Eén bomexplosie bepaalt de rest van je leven

Jelke van Wattum ervaart dagelijks de gevolgen van het bombardement op Rotterdam.

Jelke van Wattum raakte op 10-jarige leeftijd ernstig getroffen door het bombardement op zijn ouderlijk huis in Rotterdam op 14 mei 1940. Hij verloor hierbij zijn moeder en broertje, zijn linkerhand en een deel van zijn kaak en gezicht. Vele plastische chirurgie operaties volgden in zijn leven. Nog staren mensen hem aan omdat zijn verwondingen zichtbaar zijn gebleven. Bij iedere handeling wordt hij met de oorlog geconfronteerd. Hoe is het hem sinds dat moment vergaan?
Jelke van Wattum, april 2017.
Jelke van Wattum, april 2017. Foto: Ellen Lock.

Alles in puin

Op 14 mei 1940 zat ik aan de eettafel met mijn broertje, mijn moeder, mijn oma en mijn nichtje. Mijn zus was die dag even voor een boodschap weg en mijn vader was op dat moment in Zeeland voor zijn werk. Hij was vertegenwoordiger in tabak, koffie en thee. We woonden in de Vijverhofstraat 141 A in Rotterdam, in de buurt van het huis waar ik op 25 augustus 1929 ben geboren. Een aantal dagen daarvoor, op 10 mei, hadden we ’s morgensvroeg al buitenspelend Duitse parachutisten in de verte naar beneden zien komen. In die begindagen van de oorlog hoorden we het luchtalarm af en aan. We moesten dan zoveel mogelijk binnen blijven en zo ver mogelijk bij de ramen vandaan zitten. Vlak voor het bombardement zaten wij met elkaar om de eettafel met kartonnen bouwplaten van speelgoedvliegtuigjes te spelen. We zaten zo in ons spel dat we geen vliegtuig hoorden aankomen. Mijn drie jaar oudere broer Gijs was veel handiger met het in elkaar zetten dan ik. Hij wilde later bouwkundig tekenaar worden. Ik vroeg mijn broer om mij te helpen bij het knutselen en stond op van mijn stoel. Op dat moment viel een brisantbom in onze huiskamer en in één seconde lag alles in puin.

Ouderlijk gezin, Gijs (links) en Jelke (rechts) liggend in het gras, 1939, Foto: familiearchief Jelke van Wattum.
Ouderlijk gezin, Gijs (links) en Jelke (rechts) liggend in het gras, 1939, Foto: familiearchief Jelke van Wattum.

‘Boven’

Alles wat nu volgt heb ik van horen zeggen, want ik was direct buiten bewustzijn. Toen ik het Eudokia ziekenhuis werd binnengedragen, zei een arts: ‘Geef hem maar wat morfine, want die haalt de avond niet.’ Ik bleek ernstig getroffen in mijn gezicht, mijn linkerkaak was gebroken en mijn linkerhand was verbrijzeld door een bomscherf. Tegen de verwachting in ademde ik na vijf uur nog steeds. Later hoorde ik van de arts dat mijn operatie zes uur heeft geduurd. Hij wilde net naar huis gaan, maar heeft me toen toch nog geopereerd.
Mijn broer werd direct bij binnenkomst in het ziekenhuis geopereerd, maar is diezelfde avond overleden. Mijn moeder was op slag dood. Mijn grootmoeder kwam mij geregeld opzoeken, maar zij mocht van de artsen niet vertellen dat mijn moeder en broer dood waren, omdat ik nog veel te zwak was voor slecht nieuws. Mijn vader kon die dag vanuit Zeeland niet terugkomen, want het verkeer werd tegengehouden bij Roosendaal. Na één dag kwam hij thuis en trof alles in puin aan, zijn vrouw en oudste zoon overleden. Mijn vader heeft met de broers van mijn moeder - allen bouwvakkers - geregeld dat ze niet in het massagraf in Crooswijk zijn begraven, maar samen in een familiegraf. Zij hebben zelf een kist vervaardigd. De begrafenis werd voor mij verborgen gehouden. Dagelijks kreeg ik bezoek van mijn grootmoeder, vader en zus. Als het over mijn moeder en broer ging zeiden ze dat ze ‘boven’ waren. Dus ik dacht dat ze op een hogere etage werden verpleegd. Eenmaal uit bed na een maand ging ik op onderzoek uit en ontdekte onthutst dat ze helemaal niet boven lagen, maar dat met ‘boven’ de hemel werd bedoeld.
Gijs en moeder, 1940. Foto: Familiearchief Jelke van Wattum.
Gijs en moeder, 1940. Foto: Familiearchief Jelke van Wattum.

