‘Dankzij mijn vogeltje overleefde ik alles.’

Hetty Schoorel smokkelde haar zangvogel mee het kamp in.

Hetty Schoorel kreeg haar zangvogel, een Aziatische koetilang ofwel geelbroekje, toen zij twaalf jaar was. ‘Mijn broer vond hem als kuiken en ik voedde hem met alle liefde op. We waren onafscheidelijk en ik smokkelde hem, ondanks het verbod op huisdieren, in een rieten mand mee naar het jappenkamp Halmaheira.’

Indisch

‘Mijn grootvader was een Hollandse controleur van rijstplantages die met een Javaanse was getrouwd. Mijn vader volgde een studie voor gymleraar en massagetherapeut in Amsterdam. Daar leerde hij mijn katholieke moeder kennen, maar mijn vader moest niets van het geloof hebben.

V.l.n.r.: Broer Jan, vader Jan, Hetty en moeder Corry Schoorel-de Vries, Kali Mas, Boemidjawa Java, 1938. Foto: Familiealbum Hetty Schoorel.
V.l.n.r.: Broer Jan, vader Jan, Hetty en moeder Corry Schoorel-de Vries, Kali Mas, Boemidjawa Java, 1938. Foto: Familiealbum Hetty Schoorel.

Toch trouwden ze. Op 24 mei 1930 werd ik geboren in Amsterdam, twee jaar na mijn broer Jan. Vanwege de Duitse oorlogsdreiging vertrok mijn vader met zijn gezin naar Nederlands-Indië in 1938. Nadat we in Batavia arriveerden met de Van Oldenbarnevelt, verbleven we in het hotel Tjikini tot mijn vader een woning vond in Meester Cornelis. Later verhuisden we naar Bandoeng waar mijn vader aan de slag kon als gymleraar op de hbs. Mijn grootste wens was dierenarts worden of biologie gaan studeren, want ik was gek op dieren en planten. En nog steeds.’

Oorlog

‘Later in Soerabaja gingen mijn broer en ik naar school. Nadat Pearl Harbor was aangevallen op 7 december 1941 werden er in de tuinen schuilkelders gebouwd. Wij moesten vaak oefenen om in deze schuilkelders te verblijven. Daar haalden we als tijdverdrijf de draden uit lakens, dit heette Engels pluksel en het werd gebruikt als verband door de verplegers van het Rode Kruis. De sirenes werden steeds gecheckt en er vlogen vaak Japanse vliegtuigen over. Als kind luisterde ik veel naar de radio en dan hoorde je de tekst “Vliegtuigen naderen Soerabaja!” vaak voorbijkomen. Mijn vader was gemobiliseerd bij het KNIL in Soerabaja en moest zich direct na de capitulatie op 8 maart 1942 melden bij de Japanners op het jaarmarktterrein. Mijn moeder en ik mochten hem bezoeken in het mannenkamp. Ook zag ik mijn vader nog voorbijkomen in een stoet krijgsgevangenen, daarna zagen we hem niet meer. Toen mijn vader werd geïnterneerd, zag mijn moeder haar kans schoon om mij alle katholieke gebeden bij te brengen. Jan had niets met het geloof. In die nare eerste dagen van de Japanse bezetting vond Jan een nest jonge koetilangs op een achtergalerij bij een vriendje. De moeder was getroffen door een besje uit een blaaspijp (toeloep) en zijn vriend zei dat hij een vogeltje mocht meenemen in ruil voor een andere blaaspijp. Mijn broer vond thuis nog een geschikte gordijnroede en ruilde dit wapen voor de piepjonge koetilang. Alsof ik zijn moeder was voedde ik hem met mijn mond. Ik gaf hem de zelfverzonnen klanknaam ‘Tjoesmai’.’

Alle dieren werden meegenomen

‘Onze woonwijk Darmo in Soerabaja werd omheind door een afrastering. Al snel mochten we er niet meer uit en voortaan werd het Darmokamp bewaakt door Japanse soldaten. Er kwam een ander gezin bij ons in huis wonen en een dame met een hond verbleef in onze garage. Op een dag moesten alle huisdieren bij de Japanners worden ingeleverd, die ze meenamen in hun vrachtwagens. Ik moest onze kat met jongen inleveren en eigenlijk al mijn vogels afstaan, maar mijn jonge zangvogel wist ik te verstoppen.

