'Nu is het mijn moment om te spreken’

Vijftig jaar lang zweeg Jan Ruff-O’Herne over haar oorlogsverleden

Een halve eeuw zweeg Jan Ruff-O’Herne (86) over haar oorlogsverleden, tot zij op een dag zag dat haar geschiedenis zich herhaalde. Toen zij in 1992 op de radio hoorde dat de Serviërs verkrachting tijdens de oorlog in Bosnië toepasten vond zij het tijd om haar mond open te doen. ‘Dit mag nooit meer gebeuren! Nu is het mijn moment om te spreken!’, dacht Jan Ruff-O’Herne, die zelf als negentienjarige in gevangenschap tijdens de Tweede Wereldoorlog stelselmatig werd verkracht door Japanse militairen.
Jan Ruff–O’Herne, september 2009. Foto: Stella van der Krogt.
Jan Ruff – O’Herne, september 2009, Foto: Stella van der Krogt.

Het verbreken van de stilte

‘In oktober 1992 ontving ik een brief uit Holland van een familievriendin uit het Japanse interneringskamp Ambarawa in het voormalige Nederlands-Indië. Deze vriendin was getuige geweest van mijn gedwongen verwijdering uit het kamp. “Lieve Jannie, ik schrijf je namens de Stichting Japanse Ereschulden. Ik vraag je of je zou willen getuigen voor de Internationale Publieke Hoorzitting in Tokio voor Japanse oorlogsmisdaden en naoorlogse vergoedingen.” In die periode herhaalde mijn geschiedenis van gedwongen seks in oorlogstijd zich weer in Bosnië. ‘Nu moet er iets gebeuren’, dacht ik al een tijdje, ‘Nu is het mijn moment om te spreken.’ Ik antwoordde haar dat ik in Tokio wilde getuigen, maar dat ik het eerst aan mijn dochters moest vertellen.
Hoe vertel je echter als moeder die gruwelijkheden aan je dochters? Ik durfde het telkens niet te vertellen, maar nu moest het. In één week schreef ik mijn oorlogsgeschiedenis op. Vaak moest ik stoppen omdat de herinneringen te pijnlijk waren. Aan het eind van die week was het moment daar om het mijn dochters te laten lezen. Aan Carol, mijn jongste dochter, gaf ik het toen ik mijn kleindochter ophaalde van het vliegveld van Adelaide. We hadden maar weinig tijd om elkaar te spreken en ik stopte het manuscript snel in haar handbagage, vlak voordat zij het vliegtuig instapte. Huilend achter mijn zonnebril reed ik met mijn kleindochter in het kinderzitje naar huis. Bij mijn oudste dochter Eileen bracht ik een kopie van het script bij haar thuis, zodat ze het rustig alleen kon lezen. Ik was doodsbang hoe ze hierop zouden reageren. Koreaanse vrouwen hadden al eerder hun mond open gedaan over deze kwestie, maar waren vervolgens verstoten door hun familie en vrienden.’

Geen bloemen

‘Dit verhaal had ik voor hen verborgen gehouden: Het was februari 1944 en we zaten al bijna twee jaar in het Japanse vrouwenkamp Ambarawa. Opeens kwam er een onverwachte inspectie in het kamp. Er werd onheilspellend weinig gezegd door de Japanners, alleen dat alle ongetrouwde meisjes van zeventien tot achtentwintig jaar zich in een rij moesten opstellen. Mijn moeder keek me angstig aan, ik was negentien. Ze keurden ons van top tot teen. Er werd een aantal selecties gehouden, tot er uiteindelijk tien meisjes overbleven, waaronder ik. We kregen een half uur de tijd om onze spullen te pakken. Ik nam mijn bijbel, misboek, kruisbeeld en rozenkrans mee. Voor de oorlog was het mijn grootste wens geweest om non te worden, omdat ik zo dol was op de Franciscanessen die op mijn katholieke kweekschool lesgaven. Ik voelde dat ik een roeping had. Ik had zelfs al mijn eerste gelofte afgelegd bij onze pastoor.
Alle vrouwen en kinderen schreeuwden of huilden om ons vertrek te beletten, maar het mocht niet baten. Van de pater kreeg ik een religieus boek mee. Hij keek me verdrietig aan en gaf me zijn zegen. We werden weggevoerd in open vrachtwagens. Onderweg werden nog zeven meisjes uit een ander kamp ingeladen en ze namen ons mee naar een groot huis in een deftige buurt van Semarang. Het huis werd bewaakt door Japanse militairen. De leidinggevende militair sprak ons toe dat het geen zin had om te vluchten, want ze zouden ons toch weten te vinden als Hollandse vrouwen in deze wijk. Het huis heette: ‘Het huis der zeven zeeën’ en wij dienden als seksslavinnen voor de Japanse militairen. We probeerden ons allemaal te verstoppen in dat huis, maar we werden gevonden en moesten verplicht op de foto. Onze meest onaantrekkelijke blik mocht niet baten.

