Schipperen tussen twee culturen

Mijn geboorteland is me ontnomen en heet nu Indonesië

John Simons vertelt over zijn geboorteland Nederlands-Indië, hoe hij als Indische-Nederlander onder de wapenen werd geroepen voor het KNIL, over de dwangarbeid in het jappenkamp, hoe hij Nederlands-Nieuw-Guinea in 1962 uiteindelijk moest verlaten en de overtocht maakte naar Nederland. Ongewild verliet hij Indonesië en bevindt zich tussen twee culturen: ‘Mijn geboorteland Nederlands-Indië is me door de Japanse bezetter en door Soekarno afgenomen. Omdat ik na de overgave aan Japan in maart 1942 weigerde de loyaliteitsverklaring te tekenen, het Nederlandse gezag af te zweren en het Japanse regime te aanvaarden.’

Een studiebeurs

‘Op 2 april 1923 ben ik geboren in een christelijk gezin in Bandjarnegara op Midden-Java als tweede van de vier zonen.

Frederik - altijd Fré genoemd, ik, Bertus en Jules - altijd Ventje genoemd. Wij spraken als gezin Nederlands met elkaar en een beetje Maleis. We behoorden tot de Nederlandse bevolkingsgroep de zogenoemde Indo-Europeanen. Als kind wilde ik zeeofficier worden. De lagere school en de mulo deed ik in Padang aan de westkust van Sumatra, waarbij mijn broers en ik ruim zesenhalf jaar in steeds wisselende kosthuizen bij vreemde families werden ondergebracht. Op mijn vijftiende kon ik dankzij een studiebeurs van het Indo-Europees Verbond naar de technische school in Bandoeng voor de machinistenopleiding.’

John Simons, 2016.
John Simons, 2016. Foto: Ellen Lock.

Mobilisatie

‘Na de Japanse aanval op Pearl Harbor, 7 december 1941, moest ik me melden bij het 1ste Bataljon Infanterie KNIL. Hoewel ik vanwege mijn studie vrijstelling van dienstplicht had, viel ik onder de algehele mobilisatie. Rebels gooide ik de oproepbrief weg, omdat ik verder wilde studeren. De volgende dag haalde de motorpolitie met zijspan me op. Er waren veel laatkomers zoals ik. Om de week werden de nieuwe rekruten overgeplaatst. Uiteindelijk kwam ik bij de rekruten-compagnie 1 van het 1ste Depotbataljon KNIL op de theeonderneming Tanara ten zuiden van Bandoeng.’

Krijgsgevangenschap

‘Na de capitulatie van het KNIL op 8 maart 1942 en de overgave van Nederlands Oost-Indië aan de Japanse Krijgsmacht is mijn compagnie afgevoerd naar Djatinangor, een rubberonderneming, gelegen bij Tjiandjoer ressort Bandoeng. Ons onderkomen was in barakken gebouwd van gevlochten bamboe en houten palen. Daar ontmoette ik mijn broer Bertus. Als corvee moesten we grote zakken meel en rijst op vrachtwagens laden. Deze vrachten kwamen kennelijk van de tijdens de oorlog in Europa sinds 1940 opgeslagen voedselvoorraden.

Familie Simons: Pap, Bertus, Ventje (Jules), John, Moesje, te Padang, juli 1942 (Fré was toen in Malang). Foto: Familiearchief John Simons.
Familie Simons: Pap, Bertus, Ventje (Jules), John, Moesje, te Padang, juli 1942 (Fré was toen in Malang). Foto: Familiearchief John Simons.

De vrachtwagens reden door het kamp naar hun bestemming. Er viel weleens een zak van een vrachtauto af, dus bakten we zelf brood in ovens die we van klei maakten.

