Herdenken moet je leven niet gaan beheersen

Jan Zweens over zijn ervaringen als kind in Japanse interneringskampen

Toen de Japanse kampen in 1944 rechtsreeks onder het bevel van het Japanse leger kwamen, werden jongens van tien jaar en ouder van hun moeders gescheiden en in aparte jongens- of mannenkampen ondergebracht. Voor vele jongens is dit een traumatische ervaring geweest, want er was opeens niemand meer die hen beschermde tegen het geweld of misbruik van medegevangenen of Japanse bewakers. Jan Zweens vertelt over het afscheid van zijn moeder in het jongenskamp Tjihapit in Bandoeng.

Foto: Jan Zweens, 2014
Foto: Ellen Lock

De eerste Japanners

Mijn ouders woonden al voor de oorlog in Nederlands- Indië. In 1933 wilde mijn vader zijn onderwijsaktes voor wiskunde in Den Haag halen. Op 2 april werd ik daar geboren in een katholiek gezin met drie dochters. In 1934 verhuisden we naar Bandoeng, waar mijn vader als enige niet-academicus wiskundeleraar werd op de openbare HBS. Mijn moeder was voor haar trouwen onderwijzeres en gaf mij thuis les in de leerstof van de eerste klas. Pas in de tweede klas mocht ik voor het eerst naar school en moest mijn plek zien te vinden in een bestaande sociale groep, wat niet eenvoudig was. In 1937 kreeg ik een broertje.

Na de Japanse aanval op Pearl Harbour in december 1941 moest mijn vader zich melden als reserveofficier in Bandoeng. Japanners zag ik voor het eerst toen ik met mijn vader in het zwembad naast de HBS zwom. Als badkleding droegen zij zeer merkwaardige witte schaamlapjes. Zij gingen één voor één in het water en meteen riepen alle Europeanen ijzig kalm hun kinderen uit het bad. Binnen een tel was het bad geheel door de Japanners veroverd zonder ook maar een bevel te geven. In mijn kinderogen leken ze op aapjes, op een diersoort die niet moreel aansprakelijk was voor hun acties en zich heel merkwaardig en wreed gedroeg. Op die manier kon ik hen kleiner maken en mezelf beschermen, maar toch bleef ik heel bang voor hen.

Jan Zweens, baboe Dinem, mijn broertje Koos in onze tuin aan de Tjiliwoengstraat in Bandoeng, 1939. Foto: familiealbum Jan Zweens.

Officiersknopen

In maart 1942 werd mijn vader als krijgsgevangene geïnterneerd in de Struiswijk-gevangenis, een mannenkamp in Batavia. Mijn moeder bleef achter met hoge schulden van het studiejaar in Holland en met vijf kinderen zonder inkomsten. Een rijke vriendin ontfermde zich over ons en we mochten in een van haar familiehuizen wonen. Uiteindelijk werden wij ook geïnterneerd in kamp Tjihapit aan de Blimbinglaan.

Anneke, Zus, mijn vader met Koosje, Jan, Marietje met pop in het Wilhelmpark, Bandoeng, een jaarlijks uitje, 1938. Foto: familiealbum Jan Zweens.

Tijdens het inpakken haalde ik nog wat knopen van vaders officierskostuums, die ik heel trots aan mijn riem prikte. Je mocht toen nog wat huisraad meenemen. Mijn moeder had met een vooruitziende blik op een langdurige gevangenschap twee boekenkasten met kinderboeken kunnen overbrengen. Achteraf heel handig voor het maken van enige privacy in de woonkamer die we met meerdere families deelden. Het kamp lag in een woonwijk met goedkopere huizen, was afgesloten door gedek - een meer dan menshoge bamboe afscheiding - en altijd bewaakt. In Tjihapit kregen we na verloop van tijd steeds minder te eten en allerlei ziekten door eenzijdige voeding en vitaminegebrek.

Het jongenskamp Tjihapit

Op een dag in 1944 werd Tjihapit door de Japanners tot jongenskamp bestempeld en moesten mijn moeder, mijn zussen en mijn broertje mij achterlaten. Zij werden weggevoerd naar een vrouwenkamp. Mijn moeder heeft nog getracht om me voor een jaar jonger te laten doorgaan, zodat ik bij haar kon blijven, maar de Japanners trapten er niet in. 