De foto’s werden met bloemennamen eronder op een prikbord in de hal geplakt en deze namen stonden op onze kamerdeuren. Er werden boeketten op onze kamers gezet. Vandaar dat ik lange tijd geen bloemen kon verdragen. Een grote dikke kale Japanner had veel geld voor me betaald en sleurde me naar mijn kamer. Schoppen en slaan hielp niet, mijn enorme verzet was tevergeefs. Drie maanden lang werden we dag en nacht misbruikt, maar vooral ’s avonds en ’s nachts kwam er veel bezoek. Iedere militair vroeg ik om hulp. Bij iedere verkrachting heb ik me uit alle macht verzet. Door al die gevechten was ik van top tot teen bont en blauw. Ontsnappen was onmogelijk.’

Jan O’Herne, 16 jaar, 1939. Foto: familiealbum Jan O’Herne.
Jan O’Herne, 16 jaar, 1939 , Foto: familiealbum Jan O’Herne.

Een groot geheim

‘Op een dag zouden we door een Japanse arts worden onderzocht op geslachtsziekten. Al mijn hoop was op hem gevestigd, misschien kon hij hulp voor ons halen. Hij observeerde mij van top tot teen met precies dezelfde blik als alle andere Japanners en verkrachtte me vanaf dat moment voorafgaand aan zijn onderzoeken. In zijn kamer stonden alle deuren en ramen open zodat andere militairen meekeken. De vernedering en schaamte waren onbeschrijfelijk. Hoe hieraan een eind te maken? Na een paar dagen dacht ik een oplossing te hebben gevonden. Als ik nu eens mijn haren afknipte en onaantrekkelijk voor hen was, dan zou het ophouden. Dit had juist een averechts effect op de Japanners. Opeens was ik een bezienswaardigheid geworden en kreeg alleen maar meer bezoek. Ik werd zwanger en vertelde dit op aanraden van de meisjes aan de Japanse bewaakster. Zij dwong mij tot het slikken van een aantal pillen, zodat ik een miskraam kreeg. Als goed katholiek was ik tegen abortus. Ik had het daar heel moeilijk mee.
Na ruim drie maanden werden we opgehaald en naar het kamp Kota Paris bij Buitenzorg gebracht. We werden streng toegesproken dat we met niemand over onze ervaringen mochten praten. Ook meisjes uit de andere ‘huizen’ werden hiernaartoe gebracht. Onze moeders werden ook naar Kota Paris gebracht. Het weerzien met mijn moeder was ongelofelijk emotioneel. We konden geen woord uitbrengen en omhelsden elkaar alleen maar. In haar armen viel ik in slaap terwijl zij me over mijn kale hoofd streelde. De volgende dag heb ik haar alles verteld, daarna heb ik er vijftig jaar lang geen woord meer over gezegd. Het waren toen heel andere tijden, seks was onbespreekbaar. In september 1944 werden wij met onze families naar kamp Kramat in Batavia gebracht. Tot overmaat van ramp werden wij in dit kamp gescheiden van de andere vrouwen opgesloten. Die dachten dat wij vrijwillig seks met Japanners hadden gehad om extra voedsel te krijgen en dus werden we over het hek uitgescholden voor hoeren. Het was ongelofelijk zwaar om dit grote geheim bij me te dragen. Ik was altijd bang dat deze geschiedenis een keer bekend zou worden.’

Liefde

‘Op 6 augustus 1945 viel de atoombom op Hirosjima. Nadat Nagasaki drie dagen later ook werd getroffen gaf Japan zich over. Onze bevrijding volgde spoedig. Op dat moment lag mijn moeder broodmager met zware longontsteking in een noodhospitaal op sterven. Ze mocht van mij eenvoudigweg niet doodgaan. Aan de nonnen in het kamp vroeg ik of ze voor mijn moeder wilden bidden. Amerikaanse vliegtuigen dropten gelukkig het nieuwe medicijn penicilline boven het kamp. Die penicilline heeft haar leven gered.
Er kwam een priester naar ons kamp. In tranen vertelde ik hem alles en vroeg hem om raad over mijn toekomst als non. Hij luisterde aandachtig. Tot mijn bittere teleurstelling zei hij dat ik gezien de gegeven omstandigheden maar beter geen non kon worden. Zijn boodschap kwam hard aan. Ik beschouwde de woorden van een priester als absoluut en trok zijn oordeel niet in twijfel.
Iedere dag liep ik naar mijn moeder in het ziekenhuis, ook al werd dit streng afgeraden vanwege de Indonesische vrijheidsstrijders die ons bedreigden. Omdat het zo gevaarlijk was vanwege de sluipschutters, bood een Engelse soldaat me in zijn legerwagen een lift aan. We werden verliefd. Voortaan bracht Tom me dagelijks als mijn beschermengel naar mijn moeder. In schril contrast met de priester luisterde hij vol begrip naar mijn oorlogsverhaal en het maakte voor hem geen verschil in zijn liefde voor mij. Samen gaven we deze oorlogsmisdaden aan bij de hoogste Britse militaire instantie. Er werd een rapport opgemaakt, waar ik nooit meer iets op heb gehoord. Tom had veel geduld met mij. We gingen in Engeland wonen en zijn later getrouwd. Ik kreeg eerst drie miskramen. De schaduw van de oorlog bleef me achtervolgen. Na een operatie aan mijn baarmoeder kregen we twee dochters. Met het hele gezin trokken we in 1960 naar Australië.’

