Liefdesbrieven in Westerbork en Bergen-Belsen

In juni 1943 zagen Jaap Polak en Ina Soep elkaar voor het eerst op een verjaardagsfeest in Amsterdam. Het was voor hem liefde op het eerste gezicht, maar hij was al getrouwd. Ongelukkig in zijn huwelijk, had Jaap zijn schoonmoeder beloofd getrouwd te blijven zolang de oorlog duurde. In kamp Westerbork ontmoette hij Ina weer en sloeg de vonk echt over. Omdat hun liefde ‘onmogelijk’ was, schreven zij elkaar heimelijk liefdesbrieven. Na de oorlog werd zijn huwelijk ontbonden en in 1946 kon hij eindelijk met Ina trouwen. Hun dochter vond de brieven op zolder en publiceerde ze. Hier volgt zijn verhaal.

Poster film “Steal a pencil for me”, 2007. Foto: Diamond Lane Films.
Poster film “Steal a pencil for me”, 2007, Foto: Diamond Lane Films.

Bij iedere deurbel was je doodsbang

Jaap Polak vertelt: ‘Ik ben geboren op 31 december 1912 en kom uit een Joods-orthodox gezin. Ik ging naar de handelsschool en daarna in het Carlton Hotel werken. Mijn moeder kwam uit de bekende diamantairsfamilie Asscher. Mijn vader was accountant en wilde liever dat ik dat ook werd in plaats van diamantair. In 1939 trad ik als beginnend accountant in het huwelijk. Vanaf de eerste razzia’s in februari 1941 was de keus: onderduiken, zelfmoord plegen of het land verlaten. Bij iedere deurbel was ik doodsbang. In 1943 was ik bij een klant in Amsterdam en werd ik met 400 andere Joden bij een grote razzia opgepakt. We werden bij de Amstel Brouwerij tegen de muur gezet. Ik dacht dat mijn einde was gekomen maar de Duitsers schoten in de lucht. We verbleven ‘s nachts in een school en de volgende ochtend moesten er 200 man op de trein naar Westerbork. De overigen, waaronder ikzelf, werden wonder boven wonder gewoon vrijgelaten! De man van mijn zus Betty zat in het verzet en regelde een onderduikadres dat we afwezen. In juli 1943 werden mijn vrouw en ik opgepakt toen we bij vrienden op bezoek waren.

Ina en Jaap Polak. Foto: familiealbum Jaap Polak.
Ina Soep, Foto: familiealbum Jaap Polak.

Te laat

In Westerbork probeerde ik zo snel mogelijk een baantje te krijgen, zodat ik er zou kunnen blijven. Iedereen vreesde het beruchte dinsdag-transport naar de kampen in Duitsland en Polen. Ik werd hoofd van de school en gaf les in taal en rekenen en organiseerde muziekavonden. Hier ontmoette ik opnieuw de betoverende Ina Soep. Haar vader was diamantair en met diamanten hadden zij nog enig uitstel van deportatie kunnen kopen. Ina was tien jaar jonger dan ik en ik was zeer gecharmeerd van haar. Om mijn vrouw niet openlijk in verlegenheid te brengen, begonnen we elkaar in het geheim briefjes te schrijven. In Westerbork zag ik mijn ouders voor het laatst.
In een brief aan Ina schreef ik dat ik hoopte dat mijn ouders niet zo hard zouden hoeven te werken. Je had werkelijk geen idee van de vernietigingskampen. Na de oorlog ontdekte ik dat mijn ouders waren vergast in Sobibor. Slechts enkele treinen gingen naar Bergen-Belsen, een concentratiekamp waar personen met bepaalde beschermingspapieren heengingen. Mijn ouders stonden op de ‘Palestinalijst’. Een lijst met Joden die vanuit Bergen-Belsen geruild konden worden tegen Duitse Tempeliers die door de Engelsen in Palestina krijgsgevangen waren gemaakt. Helaas kwam dit Palestina-certificaat voor mijn ouders net te laat, want we kregen dit pas na hun deportatie. In februari 1944 werden mijn vrouw, mijn zus Liesje en ik met dit certificaat gedeporteerd naar Bergen-Belsen.

Ina Soep. Foto: familiealbum Jaap Polak.
Ina Soep, Foto: familiealbum Jaap Polak.

