Dolle Dinsdag redde pilotenhelpster Joke Folmer het leven

Tijdens de oorlog belandden veel bemanningsleden van neergeschoten geallieerde vliegtuigen in Nederland. Ze werden vaak opgevangen door de bevolking en later door het verzet het land uit gesmokkeld. Joke Folmer, die als 17-jarig meisje bij het verzet betrokken raakte, zou in de loop van de oorlog samen met andere verzetsmensen meer dan honderd vliegers en andere vluchtelingen de grens over weten te krijgen.

Al vertellend haalt Joke Folmer een witte parachute tevoorschijn: “Kijk, deze zijden parachute kreeg ik na de oorlog en was van een van de jongens die ik heb gered. Er is een strook uit verwijderd voor mijn trouwjurk.” In 1942 raakte zij betrokken bij het verzet: “Het begon toen mijn joodse vriendin Rosette moest onderduiken en ik gevraagd werd haar huiswerk te bezorgen. Haar familie is verraden en heeft de kampen niet overleefd. Vaak denk ik nog aan hen. Al gauw bracht ik ook ‘verdachte’ pakjes rond en weer later begeleidde ik mensen, waaronder Amerikaanse, Canadese en Engelse piloten, naar verschillende adressen en de grens met België over.”

Joke Folmer.
Foto: Ellen Lock

Hollandse manieren

"Bang was ik wel, maar ik ging heel zorgvuldig te werk. Ik had drie checkmethodes. Mijn vader werkte op het politiebureau in Zeist en ontvreemdde Duitse telexberichten waarin vermeld stond waar en wanneer geallieerde vliegtuigen waren neergekomen. Die telexgegevens gebruikte ik om de piloten te traceren. Via een geheime zender werd contact opgenomen met Engeland om alle informatie na te gaan uit angst voor spionnen. Ook ondervroeg ik de piloten met plaatjes over typische vliegersuitdrukkingen. Herkenden ze een tekening van een Gremlin, dan zat het wel goed.”

Joke Folmer regelde voor de geallieerde piloten Hollandse kleding en een fotograaf voor de foto op het persoonsbewijs. “Zij kregen altijd makkelijk uit te spreken namen zonder ‘ch’ of ‘r’ dus het werd iets van ‘Jan Vis’ of ‘Klaas Jansen’. Ook leerde ik hen Hollandse manieren. Amerikanen en Engelsen staan uit beleefdheid op voor een dame die opstaat of de coupé binnenkomt. Dat mochten ze dus niet meer doen. Zelfs tafelmanieren leerde ik hen, want Amerikanen aten met één hand. Zodra ze ‘aangepast’ waren, bracht ik ze per trein naar de grensmensen in onder andere Venlo en Maastricht en soms zelfs naar Antwerpen, Brussel of Luik. Eens begeleidde ik drie Engelse piloten op station Utrecht. Een vrouwelijke stationswacht van het Leger des Heils waarschuwde me: “Mevrouw, u wordt door die mannen gevolgd, u kunt beter met mij meekomen, want dan bent u veilig!” Met een knipoog vertelde ik haar dat dit juist de bedoeling was. Sindsdien probeerde ik station Utrecht te vermijden, want kennelijk vielen we toch teveel op. Omdat ik telkens piloten over dezelfde treinlijnen naar België smokkelde, redde een Nederlandse conducteur me een keer, door mij te waarschuwen dat we via het bagagedepot het station moesten verlaten. Bij de hoofdingang zag ik inderdaad Duitse controle.”

Joke Folmer.
Foto: Ellen Lock.

Opgepakt

In april 1944 werd Joke nadat haar moeder wekenlang was gevolgd in Amsterdam, samen met haar moeder opgepakt. Haar moeder werd als gijzelaar naar Vught gebracht, zodat Joke niet zou ontsnappen. Joke kreeg zes weken eenzame opsluiting in ‘Het Oranje Hotel’ in Scheveningen. “Gelukkig was ik als kind op de plantage van mijn vader veel alleen geweest. Nog altijd heb ik een paperclip in mijn portemonnee, omdat ik daarmee onder andere een hoopgevend gedicht op de gevangenismuur kraste. Tijdens de verhoren werd ik met een stok hard op mijn hand geslagen. Ze wisten alleen dat ik vijf Engelsen had geholpen en bleven doorvragen. Ik was opgelucht dat ze zo weinig wisten. Onder het eelt van mijn handpalm had ik een naald verstopt en borduurde op mijn vaders zakdoek de namen van de gevangenissen, te beginnen met Scheveningen en Kamp Vught.

