‘Voorgoed kan op die plaats de hemel niet meer ongeschonden weerspiegeld worden.’

Herinneringen van Jan Wolkers aan de Tweede Wereldoorlog

In de nacht van 18 op 19 oktober 2007 stierf Jan Wolkers op 81-jarige leeftijd in zijn slaap. Een man die de wereld omarmde en nog zo ontzettend veel te bieden had. Wolkers was beeldhouwer, schilder en schrijver. Een geboren verteller. Hij kon gloedvol en zeer treffend verhalen over kunst, zijn eigen werken, zijn zonen en niet te vergeten de natuur. Deze innemende, inspirerende en ontwapenende man werd op 8 augustus 2007 voor het decembernummer van Aanspraak geïnterviewd. Een van de laatste interviews in zijn leven. Hij vertelde openhartig over zijn oorlogservaringen. Over de betekenis van het Auschwitzmonument heeft Jan Wolkers geschreven: ‘Voorgoed kan op die plaats de hemel niet meer ongeschonden weerspiegeld worden.’

Hoewel Jan Wolkers eens heeft gedicht: ‘Het leven is als een voetstap die geen echo achterlaat’, komt hij in dit interview nog één keer aan het woord.

Jan Wolkers en zijn vrouw Karina.
Jan Wolkers en zijn vrouw Karina. Foto: Ellen Lock.

Verscholen tussen de groene takken aan de bosrand van Texel ligt het vrijstaande witte huis van Jan en Karina Wolkers. Pomona, een landhuis waar ooit de burgemeester van Texel woonde. Karina opent de deur en leidt me naar de werkkamer van Jan. Een zee van licht valt de werkkamer binnen door de panoramische ramenwand met uitzicht over de weilanden met aan de horizon het kerkje van Den Hoorn. In dit ruime en lichte vertrek staan grote abstracte schilderijen en voor de ramen blinken glazen ontwerpen in de herfstzon.

Jan zit in een comfortabele stoel aan een lange tafel. Hij oogt zeer fragiel. Ik schud zijn lange tengere hand. Zijn huid is heel dun, bijna doorzichtig. Hij loopt slecht. “Ik heb veel last van wondroos”, zegt hij met een pijnlijke grimas naar zijn been grijpend. Karina brengt ons appelcider met Texelse koek. Op zijn werktafel ligt een elektrische vliegenmepper. “Hiermee elektrocuteer ik vliegen, maar ze zijn behoorlijk slim!”, zegt hij lachend. En terwijl hij naar buiten wijst: “Kijk daar, zie je die roodbonte specht? Dat is een zeldzaam mooi beestje met hetzelfde rood op zijn borst als Rembrandt schilderde in de jas van Jan Six, één van zijn mooiste schilderijen.”

Kunt u iets vertellen over uw achtergrond?

“Op 26 oktober 1925 ben ik geboren in Oegstgeest. Ik was het derde kind uit een gezin met elf kinderen. Ik ben gereformeerd opgevoed, maar ik ben niet gereformeerd van inborst. Als mijn vader drie maal daags heel spannend uit de bijbel voorlas, hingen we aan zijn lippen, alsof die verhalen op dat moment echt gebeurden. Via de bijbelverhalen raakte ik op jonge leeftijd al nieuwsgierig naar andere volken. Recalcitrant als ik was, had ik altijd vraagtekens bij die verhalen. Op mijn zeventiende las ik Spinoza, die zei: ‘God en de natuur is één’ en ‘Wonderen bestaan niet, want het wonder moet je zelf zijn.’ Dat vind ik nog steeds een mooie gedachte. Al heel vroeg wilde ik tekenen en schilderen.”

Waar bevond u zich toen de oorlog begon?

“10 mei 1940 was een prachtige zomerdag met een strak blauwe hemel. Vanuit mijn dakraam in Oegstgeest zag ik de zwarte Junkers overkomen, net vliegende doodskisten. Als veertienjarige jongen had ik een bijbaantje in het laboratorium van het Academisch Ziekenhuis in Leiden. Die dag moest ik een witte rat ophalen bij de laboratoriumarts, maar er was niemand. Er kwam een open vrachtwagen aan vol met lijken. Dode soldaten van de slag bij Valkenburg werden naar de rouwkapel naast het laboratorium gebracht. Ik bleef als aan de grond genageld staan kijken. De Duitse lijken zaten onder de modder en ze waren geplet omdat hun parachutes niet waren opengegaan. Vreemd vond ik het dat ze de dode Nederlandse soldaten net zo ruw van de loopplank droegen als de dode Duitse. Het gele gezicht van een Nederlandse sergeant vergeet ik nooit meer. Zijn hoofd was nog helemaal gaaf, hij had alleen een klein gaatje van een kogel. Doodstil stond ik met studenten te kijken naar dit gruwelijke tafereel. Ik was niet bang, eerder gefascineerd. Interesseer ik me misschien daarom zo voor de dood?”

Waar hield u zich mee bezig in die eerste oorlogsjaren?