Een buurmeisje kon haar poppenhuis niet meenemen naar een ander huis in het kamp en gaf dit aan mij. Van het dak van het poppenhuis maakte ik een kooitje. Ik knipte de staart van mijn vogeltje af zodat hij precies in de nok paste. Mijn moeder was heel vindingrijk. Om wat geld te verdienen kookte ze voor wel vijftig man. Zo hadden we het in het Darmokamp nog redelijk goed. Toen we naar een volgend kamp moesten, kreeg ik een rieten mand van moeder waarin zowel mijn kleding als ook het vogelhuisje paste. Mijn vogeltje bleef rustig zitten en was precies op tijd stil als er gevaar dreigde.’

Moeder, Corry Schoorel-de Vries, met mijn vogel ‘Tjoesmai’. Foto: Familiealbum Hetty Schoorel.
Moeder, Corry Schoorel-de Vries, met mijn vogel ‘Tjoesmai’. Foto: Familiealbum Hetty Schoorel.

Verboden te zingen

‘Het was heel heet in de trein en de reis duurde voor je gevoel een eeuwigheid, want we wisten de bestemming niet. Uiteindelijk kwamen we aan op station Semarang en werden we per vrachtauto naar het kamp Halmaheira gebracht. Zodra we daar aankwamen zag ik mijn vier jaar oudere beste vriendin Joke, die me huilend om de hals vloog. Ze zei: “Hetty, het is hier zo verschrikkelijk!” Ik antwoordde haar: “Kind, we komen er samen wel doorheen!”
Dit kamp bestond uit diverse kleine huisjes. Het lukte ons zo’n huisje te bemachtigen, dat weliswaar lekkages had, maar alles was beter dan met zoveel vrouwen op elkaar te zitten. Mijn moeder moest vaak buiten het kamp grassprietjes trekken of patjollen, de grond bewerken. Ik behoorde in het kamp tot de sterke vrouwen. Ik was twaalf jaar en zat vaak in de keukenploeg. Samen met Joke moest ik zware pannen sagopap of waterige soep sjouwen en erin roeren op het vuur.

Ik zong vaak Engelse liedjes, zoals liedjes van Walt Disney’s beroemde tekenfilm Sneeuwwitje, als ik aan het werk was. Dan zongen de andere vrouwen mee, maar op een gegeven moment werd het zingen verboden. Toen begon ik liedjes te fluiten, tot dit ook niet meer mocht. Tussen het corvee door konden Joke en ik soms even op een grasveld liggen en naar de wolken staren. We dagdroomden samen wat we zouden doen als we vrij waren.’

Hetty Schoorel met haar vriendin Joke Blekkingh op de Dam in Amsterdam, 1947. Foto: Familiealbum Hetty Schoorel.
Hetty Schoorel met haar vriendin Joke Blekkingh op de Dam in Amsterdam, 1947. Foto: Familiealbum Hetty Schoorel.