Brood voor uiterste nood

In dit kamp kreeg je geen nummer op je arm. Je mocht je bezittingen nog even houden, waardoor je ze kon ruilen voor brood. Met mijn hotelervaring blufte ik me in de keukenploeg om maar zo dicht mogelijk bij voedsel te zitten. In het schoenencommando haalde ik schoenen uit elkaar voor hergebruik van het leer. Je had geen idee dat ze van vermoorde mensen uit Auschwitz afkomstig waren. Ook hier gaf ik les aan kinderen. Met diamanten konden ook Ina’s ouders hun stempels van 120.000 gulden voor deportatie naar Bergen-Belsen betalen, dus daar ontmoetten we elkaar weer. Tussen het harde werken door beurden wij elkaar met onze brieven op.
In een brief vroeg ik haar om een potlood voor mij te stelen, want zij werkte als secretaresse voor een groep die een diamantfabriek moest gaan opzetten. Veel mensen gingen er dood door ondervoeding, ziekten en uitputting. Voor mijn tweede paar schoenen had ik brood geruild dat ik bewaarde voor uiterste nood. Mijn zus werd ziek en had brood nodig en ik gaf het haar niet. Een vriend vroeg me om brood voor zijn zieke zoon, maar ik wilde overleven en gaf het hem niet. Na de oorlog schaamde ik mij er diep voor. Toen Ina ernstig ziek werd, gaf mijn vrouw haar brood wel aan haar, zodat Ina weer op krachten kon komen.

Jaap Polak. Foto: familiealbum Jaap Polak.
Jaap Polak, Foto: familiealbum Jaap Polak

Ik was nog maar een schim

Op 9 april 1945 werden mijn vrouw en ik door de SS in veewagons gestopt, vervolgens reden we steeds dieper Duitsland in op de vlucht voor de Russen. Ina verloren we uit het oog. Veel gevangenen die onderweg stierven heb ik moeten begraven. Op de vijfde dag werd de trein gebombardeerd. De SS zei dat we ons moesten verschuilen in de bosjes. Mijn vrouw was ziek en moest in de trein blijven. Er was even een moment dat ik in de chaos had kunnen ontsnappen, maar ik ben voor mijn vrouw teruggegaan in de trein. We zijn bevrijd door het Russische leger bij Tröbitz op 23 april 1945. Ik kreeg daar meteen vlektyfus. Na twee dagen in een coma werd ik wakker. Ik had de Holocaust overleefd. Ik was nog maar een schim van mezelf; ik woog slechts 35 kilo, was kaal en miste een aantal tanden. Mijn zus Betty zocht mij op in een ziekenhuis in Eindhoven en herkende mij niet. Ina was al eerder bevrijd door de Amerikaanse troepen die haar bij de Elbe uit de trein haalden.

Weerzien

Ina vond onderdak in Amsterdam. Ons weerzien was puur geluk. Ik zette de scheiding in werking en in 1946 trouwden Ina en ik eindelijk. We kregen twee zonen, Frederick en Anthony. Ik begon een belastingadviesbureau in Amsterdam. Veel vrouwelijke cliënten die de Holocaust hadden overleefd, hielp ik met belastingpapieren, hoe hun spullen terug te krijgen en met papieren om te emigreren. We bleven vijf jaar in Amsterdam en in 1951 besloten we om naar Amerika te gaan, gedurende de Koreaanse oorlog, bang dat de Russen Europa zouden gaan bezetten in hun expansiedrift. Ina’s ouders emigreerden al eerder naar Amerika en haar vader kocht er ook een huis voor ons. Hier werd onze dochter Margrit geboren. Toen mijn schoonvader in 1953 overleed, nam ik zijn diamantzaken over die na verloop van tijd verkocht werden. Met het geld kon ik gaan beleggen en dat ging zo goed, dat ik beleggingsadviseur werd. Dat laatste vond ik eigenlijk mijn leukste beroep.

Neem actie tegen onrecht

Ina werd actief in de Amerikaanse politiek voor de Democraten. In 1973 raakte ik betrokken bij de stichting ‘Amerikaanse vrienden van Anne Frank’ waar ik directeur van werd. Later werd ik vicevoorzitter en daarna voorzitter. Nu ben ik sinds enkele jaren erevoorzitter van het Anne Frank Center in New York.
In 1977 ontdekte onze dochter de liefdesbrieven op zolder die ze vertaalde in het Engels, waar een boek van kwam: ‘Steal a pencil for me’. Het boek is verfilmd en er wordt nu zelfs een opera van gemaakt. Sindsdien geven we met het boek en de documentaire overal lezingen over de Holocaust en over tolerantie. We leerden het jonge publiek om nooit een toeschouwer te blijven, maar altijd actie te ondernemen als er onrecht wordt gedaan. Op 31 december 2012 hoop ik mijn 100e verjaardag te vieren mét mijn zussen Lies (90) uit Israël en Betty (93) uit Holland.

Ina en Jaap Polak.
Ina en Jaap Polak, Foto: Ellen Lock.

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak, December 2012