“In het begin van de oorlog was ik met een vriendin die verschrikkelijk verliefd op mij was. Bij de mooie ruïne in Warmond lag ik met haar in het gras. Zij dacht natuurlijk: nu zal het wel gebeuren. Maar ineens zag ik tussen mijn voeten een rugstreeppad en die had ik nog nooit gezien. Al mijn aandacht ging uit naar die rugstreeppad, dat moet wel een desillusie voor haar zijn geweest.

In de eerste oorlogsmaanden kwamen er in de kruidenierswinkel van mijn vader Duitse soldaten koffie kopen, want dat was in Duitsland al niet meer te krijgen. Je moet niet vergeten dat 50% van de Duitsers voor de oorlog op de Sozialdemokratische Partei Deutschlands had gestemd. Die jonge soldaten waren heus niet allemaal ineens voor Hitler. Geen onaardige jongens hoor, ik maakte wel eens een praatje met ze. Niet alle Duitsers waren slecht. Het is verbazingwekkend hoe ze het hebben kunnen laten gebeuren. Hitler was natuurlijk een psychopaat.

In de Breestraat in Leiden deed ik een typecursus. Op de muziek van Victor Sylvester leerden wij typen, terwijl het geluid van het ijzeren zoolbeslag van het marcherende Duitse leger op straat de muziek overstemde. Met dit typediploma kon ik op het distributiekantoor in Oegstgeest gaan werken. Ik hield bij hoeveel bonnen iedereen kreeg. Onze medewerkers lieten zich eens expres vastbinden, zodat het een overval leek en het verzet alle bonnen kon stelen.”

Uw broer zat in het verzet. Wat wist u daarvan?

“Mijn broer zat in het verzet, maar voor mij hield hij dit geheim. Hij vond mij een zonderling, iemand die je kennelijk geen geheimen moest vertellen. Wel weet ik dat hij vaak in het Duitse legerkamp wapens stal voor het verzet. Hij nam altijd een zak mee, zogenaamd met gras voor de konijnen, maar daar zaten de karabijnen in. Mijn broer reisde naar Frankrijk om vandaar naar Engeland te gaan, maar het lukte hem niet om in contact te komen met een Franse verzetsgroep die hem kon helpen bij de overtocht. Hij stuurde ons een prentbriefkaart met een roos erop afgebeeld. Zo wisten we gelukkig dat alles goed met hem was. Bij zijn terugkeer vermomde ik me voor de grap als koerierster, maar de eerste die ik tegenkwam zei meteen: ‘Ha Jan!’, dus dat was ook gauw afgelopen.”

In 1943 kregen alle Nederlandse mannen een oproep voor de arbeidsdienst. Wat deed u toen?

“In 1943 dook ik onder. Omdat ik lessen volgde op de academie aan het Rapenburg in Leiden, had ik de sleutel van het lege atelier. Er werd geen les meer gegeven vanwege de oorlog. Op die schuilplaats kon ik gewoon doorschilderen en beeldhouwen. Op de begane grond woonde de heer Bouwmeester, nog familie van de grote architect. De volgende dag stond hij in zijn WA-uniform opeens achter me terwijl ik aan het beeldhouwen was. Ik schrok en zei dat ik ondergedoken was voor de arbeidsdienst. Gelukkig heeft die man me nooit verraden.”

Kunt u zich nog ‘leuke’ momenten uit de oorlog herinneren?

“In de zomer van 1944 was er een grote tentoonstelling van Rembrandt van Rijn in het Rijksmuseum. De Nazi’s eerden hem als volksheld in de Telegraaf en in de plaatselijke krant. Met een goede vriend verzon ik een tegenactie. In de nacht van 15 juli 1944 hingen we samen een krans aan de gevel van Rembrandts geboortehuis in Leiden met de tekst: ‘Rembrandt in deze zwarte tijd, zwart gelauwerd’.
Op Dolle Dinsdag, begin september 1944, was er ineens een feeststemming in de Breestraat. Er liep een man naar buiten met een fles jenever en iedereen kreeg een glas. Dat was zo geestig. De Amerikanen zouden de volgende dag komen, maar het duurde nog een half jaar voordat de Canadezen de Wilhelminabrug in Leiden over reden.
Dagelijks bracht mijn moeder me een pannetje eten. In december 1944 had ik zo’n honger, dat ik weer bij mijn ouders ging wonen. Nooit heeft de honger zulke mooie namen gehad: de namen van tulpenbollen, die wij aten. Mijn vader fietste naar de Haarlemmermeer met lakens om er voedsel voor te ruilen. 
Op een maanloze nacht ben ik eens gaan stelen, omdat mijn familie zo’n honger had. Er was een boerderij bij ons in de buurt waar ze kalkoenen hadden. Op het erf was het zo donker dat ik niet goed kon zien en toen ik het dier uit de zak bevrijdde, bleek ik een pauw te hebben gestolen. Die pauw smaakte ons ook prima. Na de oorlog sprak ik de boer. Hij wist heel goed dat wij zijn gevogelte stalen, maar hij dacht: ‘Bij Wolkers hebben ze zoveel monden te voeden.’”