Mijn vogel werd afgepakt

‘In Halmaheira vond ik een prullenbak van gaas. Ik stak er een stokje doorheen en deed er een stuk karton onder. Dit was een mooi kooitje voor mijn vogel. Hij vloog een paar keer per ongeluk weg, maar kwam altijd weer bij mij terug. Ik voedde hem alsof ik zijn moeder was en hij deed baltsdansjes voor me alsof ik zijn partner was. Hij wist alles van me, omdat ik hem alles toevertrouwde. Ook van alle nare dingen die gebeurden in het kamp stelde ik hem op de hoogte. Een aantal marinevrouwen weigerden principieel om luchtgaatjes in Japanse petten om te zomen. Volgens de Conventie van Genève hoefden zij niet mee te werken aan oorlogsmateriaal van de vijand. Dit kwam hen duur te staan. Over het hele kamp was hun gegil te horen. Mijn broer moest de volgende ochtend het bloed en de peuken in het kampkantoor opruimen.
Een paar dagen later zat mijn vogeltje tijdens het appèl op mijn schouder. Ineens pakte een bewaker hem zomaar van mijn schouder en nam hem mee naar het afschuwelijke kampkantoor. Met bonzend hart rende ik daar naar binnen en pakte diep buigend mijn vogel weer terug. Wonder boven wonder reageerde de Japanner niet. Uit angst dat hij zich zou bedenken, verstopte ik me uren in een hokje met een overvolle wc waar maden in krioelden, voordat ik naar huis durfde te gaan. Een keer zei een meisje: “Waarom eet je jouw vogeltje niet op?” Zij begreep er helemaal niets van. Ik antwoordde onthutst: “Hij weegt haast niets en is juist mijn steun en toeverlaat!” Een kat die uit een kampong was komen aanlopen en die ik ook koesterde, verdween wel in de soep. Van mijn vogel bleven de vrouwen gelukkig af.’

Ziek

‘Begin mei 1945 kregen alle moeders met zonen vanaf tien jaar bericht dat zij zich op het plein moesten melden met een koffer. Mijn veertienjarige broer moest ook weg naar een apart jongenskamp. Zeer ontdaan mochten de jongens nog even langs de rij moeders en zussen lopen en toen zei Jan heel verbeten tegen mijn moeder: “Zie je wel dat God niet bestaat!” Hij werd overgebracht naar het jongenskamp Bangkong en heeft de eerste drie maanden niet gesproken. Een half jaar later kreeg mijn moeder een tekening van Jan. Het was een potloodtekening van Jezus met een doornenkroon op zijn hoofd. Wij waren heel blij met zijn teken van leven.

Mijn moeder legde met de andere vrouwen vaak het Ouijabord om bijvoorbeeld geesten te vragen hoe lang de oorlog nog zou duren. Een potlood werd rondgedraaid en stopte steeds bij een letter op het bord waardoor woorden ontstonden. Bij mijn moeder werd er door een overleden oom aangegeven: “Ga naar huis, je dochter is erg ziek!” Op dat moment bleek ik werkelijk met levensbedreigende hoge koorts door een voedselvergiftiging van een cassave op bed te liggen. Gelukkig bleef ik leven, want hieraan kun je doodgaan. Kort daarna kreeg ik hartklachten, ik was te sterk vermagerd en ik mocht van de kamparts geen zwaar werk meer doen.

Hetty Schoorel met de mand waarmee ze haar vogel het kamp Halmaheira in smokkelde.
Hetty Schoorel met de mand waarmee ze haar vogel het kamp Halmaheira in smokkelde. Foto: Ellen Lock

In Halmaheira kwamen zo’n driehonderd zieke mannen vanuit kamp Bangkong om verzorgd te worden. Mijn moeder zorgde samen met een professionele verpleegster voor deze doodzieke mannen. Elke week stierf er een aantal aan besmettelijke ziektes. Om troost en afleiding te bieden op hun ziekbed ging ik soms met mijn moeder mee met mijn vogeltje op mijn schouder. Zo kon Tjoesmai deze mannen in hun laatste uren ng bijstaan en opvrolijken met zijn aanwezigheid.’

Mijn medaillon met mijn vogel Tjoesmai.
Mijn medaillon met mijn vogel Tjoesmai. Foto: Ellen Lock.

Troostmeisjes

‘Op een dag kwam een aantal Japanners in het kamp om meisjes te ronselen als hulp in de huishouding of als troostmeisje. Ik was natuurlijk als de dood om gekozen te worden en had expres roet uit de stookplaats op mijn gezicht en in mijn haren gesmeerd. Ook liep ik langs hun tafels op de zijkant van mijn voeten. Gelukkig werd ik niet meegenomen.’