Samen met twee andere meisjes uit de verzetsgroep ‘Fiat Libertas’ werd Joke voor hulp aan piloten ter dood veroordeeld tijdens een proces in Utrecht. Vanwege Dolle Dinsdag, 5 september 1944, raakte de procesgang verstoord en werden ze halsoverkop in veewagens naar Duitsland vervoerd. Ze behoorden tot de gevangenen van de zogenoemde ‘Nacht und Nebelgruppe’. Nacht und Nebel was een speciale strafklasse die in opdracht van Hitler was ingesteld om verzetsmensen spoorloos te laten verdwijnen. Folmer: “Negen maanden brachten we in verschillende gevangenissen in Duitsland door. De procespapieren met de veroordeling bleven achter. Ze werden wel nagestuurd, maar hebben ons nooit ingehaald. Met zo’n driehonderd vrouwen werden we in Duitsland van hot naar her gestuurd, omdat we geen papieren hadden. Slechts 32 politieke gevangenen ontsnapten aan de executies en overleefden de ziekten en de honger. Uiteindelijk werden we uit de gevangenis in Waldheim, zo’n 60 kilometer ten westen van Dresden, door een Russische soldaat bevrijd. Een Française hief de Marseillaise aan! Zo’n moment vergeet je nooit meer. In deze chaotische periode moesten we oppassen dat we niet werden verkracht. Een Hollandse medegevangene uit Waldheim bleef in onze buurt, zo zwak als hij was, om ons te beschermen. We zaten in de Russische zone, die steeds strenger gecontroleerd werd. Na vergeefs wachten op het Rode Kruis probeerden we met een roeiboot de Elbe af te zakken. Dit mislukte en we kwamen in een Russisch kamp terecht. Na een uitwisseling met een Amerikaans kamp vol Russen, bereikten we eind juni 1945 Nederland.”

’Opeens kwam de Engelse koningin naast me zitten.’ Foto: Familiealbum Joke Folmer.

’Opeens kwam de Engelse koningin naast me zitten.’ Foto: Familiealbum Joke Folmer.

Herdenken

Haar verzetsleven overziend, zegt de nu 84-jarige Joke Folmer: “Nachtmerries heb ik nooit gehad, maar wel dagmerries. En ik heb er enkele hebbelijkheden aan overgehouden: Zo kan ik bijvoorbeeld niet tegen een ruimte zonder raam, de geur van koolraap of mensenmassa’s. Na de oorlog stuurde de oorlogshistoricus Loe de Jong mij alle originele Duitse documenten op, die precies aangaven wat ze van ons wisten. Via bekentenissen van pilotenhulpen hebben ze bijna onze gehele groep in kaart kunnen brengen. Mijn naam stond ook in het schema van contactpersonen vermeld. De enveloppe met onze doodvonnissen, die ons telkens achterna reisde, had stempels van alle Duitse gevangenissen waar wij gevangen hadden gezeten.” Enthousiast vertelt ze: “Twee jaar geleden werd ik uitgenodigd voor een speciale herdenking in Londen voor vrouwen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik mocht mijn dochter meenemen. Na de herdenking moesten we in een speciale rij achter Koningin Elisabeth lopen naar het Ministerie van Oorlog. Mijn dochter kon praten met Margaret Thatcher. Ik moest voor in de zaal naast een lege stoel gaan zitten. Maar wat een verrassing toen opeens de Engelse koningin naast mij kwam zitten. Ze was heel vriendelijk en vroeg waar ik vandaan kwam en naar mijn verzetsverleden. Zelf had ze in de oorlog auto’s gerepareerd. Het was heel bijzonder om zo persoonlijk met haar te praten. Mijn Engelse rechter buurvrouw van 92 merkte toen met een hoge stem op: ‘Uwe Majesteit, het is een hele bijzondere dag, Joke Folmer is vandaag jarig!’ De gelukwensen voor mijn 82e verjaardag volgden. Ik ben er nog verbaasd over.

Jarenlang heb ik voorlichting gegeven op scholen. Ik vond het heerlijk om dan onder andere de parachute voor de dag te toveren en aan de hand van allerlei voorwerpen uit de oorlog mijn verhaal door te geven. Ook vond ik het belangrijk om altijd de verbinding met actuele problemen te maken. De vragen en de gesprekken hierover vond ik het leukst. Leerlingen vroegen mij vaak: ‘Zou u het weer doen?’ ‘Ja,’ antwoordde ik altijd, ‘ik kon niet anders.’”

Interview: Ellen Lock, PUR-cliëntenblad Aanspraak, december 2007.