Bertus en ik waren vrijwel onafscheidelijk van elkaar. Na een maand werd het kamp ontruimd en werden wij als krijgsgevangenen in open vrachtwagens overgebracht naar de kazernes van het 4e en het aangrenzende 9e Bataljon Infanterie in Tjimahi. In dit grote kamp ontmoetten Bertus en ik onze oudste broer Fré, die sergeant was en woonde in een onderofficiersverblijf in het 9e Bat. Het regime werd al snel strenger. De kampcommandant liet de weggelopen militairen, die door de inheemse bevolking waren aangebracht, executeren. Alle krijgsgevangenen werden gedwongen ernaar te kijken. Ik stond bewust achteraan en kon dus niets zien. In september 1942 werden de technici onder ons geselecteerd en in geblindeerde treinwagons vervoerd naar het 10e Bataljon in Batavia. Mijn broers moest ik dus achterlaten. In het 10e Bat was er een strenge Japanse kampcommandant, Sonei, die naar de verhalen later, hardvochtig heerste over het vrouwenkamp Tjideng. In dit kamp werkte ik als vrijwilliger in de ziekenboeg. Samen met andere gezonde vrijwilligers hield ik alles schoon, maakte wonden schoon, smeerde levertraanzalf en waste patiënten.’

Op transport naar Japan

‘Na drie maanden vertrokken we in geblindeerde en hete treinwagons naar Soerabaja. Die reis duurde 12 uur. Om vervolgens op een voormalig KPM-vrachtschip vanuit Soerabaja naar Singapore te varen. Daar werden we in Changi in de voormalige Engelse kazernes ondergebracht. Hier ontmoette ik mijn broer Bertus tussen de gevangenen, die naar later bleek, daarvandaan zou vertrekken voor de dwangarbeid aan de Birma-spoorweg.
Op 2 april 1943 voeren we per schip vanuit Singapore naar de Japanse havenplaats Modji op het zuidelijk eiland, waar we op 24 april aankwamen. Aan boord was ik zo zwaar ziek van de dysenterie dat ik zelf de moed al had opgegeven. Mijn vrienden overtuigden mij om toch de zoute pap te eten. Ze ondersteunden me toen ik de loopplank afstrompelde. In Modji zag ik alleen maar kersenbloesems. Driehonderd gevangenen, waaronder zieken, gingen in een trein met geblindeerde wagons naar Nagasaki om daar te werken op de Mitsubishi scheepswerven. Van die reis weet ik niets, want ik raakte buiten bewustzijn.’

Nagasaki, kamp Fukuoka 14

‘Het kamp Fukuoka 14 lag in Nagasaki bij het station en stond onder leiding van commandant Shirabe. Hij was vriendelijk. In zijn welkomstwoord hoopte hij voor ons dat de oorlog snel voorbij zou zijn en dat alle gevangenen weer in goede gezondheid naar hun familie zouden gaan. Hij zorgde voor rust, goede voeding en huisvesting. Wij kregen Japanse soldatenkleding uitgereikt, inclusief een warme jas tegen de winterse kou. Op al je kleding was je kampnummer aangebracht. Ik was nummer 259.
Pas nadat de zieken waren hersteld, gaf kampcommandant Shirabe toestemming om ons te laten werken. Onder militaire bewaking van ons kamp liepen we dagelijks een klein uur van en naar de scheepswerf. Daar stonden wij onder bewaking van de Marine en het werk geschiedde onder toezicht van burgeropzichters, de zogenoemde ‘hantjou’. Na 10 dagen werken, hadden we een dag rust. Op de rustdag kregen we toestemming voor een bezoek aan de dichtstbijzijnde kathedraal van Urakami. Op de scheepswerf waren wij werkzaam in ploegen van schoonmakers, sjouwers, klinkers, klinknagelverhitters, boorders en gatenruimers. Oogluikend werd het contact met de andere arbeiders, mannen en vrouwen, Japanners, Chinezen en Koreanen, toegestaan. Mijn hantjou kon ook Maleis spreken. Na verloop van tijd leerden we een beetje Japans verstaan en spreken.’