Steun bij strijd

‘Mijn dochter Carol was volkomen kapot van mijn verhaal en bleef aan één stuk door huilen. In het vliegtuig dacht men dat er familie was overleden. Eileen kwam meteen naar me toe. Niet in staat te spreken sloeg ze haar armen om me heen. Na enige tijd zei ze: “Mam, nu begrijp ik waarom je nooit bloemen voor je verjaardag wilde en waarom je nooit naar de dokter ging!”
Mijn beide dochters waren intens verdrietig van mijn verhaal, maar ook kwaad. Ze steunden mijn beslissing om naar Tokio te gaan maar vroegen zich af of ik het wel alleen aankon. Carol en haar man gingen met me mee. In het vliegtuig kreeg ik een koude rilling over mijn rug toen de stem van de Japanse piloot door de speaker schalde. Mijn dochter zei: “Wen er maar vast aan mam, zo meteen ben je omringd door Japanners.” Nu mijn dochters op de hoogte waren van mijn geheim en mij steunden bij de hoorzitting in Tokio voelde dit ook als een enorme bevrijding van de last die vijftig jaar lang op mijn hart had gelegen. De hoorzitting werd wereldwijd uitgezonden op CNN. Terug in Adelaide werd ik door mijn vrienden en parochieleden ontvangen met warme woorden en omhelzingen.’

Bevrijd

‘Dankzij mijn geloof koester ik geen haat tegen Japanners. Ik heb het hun wel kunnen vergeven, maar ik ben het niet vergeten. Iedere avond snijden de herinneringen weer dwars door mijn ziel. Nog steeds heb ik nachtmerries. Alle keren dat ik verkracht werd bad ik tot God zoals Jezus aan het kruis: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat ze doen!” Ook met mijn dochters heb ik vaak gebeden. Zonder mijn rotsvaste geloof was ik waarschijnlijk krankzinnig geworden. Ook ben ik nooit boos geweest op God. Het waren immers Japanners die dit deden. De oorlog maakte die Japanners zo wreed. In vredestijd zou dit waarschijnlijk nooit in hun hoofd zijn opgekomen. Tijdens mijn verkrachtingen bad ik: “Lieve God, ze kunnen me van alles beroven, me vernederen en misbruiken, maar ze kunnen mij nooit mijn geloof afnemen.”’

Jan Ruff-O’Herne, september 2009. Foto's: Stella van der Krogt.
Jan Ruff – O’Herne, september 2009, Foto: Stella van der

Hoop

‘Nadat ik mijn verhaal heb durven vertellen in Tokio, hield ik zestien jaar lang lezingen op verzoek van het Internationale Rode Kruis en Amnesty International. Ik probeerde advocaten wakker te schudden voor deze zaak. Ik kreeg meerdere onderscheidingen, waaronder de meest dierbare van de paus. In 1997 werd ik samen met twee Koreaanse vrouwen uitgenodigd voor de hoorzitting in het Amerikaanse Congres op initiatief van de parlementariër Michael Honda. Deze democraat van Japanse afkomst wilde dat het Congres eind maart 2008 een resolutie aannam waarin Japan werd opgeroepen zich formeel te excuseren voor het leed dat de stelselmatig verkrachte vrouwen is aangedaan. Wij hebben zijn resolutie met onze oorlogsverhalen kracht bijgezet. Geen enkel ander land had onze zaak tot dan toe zo hoog opgenomen. Ik vind de huidige Japanse regeling voor schadevergoeding door een onafhankelijke, particulier gefinancierde Japanse organisatie een belediging. In ieder modern rechtssysteem overal ter wereld worden excuses door de dader gemaakt met een respectabel geldbedrag. Ik hoop nog een respectvol excuus van de Japanse regering mee te maken voor de misdaden die de Japanse militairen in oorlogstijd naar schatting ruim 200.000 Koreaanse, Chinese en Nederlands-Indische vrouwen hebben aangedaan.
Dankzij mijn jarenlange strijd en die van vele lotgenoten wordt stelselmatige verkrachting in oorlogsgebieden sinds 2008 door de Verenigde Naties erkend als oorlogsmisdaad.’

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak september 2009

Op 20 augustus 2019 is mevrouw Jan Ruff O’Herne op 96-jarige leeftijd overleden. Mevrouw Ruff O’Herne en haar nabestaanden wilden graag dat haar verhaal zou worden doorverteld.