Marietje, mijn moeder met Koosje, Jan, Anneke, Zus in het Wilhelminapsrk, 1937. Foto: familiealbum Jan Zweens.

Met zo’n vierhonderd jongens van tien jaar en ouder bleef ik achter. Het laatste wat ik van mijn moeder zag was haar hand op het glas van de bus waarin ze werd afgevoerd.

Al vrij jong was ik vaak in gedachten verzonken en gewend om mijn emoties niet te tonen, maar uit te stellen. Op vrouwen die dat wel deden werd neergekeken, het was dus beter om je te beheersen. Het afscheid tussen de moeders en zonen was dan ook stil en bedrukt als bij een begrafenis. Ik besefte toen nauwelijks wat het voor mijn moeder moest betekenen. 

We werden verdeeld over tien huizen, per huis veertig jongens met één vrouw als huishoofd om orde te houden. Het was kansloos om over zoveel tieners orde te houden, dus werd er onderling een nieuwe pikorde vastgesteld. Dat was een onveilig gevoel, tot de orde eenmaal was geaccepteerd. De enige Hollandse mannen in het kamp waren een of twee artsen. Ik moest werken in de tuin, ‘patjollen’ heette dat, en had nauwelijks kracht vanwege voedselgebrek. Door vitamine B1-tekort kreeg ik last van oedeem in mijn benen en buik en open wonden die niet heelden. Ik was zo verzwakt door de ziekte beriberi dat ik een taak als hulpverpleger kreeg. Op de trap van een medisch centrum moest ik zalf op de wonden van de jongens smeren - toen dat op was gebruikte ik weegbreeblad - en verbanden aanleggen.

Jan Zweens met de baboe en zijn oudere zusjes in Bandoeng. Foto: familiealbum Jan Zweens.

Het mannenkamp

In april 1945 werd ons hele kamp naar het mannenkamp ‘Het 15e bataljon’ overgeplaatst. Tijdens de barre voettocht was mijn bagagekist veel te zwaar. Bij aankomst in dit overvolle mannenkamp bleek dat ze niet op ons hadden gerekend. De meeste mannen zagen ons dus liever gaan dan komen, hoewel sommige jongens daar hun vader terugvonden. Totaal uitgeput in het ’15e bat’ aangekomen, zonk ik bewusteloos ineen op mijn bagagekist. Meteen ontfermde een Nederlandse man zich over mij en ik hoorde hem nog zeggen dat hij me naar een veilige plek zou brengen. Op een afgelegen plek heeft hij mij seksueel misbruikt. Uren later werd ik bewusteloos aangetroffen door een paar mannen. Zij brachten me naar de ziekenboeg, maar omdat die vol was, werd ik naar een mannenzaal gebracht. Omdat mijn bagage was gestolen, kreeg ik van hen een bultzak, lepel en vork en een geëmailleerd bord.Aan natuurgeweld kan niemand iets doen, maar als slachtoffer van onterend geweld kun je bijna niet geloven dat een mens jou zoiets slechts kan aandoen. Als slachtoffer schaam je je vreemd genoeg ook vreselijk voor hetgeen je is aangedaan en durf je het aan niemand te vertellen. Niemand wist het dan ook van mij. Na een paar dagen kon ik weer redelijk op mijn benen staan, maar toen sloeg de beriberi snel en hevig toe.Dat vond ik best eng, want mijn benen en mijn buik werden opeens steeds dikker en ik werd twee keer zo zwaar van het vocht. Dit keer werd ik wel opgenomen in de ziekenbarak. Dagelijks gaf de arts me een lepel gist met vitamine B1, wat het vocht heeft teruggedrongen.

Bijna verdronken

Drie maanden lag ik in de ziekenbarak. Twee fraters gaven de zieke jongens stiekem les, want onderwijs was streng verboden. Een jongen stond op de uitkijk om ons te waarschuwen voor bewakers. De ene frater gaf Frans en de ander kon fantastisch verhalen vertellen. Op een dag werden we betrapt. We kregen een verschrikkelijke straf. Samen met drie jongens en de twee fraters werd ik in een diepe waterkuil gegooid, waarin ik niet kon staan. Het watertrappelen hield ik op den duur niet vol. In doodsnood probeerde ik me aan een frater vast te houden, maar kreeg al snel teveel water binnen en dacht: ‘Het is voorbij!’ Ik raakte buiten bewustzijn. Angstig werd ik in de ziekenbarak wakker. De fraters bleven nog wel in onze buurt, maar gaven nooit meer les. Ik was erg op hen gesteld. Verder voelde ik me heel alleen, het was ieder voor zich.

