‘In Yad Vashem ontdekte ik dat mijn ouders zijn vermoord in Sobibor’

Oorlogspleegkind Jan (Sally Israël) Goedel ontdekte pas 50 jaar na de oorlog dat zijn ouders in Sobibor zijn vermoord. Jan Goedel (Amsterdam, 8 oktober 1938) meldde zich aan bij de Stichting Sobibor en is getuige in het proces tegen Demjanjuk. Samen met Jules Schelvis en nog 15 andere getuigen reist hij herhaaldelijk naar München om bij dit proces aanwezig te zijn. Jan Goedel wil voor de rechtbank het gezicht zijn van zijn vermoorde ouders.

Wat kunt u zich nog herinneren van uw ouders?

‘Niets kan ik me herinneren van mijn ouders, helemaal niets. Ook niet dat ik op vierjarige leeftijd ben weggehaald uit de Hollandse Schouwburg door de studentenondergrondse. De ondergrondse heeft mij met mijn twee broertjes ondergebracht bij pleegouders. Na enkele omzwervingen kwam ik bij mijn pleegouders, de familie Osinga, in Jutrijp terecht. Mijn jongere broertje Pim ging naar Limburg en mijn jongste broertje Fred naar Ede. Ik heb alles van horen zeggen. Mijn Friese pleegouders beschouwden mij als deel van het gezin. Ik werd Jan Visser genoemd, een wees na het bombardement van Rotterdam. Ik kreeg een protestantse opvoeding en moest me verstoppen op de hooizolder als er Duitsers in de buurt waren. Helaas werd een van hun kinderen ernstig ziek en werd ik in 1946 naar de dames Baljet in Ede gebracht, waar mijn jongste broer Fred al verbleef. Mijn naam werd Jan Baljet. Toen ik mijn Mulodiploma haalde, kreeg ik van de dames Baljet mijn echte naam Sally Israël Goedel te horen voor op mijn diploma. Iedereen bleef mij echter Jan noemen. In 1979 kreeg mijn vrouw een baan als maatschappelijk werker in Wageningen. De wethouder van Sociale Zaken, Auke Osinga, stelde zich aan haar voor en vertelde over zijn Friese achtergrond en over de oorlog. Mijn vrouw herkende mij in zijn verhaal en zo vond ik door puur toeval mijn Friese oorlogsgezin terug. Voor mijn pleegouders heb ik met steun van Auke in 1996 een Yad Vashem onderscheiding in Israël aangevraagd. Toen wist ik nog niet waar mijn ouders waren vermoord. Op de reis naar Israël, die ik met mijn vrouw maakte in 1989, zag ik in Yad Vashem de ‘In Memoriam’ boeken liggen. Ik las dat mijn beide ouders op 28 mei 1943 in Sobibor zijn vergast. Hierdoor was ik zeer geëmotioneerd en vanaf dat moment interesseerde de geschiedenis van Sobibor mij steeds meer. Via het Rode Kruis en de gemeente Amsterdam kreeg ik alle persoonsregistratiegegevens van mijn ouders uit de oorlog met voor hen beiden de sterfdatum 28 mei 1943 in Sobibor. Toen het proces tegen Demjanjuk begon attendeerde mijn vrouw mij op een bericht in de krant hierover. Zij zei: ‘Dit is je laatste kans om iets voor je ouders te kunnen betekenen!’ Mijn leven lang heb ik mijn ouders gemist, waardoor ik in mijn latere leven ernstige problemen ondervond van mijn oorlogsverleden. Als kind werd ik steeds verplaatst en zodoende gestoord in mijn hechtingsproces. Mijn ouders zijn onbekenden voor mij en vergast in Sobibor. Ik heb me bij de Stichting Sobibor aangemeld als Nebenkläger. Ik wil voor de Duitse rechtbank getuigen namens mijn ouders. Toen de rechter hun namen uitsprak was het de eerste keer in mijn leven dat ik hun namen hoorde noemen.’

Jan Goedel met familieportret, maart 2010
Jan Goedel met familieportret, maart 2010,  Foto: Ellen Lock.

Wat als de uitspraak van de Duitse rechter teleurstellend is?

‘We worden goed begeleid door professionele hulpverleners van Joods Maatschappelijk Werk, door mensen van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, de Stichting Sobibor en door onze Duitse advocaten. Voorafgaand aan de rechtszaak hebben we op 30 september 2009 een bijeenkomst gehad met onze advocaten waar alle voors en tegens goed zijn besproken. Na iedere zitting in München praten we alles door met onze hulpverleners. Ook is ter sprake gekomen dat de uitkomst voor ons teleurstellend kan zijn. We ondervinden veel steun van elkaar. We hebben met elkaar gemeen dat we als nabestaanden allen onze ouders in Sobibor hebben verloren en tot op heden de problemen hiervan ondervinden. In de rechtszaak krijgen wij drie dagen per week ’s ochtends en ’s middags anderhalf uur de tijd om te getuigen. Demjanjuk moet daar volgens het Duitse recht bij aanwezig zijn. Hij kijkt ons niet aan, spreekt nauwelijks en ligt alleen maar op bed. We worden door de rechter uitvoerig ondervraagd en keurig netjes behandeld. Eén ding is zeker: Door onze getuigenverklaringen en aanwezigheid in München hebben we voor het gezicht van de hele wereld Sobibor op de kaart kunnen zetten!’

Interview: Ellen Lock, PUR-cliëntenblad Aanspraak, Maart 2010