mij de smerigste klussen opknappen. Vol ongeloof hoorde ik over de radio de capitulatietoespraak van generaal Winkelman. Ons mooie land bezet? Woest was ik!”

Hoe raakte u betrokken bij het verzet?

“Via een bevriende familie kwam ik in contact met de zeer charmante economiestudent Cock van Paaschen. Hij was net betrokken bij het vervaardigen en verspreiden van een illegaal krantje dat in Santpoort verscheen en Burgerlijk Contact heette, maar ze wilden een blad maken dat groter van opzet was. Hij vroeg mij hem te helpen met het vervaardigen ervan en ik twijfelde geen moment. Ik was zo kwaad over de Duitse bezetting en de discriminerende maatregelen tegen de Joden.”

Wist uw familie hiervan?

“Nee, ik wilde absoluut niemand gevaar laten lopen. Alles gebeurde in het diepste geheim. Tegen mijn ouders zei ik dat ik bij mijn zus logeerde en die dacht dat ik bij een vriendin was. Onze locatie was uniek. De moeder van Cock was hoofd huishoudelijke dienst van het Vredespaleis en zij woonden in de opzichterswoning. Zonder haar medeweten liet ik verschillende sleutels namaken. Doordeweeks was er strenge bewaking, maar in het weekend was er slechts één beheerder. In het donker stak ik dan de grote tuin voor het Vredespaleis over. De stencilmachine stond in de kelder, maar de beheerder woonde daar vlak naast. Uit angst dat we teveel lawaai zouden maken bij het stencilen, sjouwden we iedere vrijdagavond die loodzware machine samen alle trappen op naar de zolder. Cock en ik typten en stencilden nachten door aan het blad. We slikten pervitine, een opwekkend middel dat de slaap tegenhoudt. Als ik maandagochtend lijkbleek bij mijn ouders thuiskwam, wendde ik een vreselijke buikpijn voor. Ik tekende de leeuwen van het wapen van Nederland na en we noemden het illegale blad ‘Je Maintiendrai’. De oplage steeg van 500 naar 5000, meer konden we niet aan. Iedere maandagochtend stond die stencilmachine weer keurig schoon beneden in de drukkerij.
Met de trein bracht ik wekelijks twee koffers vol illegale bladen naar contactpersonen in Utrecht, Zwolle, Santpoort, Amsterdam, Leeuwarden, Arnhem en Eindhoven. Om niet op te vallen kocht ik expres altijd losse treinkaartjes. Sommige Duitsers waren zo hoffelijk dat ze aanboden mijn zware koffers te dragen, dan liet ik hen dat ook gewoon doen. Met wat geflirt kon ik ze aardig om de tuin leiden. Ik heb veel geluk gehad, maar ben ook altijd extra voorzichtig te werk gegaan.”

Was u niet bang om gepakt te worden?

“Je deed het gewoon en ik zou het zo weer doen als het moest! Natuurlijk was ik wel bang voor verraad en daarom nam ik geen enkel risico. Ik vertrouwde niemand en deed alle acties liever zelf, zonder tussenpersonen. Sommige verzetsmensen dachten dat ik aan achtervolgingswaanzin leed, maar dankzij mijn alertheid heb ik wel de oorlog overleefd. Zo liep ik nooit recht op een adres af waar ik iets moest afleveren of ophalen, maar wandelde altijd eerst voorbij het huis om te kijken of de kust veilig was en of ik niet werd gevolgd. Ik schreef nooit iets op, maar leerde alle boodschappen en adressen uit mijn hoofd. Tijdens de oorlog kende niemand mijn echte naam, ik gebruikte altijd een schuilnaam, meestal ‘Els van Dalen’. Mijn afspraken liepen voor iedereen altijd anders, zodat ik niet te traceren was. Vaak ging ik op mijn intuïtie af en die was bijna altijd juist.
Eens ontmoette ik onze contactpersoon uit Overijssel in een café in Utrecht. Terwijl ik met hem zat te praten kreeg ik een slecht voorgevoel. Ik raadde hem aan om absoluut niet via het Centraal Station terug te gaan, omdat ik vermoedde dat er iets niet klopte. Helaas luisterde hij niet naar mijn advies en is daar opgepakt met belastend materiaal. Geen namen, maar wel onze bladen, bonkaarten en persoonsbewijzen. Een week later was hij dood. Dat vergeet ik nooit meer.”

Jos Gemmeke in Londen, februari 1945. Foto: privécollectie Jos Mulder-Gemmeke
Jos Gemmeke in Londen, februari 1945 Foto: privécollectie Jos Mulder-Gemmeke
 Londe

Raakte u ook betrokken bij andere verzetsacties?