De bevrijding die geen bevrijding was

Er was in ons kamp geen officiële aankondiging van het einde van de oorlog. Er waren slechts geruchten dat de bevrijding op komst was. Je merkte alleen wel dat er iets veranderde in de houding van de Japanners en dat veel medegevangenen nu opeens op zoek gingen naar nieuwe wegen; buiten de gebaande paden en buiten het kamp. Maar dat was weer gevaarlijk in verband met de Indonesische vrijheidsstrijders die het op ons gemunt hadden. Op een achteraf plekje ontdekte ik een Japanner die zelfmoord had gepleegd met een mes in zijn buik. Hoewel ik al veel doden had gezien, schrok ik van de manier waarop hij zichzelf had verwond. Tjihapit was inmiddels een groot krijgsgevangenenkamp geworden en via een Nederlander die net was binnengekomen, hoorde ik dat mijn vader er was. Hij bracht mij bij hem, maar het weerzien was een enorme teleurstelling. ´Dat kan mijn vader niet zijn´, dacht ik toen ik deze geteisterde en gebroken man zag. We vielen elkaar houterig in de armen en er werd weinig gezegd.

Foto: Jan Zweens, 2014
Foto: Ellen Lock

Het onvermogen om te praten

Mijn moeder zat met de anderen in het vrouwenkamp Adek. Het was onbeschrijfelijk fijn om hen te zien, maar we waren te uitgeput om dit te vieren. We hebben nooit onze kampervaringen uitgewisseld. Onze aankomst in Nederland met de m.s. Bossevain in mei 1946 was zeer teleurstellend. Nederland was een heel plat land in alle opzichten, met ongemanierde en vlakke mensen. De voornaamste oorzaak van deze bittere tegenvaller was mijn onvermogen om nog ergens van te genieten. Mijn eerste vrouw was geen prater en ik ook niet. Dat heeft niet alleen te maken met de tijdgeest van vlak na de oorlog zo van ‘We moeten allemaal weer aan de slag!’, maar ook met een schaamtegevoel over die periode waarin je zo vernederd bent. Sinds de oprichting vijftien jaar geleden bezoek ik de jaarlijkse bijeenkomst ofwel kumpulan met de ‘jongens uit het noorden’. Daar merk ik dat ‘wij Indischen’ het nog steeds moeilijk vinden om over de oorlog te praten.

Wat kan ik nog doen?

Aanvankelijk zat mijn oorlogsgeschiedenis nogal opgesloten. Pas toen ik zestig was ontmoette ik mijn tweede vrouw Reina bij een regionale partijbijeenkomst van de PvdA in Groningen. We hadden meteen een klik. Een paar maanden later trof ik haar toevallig aan in de foyer van de schouwburg en ik durfde haar mee uit te vragen.In deze relatie leerde ik praten over mijn eigen gevoelens. Zij zette me niet onder druk, maar was open en geïnteresseerd, waardoor ik langzamerhand over mijn kampervaringen begon te vertellen. Dat heeft mij veel goed gedaan en mijn leven veranderd. Door de oorlog had ik afgeleerd om iets te voelen. Ik heb lange tijd niemand meer kunnen bewonderen en van niets meer kunnen genieten. Dankzij haar leerde ik open te staan voor nieuwe ideeën.Tot mijn aangename verrassing had Reina al twee kinderen. Vooral bij het zien opgroeien van onze oudste kleinkinderen kon ik pas voor het eerst vrijuit genieten van dit geluk in mijn leven. De toekomst interesseert me meer dan het verleden. Veel leeftijdgenoten vinden mij op mijn tachtigste te activistisch en bevlogen. Ik vind het vruchtbaarder om aan de toekomst te denken en actief betrokken te blijven bij de politiek. Herdenken en terugblikken is belangrijk, maar het moet je leven niet gaan beheersen. Het is nu voor mij een aanleiding om te kijken naar wat ik nog kan doen voor anderen.

Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak, maart 2014

Jan Zweens met kleinkinderen. Foto: Reina van der Weij.