Ernstig ziek

‘In de zomer van 1943 was ik op een negen meter hoge stellage tewerkgesteld aan de buitenkant van een scheepsromp, waardoor ik continu in de koude zeewind stond. Ik kreeg een zware longontsteking en stond toen onder behandeling van de Japanse kamparts. Eind augustus mocht ik weer naar de scheepswerf. In de zomer en winter van 1942 en 1943 stierven er vele medegevangenen hoofdzakelijk aan longontsteking. Maar ik hoopte ‘Alles sal reg kom’, zoals Pieter Maritz schreef.
In juni 1945 ben ik met honderd man naar het krijgsgevangenenkamp Fukuoka 22, Branch Camp Honami, bij de stad Lizuka overgebracht om te werken in een kolenmijn. Door een instorting raakte ik bedolven onder de steenkool en ben ik bewusteloos naar het kamp gebracht. Na enkele dagen moest ik tunnels graven in de heuvels. Op 9 augustus zag ik Amerikaanse bommenwerpers overvliegen. Lizuka ligt 124 kilometer ten noorden van Nagasaki, dus ik merkte niets van de atoombom op de stad. Wij hoorden van de Japanse burgerbewaking dat er allesverwoestende bommen op Hiroshima en Nagasaki waren gegooid. Vanaf 10 augustus 1945 gingen we niet naar het werk.’

Bevrijd in Japan

‘Pas enkele dagen later vertelde de Japanse kampcommandant tijdens een appèl dat de oorlog voorbij was. Na de ceremoniële machtsoverdracht en officiële invrijheidstelling van de gevangenen ben ik buiten bewustzijn geraakt, want ik werd liggend op mijn rug wakker en enkele mensen waaronder een Japanner zaten naast mij om mijn gezicht en beide polsen met koude doeken te betten. Geheel alleen heb ik daarna mijn dagboek verscheurd, bladzijde na bladzijde, waarbij ik steeds in mezelf zei: ‘Dit is voorbij. De goede ervaringen wil ik vertellen, alle slechte dingen wil en zal ik vergeten.’ Onderwijl stroomden de tranen over mijn wangen. Ook besefte ik dat alles wat wij de afgelopen jaren ondervonden hadden te wijten was aan de arrogantie van onze regeringsleiders om het militair sterkere Japan na de aanval op Pearl Harbor de oorlog te verklaren, waardoor het leed over ons werd afgeroepen. Ik ben toen uit het kamp weggegaan en ben kennelijk doelloos gaan ronddwalen. Ik heb mensen aangesproken die mij niet verstonden en zij hebben mij teruggebracht. Na een goede nachtrust ben ik weer tot mezelf gekomen.
De hoogste in rang in het kamp was een Amerikaan. Hij kreeg van de Japanse kampcommandant het commando overgedragen. Buiten het kamp schilderden we een groot wit kruis op een heuvel voor de Amerikaanse piloten die voedsel en uniformen dropten. In een overwinningsroes bezochten we per trein verschillende Japanse dorpen. Eind augustus kregen we overvloedige Amerikaanse voedseldroppings en ruilden de ingeblikte spullen voor verse Japanse etenswaren. In september 1945 werden we geëvacueerd en reden we door het verwoeste Nagasaki. De ramen waren geblindeerd, we mochten er officieel niets van zien.’

Moeders brief

‘Op een Amerikaans vliegdekschip werden we overgebracht naar Manilla. Daar kregen wij weer de status van KNIL-militair. Via het Rode Kruis vernam ik dat mijn moeder uit het vrouwenkamp Bangkinang (Sumatra’s Westkust) naar Medan (Sumatra’s Oostkust) was overgebracht. Ik kreeg een brief van moeder dat vader was overleden in het kamp Bangkinang op 26 maart 1945. Moeder schreef dat vader in het verzet had gezeten op Sumatra. Hij had informatie verzameld over locaties van de Japanners. Hij is gepakt en zat nog samen met Ventje in de strafgevangenis op Padang. Moeder schreef mij: ‘Laat de wraak aan de Heer over.
Eind september 1945 werd ik naar Singapore gebracht en ingedeeld bij de militaire politie ter bewaking van de opvangkampen voor geëvacueerde vrouwen en kinderen uit Indonesië.’