“Jazeker. Naarmate de oorlog vorderde kreeg ik steeds meer andere opdrachten. Ik beschikte natuurlijk al over een handig netwerk en smokkelde brieven, bonkaarten of spullen voor onderduikers mee in mijn koffers. Hoe meer dingen we ernaast deden, hoe groter de kans op verraad of ontdekking werd. In augustus 1943 werd een zoon van een redacteur in Amsterdam gepakt door de Duitsers. Hij sloeg door en de groep Amsterdam werd opgerold. Wij hebben toen voor alle zekerheid al onze contactpersonen vervangen en zijn uit het Vredespaleis weggegaan. Onze productie werd overgenomen door de Utrechtse verzetsgroep van Johan Wüthrich. Ik dook onder in Geldrop. Cock kon zich niet meer vertonen, want de Duitsers hadden een foto van hem. Vanuit Geldrop verspreidde ik inmiddels een oplage van 25.000 exemplaren van ‘Je Maintiendrai’.
In augustus 1944 hadden we een vergadering met de hele groep van Wüthrich in Utrecht. Ik fietste naar Eindhoven en nam daar de trein. Bij Utrecht kreeg ik zo’n onrustig gevoel, dat ik niet ben uitgestapt. Die dag is de hele groep Wüthrich opgerold.”

Wat waren de meest spannende momenten voor u?

“Op een dag zat ik in een volle trein toen de Sicherheitsdienst (SD) opeens vanaf twee kanten de wagon binnenkwam. Ik voelde een SD-er al met een vinger op mijn schouder tikken. De trein reed station Vught binnen en in een flits zag ik door het raam op het perron mijn contactpersoon staan. Razendsnel draaide ik het raampje open en overhandigde hem mijn rieten mand met onder de bloemen en het breiwerk een zender verstopt. Ik gaf hem een knipoog als sein dat hij zich uit de voeten moest maken en riep zo luchtig mogelijk: ‘Doe ze de hartelijke groeten!’
Het angstzweet liep over mijn rug. Gelukkig controleerde niemand op het perron de inhoud van die mand. Toen de SD-er mij daarop vroeg of ik iets aan te geven had, antwoordde ik beleefd dat ik geen bagage bij me had. Als ze er toen achter waren gekomen was ik direct tegen de muur gezet.
Een keer moest ik in de trein bij een controle mijn koffer openen, waarin ik twee in kleding gewikkelde wapens smokkelde. Ik opende de koffer hield de revolvers in de kleding tegen het deksel gedrukt, de Duitser rommelde wat in de koffer en liep gelukkig weer door. Dat zijn momenten waarop ik echt geluk heb gehad!”

Jos Gemmeke, mei 1963 Foto: privécollectie Jos Mulder-Gemmeke
Jos Gemmeke, mei 1963 Foto: privécollectie Jos Mulder-Gemmeke

Wat was uw gevaarlijkste opdracht?

“In 1944 kreeg ik een zware opdracht om belangrijke verzetsinformatie en foto’s op microfilms naar Prins Bernhard in het reeds bevrijde België te smokkelen. Als hoofd van de Binnenlandse Strijdkrachten wilde de Prins weten hoe het met de onderlinge samenwerking binnen het verzet stond en zocht hij actuele gegevens over legerformaties en lanceerplaatsen van V-1 en V-2’s. Mijn Haagse verzetsgroep was ervan overtuigd dat een vrouw makkelijker door de linies heen zou kunnen fietsen.
Ik verstopte een aantal microfilms achter het spiegeltje in mijn poederdoos en naaide de overige microfilms in mijn schoudervullingen. Er werd mij goed uitgelegd waar de Duitse bewakers van bruggen en andere verbindingswegen stonden. Ik moest tegelijkertijd een koffer meenemen vol brieven voor onderduikers die al naar bevrijd gebied waren gebracht. Mijn rol was een zenuwpatiënt met een zenuwentrek in haar gezicht, die vanwege haar ziekte op doktersadvies naar haar familie in bevrijd Limburg moest. Onverhoopt werd ik aangehouden door een Duitse commandant bij de pont bij Gorinchem. Hij wilde me eerst niet doorlaten. Ik verzon met een trekkend gezicht een verhaal dat mijn ouders in Maastricht ongerust zouden zijn als ik niet naar huis kwam. Hij zei uiteindelijk lachend: ‘Ik vind het goed om je door te laten, als ik ook de inhoud van je koffer mag zien. Je kunt wel een spionne zijn!’ Een andere officier nam mij mee naar het tolhuisje waar hij mijn koffer doorgraaide. Opeens zag hij onder de kleding de brieven, in code uiteraard, bestemd voor onze contactadressen in het buitenland en schreeuwde: ‘Het is ten strengste verboden om ongecensureerde post naar het Zuiden te brengen!’ Opeens had ik weer enorm geluk: deze boze wachtpost werd afgelost. Tegenover de nieuwe wachtpost speelde ik de vermoorde onschuld en zei lachend: ‘Ik dacht dat ik er alleen maar goed aan deed om de post voor die mensen mee te nemen. Als u het niet vertrouwt, mag u ze gerust lezen en als alles in orde is doet u ze dan maar op de post!’ Ongelofelijk, maar hij is er ingetrapt en heeft die brieven daadwerkelijk op de bus gedaan! Later hoorde ik van mijn contactpersonen dat ze allemaal zijn aangekomen.
Wonderlijk genoeg mocht ik toen na lang aandringen mee met de pont en kon ik verder fietsen. De brug over de Maas bij Heusden moest ik over fietsen, dat was de enige verbinding met bevrijd gebied. Die brug werd dus uiterst zwaar bewaakt door de Duitsers. Op dat moment kwam het geluk letterlijk uit de hemel vallen, want de brug werd beschoten door een Engels squadron. Terwijl de Duitsers van de brug vluchtten, zag ik mijn kans schoon en fietste tussen de Engelse beschietingen door de brug over. Ik kreeg nog een granaatscherf in mijn achterband, maar ik was de brug in elk geval over.”