Bouillon met een rietje

Een verpleegkundige vertelde me later dat er een pastoor naar me had gekeken om het sacrament van de stervenden toe te dienen, omdat ik er zo erg aan toe was. Mijn hoofd en arm zaten in het verband en ik kreeg alleen maar drinkbouillon door een rietje in mijn rechtermondhoek tussen het verband door. Ze gaven me veel morfine. Een buurjongen vertelde me veertig jaar later: ‘Het leek wel of er een bom in je mond was ontploft.’ Toen ik mijn ogen eenmaal weer mocht openen, lag ik op een zaal met lichtgewonde militairen die aan de Maas hadden gevochten. Ze konden vrolijk feestvieren en plaagden de verpleegsters graag, waardoor ik veel lol had met hen. Mijn linkerhand was geamputeerd en mijn kaak was gezet door een chirurg, dokter van Ree, die knap werk heeft geleverd door met een plaatje de losse kaakdelen aan elkaar te hechten. Deze dokter heeft een stuk huid van mijn bovenrug gehaald en hier een nieuwe wang voor mij van gemaakt. Maandenlang moest ik rust houden in het ziekenhuis. Ik werd verwend door al het personeel, mijn medepatiënten en door mijn bezoek.

Ter herinnering

Pas na drieënhalve maand mocht ik naar huis. Op de dag dat ik het ziekenhuis verliet, werd ik elf jaar en dus werd ik bedolven onder de cadeaus van het personeel. Dokter van Ree zei: ‘Jij hebt het overleefd omdat je zo taai bent!’ 
Mijn grootste schatten zijn de oorknopjes van mijn moeder die ze altijd droeg en ook in had toen het gebeurde. Een jaar na de explosie had mijn vader ter herinnering speciaal voor mij en voor haar broer van de oorknopjes twee dasspelden laten maken. Jaren later bij de 4 mei herdenking bij het landelijk monument voor burger-oorlogsgetroffenen kwam mijn nichtje naar me toe met een doosje: ‘Wij hebben de dasspeld met de oorbel van jouw moeder voor je meegenomen. Mijn vader heeft de dasspeld altijd op zijn revers gedragen, maar hij is nu overleden en voor jou is de oorbel van grotere emotionele waarde.’ Ik was zeer ontroerd door dit cadeau. Van moeders oorknopjes in beide dasspelden heb ik toen één dasspeld laten maken. Ik koester deze dasspeld als mijn meest dierbare bezit, samen met de foto van mijn moeder en broertje. Jaren later zag ik in een droom mijn moeder zonder arm op de grond liggen en mijn broer aan tafel met zijn hoofd voorover op zijn armen. Misschien heb ik dit beeld toch opgevangen destijds.
De dasspeld met de twee oorknopjes van mijn moeder.
De dasspeld met de twee oorknopjes van mijn moeder. Foto: Ellen Lock.

Zouden ze hebben kunnen onderduiken?

Mijn vader hertrouwde na een jaar met een vriendin die vaak bij ons had gelogeerd toen moeder nog leefde. Zij was verpleegkundige in het Eudokia ziekenhuis, maar kwam uit Stadskanaal uit de buurt van het dorp Mussel. Op haar vrije dagen logeerde ze vaak bij ons omdat het openbaar vervoer zo moeizaam was in die tijd. Wij verhuisden van Rotterdam naar de binnenstad van Breda waar ik na de lagere school het eerste jaar van de mulo volgde. Hier bleven we tot het einde van de oorlog wonen. Een Joods gezin uit onze straat, de familie Platvoet, was opeens verdwenen en kwam nooit meer terug. ‘Zouden ze hebben kunnen onderduiken?,’ vraag ik me nog steeds af. Na de oorlog heb ik dit nog nagevraagd bij het NIOD en het Rode Kruis, maar die wisten het niet. In Breda zaten veel mensen ondergedoken. De organist in de kerk speelde op Koninginnedag het Wilhelmus tussen de gezangen door en iedereen zat te genieten, omdat dit verboden was in oorlogstijd. Op 29 oktober 1944 werd Breda al bevrijd door Poolse tanks. We aten compact brood zonder gist omdat de gistfabriek bij Delft nog in bezet gebied lag. Er waren feesten in de stad op het plein. Vlak na de oorlog ben ik opnieuw aan mijn gezicht geholpen door een Joodse plastisch chirurg, dokter Koch. Hij was voor de oorlog gevlucht naar Londen en had daar tijdens de oorlog veel Engelse RAF-piloten opgelapt. Hij heeft me vaak geopereerd en goed geholpen.

Krantenbericht na de oorlog.
Krantenbericht na de oorlog.