Wat zijn voor u de meest indrukwekkende gebeurtenissen in de oorlog?

“Een voor ons hele gezin aangrijpende geschiedenis was dat onze NSB-buurvrouw ontdekte dat er een oude Joodse vrouw in ons huis ondergedoken was. Toen de Joodse vrouw even in de zon op het balkon ging staan, kreeg mijn moeder van de buurvrouw te horen: ‘U mag wel oppassen dat jullie Joden in huis hebben!’ Meteen moest de Joodse vrouw naar een ander onderduikadres. Het tragische is dat ze op dat adres werd opgepakt en naar Auschwitz is gedeporteerd. Gedurende die hele oorlog is er nooit een huiszoeking bij ons gedaan.

Iedere dag denk ik nog steeds wel even aan het moment waarop mijn broer dood ging in de oorlog. Ik zie hem nog zo voor me op zijn sterfbed in het Academisch Ziekenhuis achter het glas. Hij keek me indringend aan en maakte een gebaar naar mij met zijn vuist omhoog. Zo van 'Geef de moed niet op, blijf vechten en je verzetten!' Vlak na dit gebaar stierf hij aan difterie. Ik heb nooit angsten gehad in de oorlog. Pas toen ik kinderen kreeg had ik angsten dat er iets met hen zou kunnen gebeuren. Jaren later, toen mijn vader begraven werd, zag ik in het familiegraf ook weer de schedel van mijn broer. Ik zag het spleetje tussen zijn tanden. Dat gaf me het besef dat er geen macht is die je een eeuwig leven geeft.”

Hoe herinnert u zich de bevrijding?

“De bevrijding heb ik niet als iets fijns ervaren. Iedereen stond op de Breestraat de ‘Jitterbug’ te dansen, een nieuwe Amerikaanse dans waarbij de jongens de meisjes wild over de rug gooiden. Voor mij was het die dag alsof mijn wereld instortte. Er kwam toch een soort kink in de kabel. Opeens begon het echte leven weer, daarom voelde ik geen blijdschap. Mijn vrije bestaan tijdens de oorlogsjaren beviel me wel. Meteen na de bevrijding ging ik met een rugzak vol scheepsbeschuit en alleen een rijksdaalder op zak liftend naar Parijs.

Maanden later kwam er een Joods meisje naar me toe in de Leidse Hout. Ze zei: ‘Jij hebt ons in leven gehouden. We zagen door het raam van ons onderduikadres al die voorbijgangers met zakken suikerbieten en jij kwam altijd met je schildersezel voorbij op weg naar Kasteel Oud-Poelgeest alsof het helemaal geen oorlog was. Jij gaf ons hoop!’”
Jan Wolkers.
Jan Wolkers. Foto: Ellen Lock.

In 1977 maakte u uw eerste oorlogsmonument, het Auschwitzmonument, getiteld ‘gebroken spiegels’. Wat waren uw gedachten hierbij?

“De voorzitter van het Auschwitz-comité, Jos Slagter, bracht al jaren een bezoek aan mijn atelier op zijn stadwandelingen door Amsterdam. Speciaal voor hem had ik een fles jenever in de koelkast staan en we hadden het altijd over de oorlog. Hij vroeg me om het Auschwitzmonument te maken. De gedachte er achter is: ‘Voorgoed kan op die plaats de hemel niet meer ongeschonden weerspiegeld worden.’ Je kijkt naar de hemel en je begrijpt niet dat dat blauwe uitspansel boven die ontzetting heeft gestaan, even onaangedaan en vredig als boven een wei met bloemen. En in een visioen van rechtvaardigheid zie je de blauwe lucht boven je vol barsten trekken, alsof de verschrikking die daar op aarde heeft plaatsgevonden voorgoed de eeuwigheid heeft geschonden. Zo ben ik op het idee gekomen om gebroken glas op dat kleine stuk aarde, waar die urn met as uit Auschwitz rust, neer te leggen. Groot leed moet je klein weergeven.”

Wat geeft u inspiratie om al die mooie dingen te maken? Wat drijft u ertoe?

“Nu ik wat ouder ben, denk ik vaak aan de woorden van Slauerhoff, uit de dichtbundel ‘Al dwalend’, die mijn verstarde vader zo goed typeren: ‘Wie weet hoeveel tederheden je in jezelf hebt verstikt, de Friese aard is benepen en uit zich niet groot, weegt en wikt…’ Het is achteraf tragisch dat mijn vader zo belemmerd werd door de godsdienst. Hij zocht daarin zijn zekerheden, maar zekerheden die vind je alleen in jezelf. Als ik aan de hemel dacht, dan dacht ik dat ik naast die harteloze gereformeerden uit de kerk moest zitten en dat idee vond ik heel verstikkend!
Je moet juist intens van het leven genieten. Nu moet je hier nog even je best doen om er wat van te maken. Je moet zo groot mogelijk proberen te leven, alsof de dagen die je voor je hebt de eeuwigheid zijn. In die eeuwigheid kun je alles vergeten.”

Interview: Ellen Lock, PUR-cliëntenblad Aanspraak, December 2007