Jos Mulder-Gemmeke
Jos Mulder-Gemmeke Foto: Ellen Lock

Hebt u uw missie uiteindelijk volbracht?

“De reis naar Brussel was lang en gevaarlijk. Maar eenmaal daar aangekomen was mijn missie geslaagd en werd ik uitgenodigd voor een luxe diner met de Prins. Ik zat naast hem en dronk voor het eerst van mijn leven een glas roze champagne. Ik was erg onder de indruk van al die luxe. In mijn koffer had ik gelukkig nog een zwart zijden jurkje meegenomen en daar had ik de gouden epauletten van mijn vaders gala-uniform op gezet. De Prins vond mijn jurk schitterend. Hij vroeg mij wat ik wilde gaan doen na deze opdracht. Ik wilde meteen terug naar bezet gebied om mijn verzetswerk voort te zetten. De Prins vond het te gevaarlijk dat ik opnieuw door de vijandelijke linies zou gaan. Ik mocht alleen terugkeren naar bezet gebied als ik eerst in Engeland een training zou volgen bij de Britse geheime dienst. Daar stemde ik mee in. Ik werd opgeleid tot geheim agente en kreeg ook een parachutistentraining. Koningin Wilhelmina vroeg of ik haar secretaresse wilde worden, maar ik wilde terug naar mijn verzetswerk in Nederland.”

Lukte het u om terug te keren?

“Op 10 maart 1945 werd ik in een ijskoude stormachtige nacht vanuit een Stirling-bommenwerper boven Nieuwkoop geparachuteerd met kisten vol wapens, penicilline en zenders. Vanwege het slechte weer vloog het vliegtuig te laag boven de weilanden. Daarom kon ik geen goede sprong maken en kwam heel hard op mijn rug terecht in een slootkant. Vervolgens gleed ik direct in een ondiepe sloot. Kletsnat werd ik opgevangen door verzetsmensen en die brachten me naar een boerderij in de buurt. De missie was geslaagd. Het pistool dat ik meekreeg heb ik gelukkig nooit hoeven te gebruiken. Ik droeg allerlei geheime informatie op mijn lichaam en honderdduizend gulden voor het verzet. De dag daarop werd ik ernstig ziek door een infectie die ik in de sloot had opgelopen. Die eerste penicilline voor de Nederlandse ziekenhuizen, die ik zelf mee had genomen uit Engeland, kwam toen goed van pas!”

Heeft u nog last van de oorlog gehad?

“Ik ben altijd alert gebleven. Waar ik ook ben, ik ga altijd strategisch zitten, met mijn rug naar de muur en goed zicht op de uitgang, zodat ik iedereen in de gaten kan houden. Dat blijf je houden. Mijn onderrug is door de klap bij die verkeerde parachutesprong permanent beschadigd. Bij iedere pijnscheut word ik aan die sprong herinnerd. Maar dat is niets vergeleken bij wat anderen hebben moeten doorstaan. Veel verzetsstrijders hebben een veel hogere prijs betaald. Ik trouwde in 1947 en kreeg een zoon en een dochter. Pas toen ik zelf kinderen had, begreep ik hoe dubbel zwaar het verzet moet zijn geweest voor mijn verzetsvrienden die de verantwoordelijkheid hadden voor een heel gezin!”

“Maar nu vertel ik graag nog iets heel wonderlijks in verband met die oorlog. In 1961 leerde ik bij een herdenkingsceremonie op vliegveld Ypenburg mijn derde echtgenoot, Joop Mulder, kennen die als oorlogsvlieger bij de RAF het commando over het 320 Dutch Squadron had gevoerd. Hij was ook Ridder in de Militaire Willems-Orde. Pas tien jaar nadat we getrouwd waren kwamen we er bij toeval achter dat zijn squadron mij in de oorlog beschoten heeft. We waren op bezoek bij een bevriende vlieger uit dezelfde eenheid. Bij het bekijken van oorlogsboeken vroeg ik: ‘Wat deden jullie eigenlijk op 23 oktober 1944?’ Ze keken het na in hun vluchtregistratie en toen bleek dat zij die brug bij Heusden hadden beschoten en het mij dus mogelijk hadden gemaakt de oversteek over de Maas te maken. Vlieger Mulder had toen bijna zijn toekomstige echtgenote doodgeschoten!”

Interview: Ellen Lock, PUR-cliëntenblad Aanspraak, Maart 2009