Een spiegel voorgehouden

Ik wilde niets liever dan gewoon leven en absoluut niet zielig gevonden worden. We gingen elke zondag naar de kerk. Al op heel jonge leeftijd leek het mij wel wat om dominee te worden. Zo klein als ik was, liep ik dit al te verkondigen en dan had iedereen lol. Aan mijn droom om dominee te worden was door de oorlog niets veranderd. Het was gelukkig een beroep dat je prima zonder hand kunt uitoefenen. Daarom ging ik gymnasium doen om vervolgens theologie te studeren in Kampen. Ik was altijd extra gemotiveerd om alles zelf te doen. In mijn studententijd heeft een vriendin mij eens een flinke spiegel voorgehouden. Bij het weggaan hield zij mij mijn jas voor. Ik was wat kortaf tegen haar en zei dat ik heus zelf wel mijn jas aan kon doen. Ze zei: ‘We begrijpen dat je graag alles zelf wilt doen, maar in dit huis bepalen wij de beleefdheidsregels en hier gaan we zo met al onze gasten om!’ Dat was voor mij een wijze levensles: je hoeft niet alles stug zelf te doen. Geniet er ook van als iemand je hulp aanbiedt.

Jelke van Wattum, 1950. Foto: Familiearchief Jelke van Wattum.
Jelke van Wattum, 1950. Foto: Familiearchief Jelke van Wattum.

Terug naar Eudokia

Mijn vrouw ontmoette ik toevallig via een bevriend stel op een boerderij in Raamsdonkveer waar ik catechisatie gaf. Zij had een dagje verlof en logeerde daar. We raakten gezellig met elkaar aan de praat. Ze heette Frieda en bleek in het Eudokia ziekenhuis als kraamverpleegkundige werkzaam te zijn. Een jaar later moest ik voor mijn huisraad in Rotterdam zijn en ging in de resterende wachttijd het ziekenhuis nog eens binnen. Ik bracht de hoofdverpleegkundige een bezoek, die mij nog als 10-jarig gewond jongetje had gekend. Zij bracht mij toen met Frieda in contact. Vanaf dat moment hadden we een klik en binnen vier maanden waren we verliefd, verloofd en getrouwd in 1956 en kregen later twee dochters en een zoon.

Trouwfoto Frieda en Jelke van Wattum 1956. Foto: Familiearchief Jelke van Wattum.
Trouwfoto Frieda en Jelke van Wattum 1956. Foto: Familiearchief Jelke van Wattum.

De steen van de miljoenen tranen

Als predikant ontmoette ik vaak ernstige oorlogs- en geweldsgetroffenen, maar ik ontdekte dat daar eigenlijk weinig voor was geregeld vanuit de kerk. In 1986 werd onder leiding van dominee Roel Kaptein een oecumenisch pastoraat voor oorlogsgetroffenen opgezet. We wilden dat de kerken meer aandacht zouden hebben voor oorlogs- en geweldsgetroffenen en goed zouden weten welke hulp en voorlichting ze zouden kunnen bieden. Zo raakte ik ook betrokken bij de Stichting Burger-Oorlogsgetroffenen (SBO), waar ik tussen 1980 en 1990 voorzitter van was. Samen met direct betrokkenen uit het hele land en de politiek geïnteresseerden, zoals het CDA-Kamerlid Dien Cornelissen en het PvdA-Kamerlid Joop Worrell, heb ik veel gesprekken gevoerd en woonde de debatten in de Tweede Kamer bij die in 1984 hebben geleid tot de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Met deze wet kwam er eindelijk erkenning voor deze specifieke groep oorlogsslachtoffers. Voor hen was er geen eigen monument. Vanuit de SBO werd kunstenares en oud-verzetsstrijdster Truus Menger in 1989 gevraagd een monument te ontwerpen. Zij heeft ‘De steen van de miljoenen tranen’ speciaal voor de Nederlandse burger-oorlogsgetroffenen gemaakt. Het monument staat bij de Oudedijk in Kralingen en symboliseert het gebroken leven van burger-oorlogsslachtoffers.

Hoop

Over mij is ooit gezegd: ‘Geef die jongen maar een spuit morfine, want hij haalt de avond niet!’ Toen was ik 10 jaar. Voor mij is het nog steeds geen avond en ik ben dankbaar dat mijn zus en ik nog leven. Schaam je er niet voor oorlogsgetroffene te zijn. Als mensen mij aanstaren vanwege mijn haak of de littekens in mijn gezicht, dan staar ik gewoon terug en ik ben er inmiddels heel goed in geworden. Je mag heus wel eens moedeloos zijn, maar er is nog zoveel om voor te leven. Zie en grijp de kansen die je krijgt. Je hoeft niet per se alles alleen te doen. Focus niet teveel op je eigen gebreken en accepteer hulp van anderen.

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak juni 2017.