Het weerzien met Fré in Medan

‘In februari 1946 vroeg ik verlof aan om naar de door de Engelsen bezette stad Medan te gaan om mijn moeder te zien, maar ik ontmoette daar mijn broer Fré en ik sprong door een open raam in zijn armen. Hij werkte bij de Engelse dienst voor opsporing van oorlogsmisdadigers. Door zijn toedoen hoefde ik niet terug naar Singapore en ik vroeg overplaatsing aan naar Medan.

Ik mocht in het Engelse beschermde gebied werken als chauffeur voor het troepencommando van de latere Z-Brigade onder de generaal Scholten op Noord-Sumatra. In mei 1946 ben ik als tropenadviseur gedetacheerd bij de 3-3 RI, 7e December Divisie van de Koninklijke Landmacht (K.L.). Als tropenadviseurs wisten we te voorkomen dat de K.L.-militairen wraakacties ondernamen als reactie op de moorden door de Indonesische gewapende burgers op de K.L.-militairen tijdens hun patrouille.’

John Simons in uniform Gouvernements Marine, 1950. Foto: Familiearchief John Simons.
John Simons in uniform Gouvernements Marine, 1950. Foto: Familiearchief John Simons.

Afscheid van mijn geboorteland

‘Mijn moeder en Ventje ontmoette ik tijdens een tweewekelijks verlof in januari 1947 in Batavia. Het weerzien was onbeschrijfelijk. In juni 1947 werd ik gedemobiliseerd en werkte tot 20 december 1949 als chef personeel bij het leger en de inlichtingendienst van de Negara Sumatera Timur. Dat was een volksleger voor de deelstaat Sumatra Oostkust van de Republiek Indonesië in wording. Eind december vertrok ik naar Nederlands-Nieuw-Guinea. Het werd van gouvernementswege gestimuleerd dat wij daar als Indische-Nederlanders een veilige toekomst zouden hebben, omdat Nieuw-Guinea Nederlands grondgebied zou blijven. In 1953 ging ik voor het eerst naar Nederland en werd toegelaten op de Machinistenschool in Amsterdam. Vanaf juli 1954 tot 1962 was ik bedrijfsleider Elektriciteitswezen te Ifar en hotelmanager in Biak. Soekarno kreeg toch zijn zin wat betreft de inlijving van Nieuw-Guinea. In april 1962 is mijn gezin om veiligheidsredenen geëvacueerd naar Nederland. Op 7 oktober 1962 ben ik vanuit Nieuw-Guinea voorgoed naar Nederland gegaan, tegen mijn zin in, want ik hield van mijn geboorteland.

In Nederland word ik gezien als Indonesiër en in Indonesië ben ik te Hollands, een belanda. In 1984 ging ik met mijn broers naar het graf van vader op het Ereveld Leuwigadja bij Cimahi. Mijn oudste broer Fré stierf in 2009 en zijn as is door zijn weduwe en kinderen bijgezet in vaders graf. Ventje is overleden in 1994. Alleen Bertus is nog in leven, maar woont in Spanje en is ernstig ziek. In maart 2016 ontving ik de Uitkering Backpay van 25.000 euro, omdat ik bij het KNIL in dienst was en ik tijdens de oorlog geen salaris heb gehad. Nu kan ik hem dit najaar weer een bezoek brengen.’

In mijn handen een foto van het graf van mijn vader op het ereveld in Leuwigadja bij Cimahi op West-Java. Vader stierf op 26 maart 1944 in het mannenkamp Bangkinang.
In mijn handen een foto van het graf van mijn vader op het ereveld in Leuwigadja bij Cimahi op West-Java. Vader stierf op 26 maart 1944 in het mannenkamp Bangkinang. Foto: Ellen Lock.

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak september 2016.