Het weerzien

‘De bevrijding kwam heel onverwachts. We zagen een vliegtuig laag overvliegen met de drie kleuren van de Nederlandse vlag op de romp. Ik kon het bijna niet geloven. Opeens werd meegedeeld dat de Japanners ons voortaan zouden beschermen tegen de Indonesische vrijheidsstrijders. Mijn broer is vlak na de bevrijding nog door de afvoergoten van kamp Bangkong naar ons kamp in Halmaheira toe gekropen. Levensgevaarlijk, want er lagen overal Indonesische sluipschutters op de loer. De kampleidster zei streng tegen mijn moeder dat hij weer terug moest. Mijn moeder werd ziedend van woede en beet haar toe: “Als je er nog één keer iets van zegt, dan bijt ik je je strot af!”
Vanaf half oktober 1945 werd Hamaheira aangevallen door jongemannen met bamboesperen. Vanaf de vier hoeken van het kamp schoten de Japanners met mitrailleurs op hen. Het waren hevige gevechten. De Brits-Indische Gurkha’s en Sikhs kwamen ons bevrijden en brachten ons naar de haven in Semarang. Mijn moeder en ik wilden met Tjoesmai in mijn mand aan boord gaan, maar op de loopplank werden we tegengehouden, want de vogel mocht niet mee.

Ik maakte een scène, want ik wilde niet mee naar Holland zonder mijn vogel. Mijn moeder heeft moeten praten als Brugman met de kapitein, die uiteindelijk een oogje wilde dichtknijpen. “Houd de vogel in uw hut onder de dekens als er inspectie komt.”
En alsof hij het wist, vloog Tjoesmai telkens als er op de deur geklopt werd onder de dekens. Mijn broer zat op een schip dat een dag voor ons was vertrokken. Mijn vader had de dwangarbeid op drie Ambonese eilanden overleefd. Hij stuurde mijn moeder een telegram aan boord: “Ik zit vlak achter jullie!” Zo kwamen we min of meer gelijktijdig in Holland aan. 

Hetty met haar vogel op haar hand, moeder en broer Jan, Rivierenlaan, Amsterdam, 1948. Foto: Familiealbum Hetty Schoorel.
Hetty met haar vogel op haar hand, moeder en broer Jan, Rivierenlaan, Amsterdam, 1948. Foto: Familiealbum Hetty Schoorel.

Ons vogeltje ging ook mee naar Amsterdam, waar ik altijd goed voor hem heb gezorgd.’

De vogel was gevlogen

‘Tjoesmai ontsnapte in Amsterdam een keer. Toen mij ter ore kwam dat een dame in de buurt hem had gevonden, belde ik bij haar aan. Zodra de dame zag hoe hij begon te zingen, zei ze: “Oh, ik wist niet dat hij kon zingen!” en toen begreep ze wel dat hij van mij was. In 1949 kreeg ik nog een zusje, Annegreet. Kort daarna gingen mijn ouders uit elkaar. Dat kwam vaker voor bij echtparen die drieënhalf jaar gescheiden van elkaar gevangen hadden gezeten. Ook in die nare tijden van de scheiding bleef mijn koetilang mijn beste vriendje. Tjoesmai is zestien jaar geworden. In 1989 ben ik teruggegaan naar Indonesië om de kampen te zien. Omdat ik dat toch wel spannend vond, besloot mijn schoonzoon Rob, die op dat moment ook in Indonesië op reis was, mij te vergezellen. Rob is de man van mijn dochter. Zij is vernoemd naar mijn beste vriendin Joke. De huisjes in Halmaheira stonden er nog precies zo, maar nu omgeven door bloeiende planten en bloemen.

En ook ons huis stond er nog. Het was goed om dit samen met mijn schoonzoon te kunnen doen. Later ben ik met mijn broer naar een Halmaheira-reünie geweest en de mensen vroegen me hoe het mijn vogeltje was vergaan. Tjoesmai had hen ook veel troost en afleiding geboden. Ik draag zijn foto elke dag bij me in dit medaillon. Mijn laatste wens is om met hem gecremeerd te worden. Zijn doodskistje heb ik voor dit doel bewaard. Soms praat ik nog tegen hem.’

Hetty Schoorel 2018.
Schoorel 2018. Foto: Ellen Lock.

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak december 2018.