Leed is een onwelkome gast

Henri Ponneker over zijn leven als Joodse jongen uit een gemengd gezin

‘Ik ben gedragen onder een Joods hart. Volgens de Joodse wet ben ik Joods omdat mijn moeder dat ook is, ook al was mijn vader niet-Joods. Voor anderen ben ik een halve Jood: Het voorrecht om onder de Neurenberger rassenwetten te mogen vallen heb ik te danken aan de omstandigheid dat mijn vader en moeder destijds niet konden huwen, voor die wetten was ik dus een héle Jood. De anti-Joodse maatregelen van de bezetter waren namelijk niet van toepassing op kinderen uit gemengde huwelijken.’

Henri Ponneker (89) kreeg in 1942 van de Amsterdamse Burgerlijke Stand een grote zwarte ‘J’ in zijn persoonsbewijs gestempeld nadat een nauwkeurige ambtenaar had uitgevonden dat zijn ouders niet getrouwd waren omdat zij niet konden huwen en hij dus als Joods moest worden aangemerkt.

Henri Ponneker 2016. Foto: Rien van Vliet.

Afkomstig uit een dubbel samengesteld gezin

De ouders van de heer Ponneker hadden, voordat hij in 1927 op de Overtoom te Amsterdam werd geboren, beiden al een huwelijk achter de rug. De twee zonen uit het eerdere huwelijk van zijn Joodse moeder, Judith Kok, groeiden met de heer Ponneker op.

Contact met de kinderen van zijn niet-Joodse vader, Hendrik Ponneker, was er niet; zijn eerste echtgenote belette om financiële redenen een tweede huwelijk. ‘Mijn moeder was dus Joods, maar matzes werden zowel met Pesach als met Pasen gegeten. Mijn vader was protestants-christelijk gezind, maar de oorzaak hiervan is enigszins bizar als je weet dat diens vader als rooms-katholieke weesjongen rond 1867 is geronseld om voor de paus in Italië als Zouaaf - katholieke vrijwilliger - de strijd tegen Garibaldi aan te binden die uit was op een verenigd Italië.

Judith Ponneker-Kok (1891-1973). Foto: familiearchief Henri Ponneker.

Opa werd na terugkomst echter protestants omdat zoveel aardse pracht en praal in Rome nooit de bedoeling van Jezus Christus kon zijn geweest. Die eigenzinnigheid heeft zich in mijn vader voortgezet, omdat hij vanaf 1942 geruime tijd verscheidene Joodse onderduikers in huis nam, terwijl mijn moeder, mijn broer Charles en ikzelf (mijn broer Bernard was al in 1941 vermoord) moesten onderduiken.
Achteraf gezien heeft het iets krankzinnigs, maar het hoorde bij zijn geloofsopvatting. Goed en Kwaad waren voor hem duidelijke uitgangspunten.

Hendrik Ponneker (1875-1964). Foto: familiearchief Henri Ponneker.

Aan mijn vader zijn in 2002 postuum de Yad Vashem-eretekens toegekend. De oorlog had mijn vader behoorlijk geraakt: zo bad hij na de oorlog niet meer. Veel van mijn familieleden zijn vergast.’ De heer Ponneker is protestants-christelijk opgevoed en gedoopt.

De concentratiekampen waren al bekend

De vader van de heer Ponneker was gemeenteambtenaar en werkte bij de afdeling Sociale Zaken van Amsterdam. Zijn moeder was huisvrouw. Thuis werd er regelmatig over politiek gediscussieerd en er werd als het ware gevochten om de krant. ‘Ik deed nog niet zo mee, maar luisterde wel goed naar wat er ter tafel kwam. Zo vertelde in 1938 een bevriende Duitser, die bij ons op bezoek was, over de werkkampen in Duitsland. Het bestaan van die kampen was dus al bekend, ook in de toenmalige media. Ook werd bij ons veel gesproken over de wrede behandeling van de inheemse Indische bevolking. Het Rhemrev-rapport uit 1903, over de uitbuiting van inheemse arbeiders door planters van de Deli-Maatschappij, kwam regelmatig ter sprake.’

Rustige onderduik

De heer Ponneker ging in de eerste oorlogsjaren gewoon naar school, totdat hij op een dag van zijn klassenleraar te horen kreeg dat hij van de gemeente niet meer mocht komen. ‘Zelden ben ik zo vrolijk naar huis gehuppeld, maar thuis dacht men daar anders over.’ Zijn broer Bernard is in juni 1941 samen met andere mannen opgepakt als represaille voor een aanslag op een Duitse villa. Bernard en de andere slachtoffers werden eerst naar Schoorl gebracht. Vanuit dat kamp kreeg de familie een briefje, op wc-papier geschreven: ‘De Duitsers schreeuwen wel, maar slaan absoluut niet.’ Zes weken later kwam het bericht dat Bernard op 23 augustus in kamp Konzentrationslager Mauthausen bij Linz was overleden aan de gevolgen van griep: ‘Dat kon niet waar zijn, dachten we.’ Een poos daarna kwam het gerucht - ‘beslist waar’ - dat de groep gevangenen ontsnapt was en veilig Zwitserland had bereikt. ‘Mijn vader wist wel beter toen hij Linz in de atlas had opgezocht. Vader zweeg.’

Nadat zijn moeder in 1942 in Amsterdam was ondergedoken, werd de heer Ponneker later naar de familie Van den Berg in Amersfoort gebracht. Daar werd hij door de familie opgenomen als hun eigen kind, naast hun eigen drie dochters. De onderduikplek was geregeld door zijn broer Charles, die in Amersfoort bij een bakker was ondergedoken en in het bezit was van een vals persoonsbewijs. Hij had veel bravoure èn een bakkerskar, waardoor hij veel mensen kende in Amersfoort. Toen op enig moment in Amersfoort broer Charles met een bakfiets vol brood, net als honderden andere mannen door de politie in een soort fuik richting het concentratiekamp werd gedreven, liet hij zijn vervalste persoonsbewijs zien en verliet met bakfiets en al het kamp.

‘Achteraf gezien is het een geluk geweest dat Charles nooit is opgepakt, gezien zijn Joodse uiterlijk. Charles kwam af en toe langs bij zijn onderduikouders om roggebrood te brengen. Het was een redelijk rustige tijd. In de tuin waren bij de volière speciale gaten gemaakt om je in te verstoppen maar dat is nooit nodig geweest. Er is geen Duitser langs geweest. Ik kan me zelfs niet herinneren daar ooit een Duitser gezien te hebben. Wel hoorde en zag ik de Engelse bombardementen op de nabijgelegen wagenwerkplaatsen bij het spoorwegemplacement van het Soesterkwartier.

De Seringstraat was een besloten gemeenschap; er woonden geen ‘foute’ Nederlanders en er waren nog meer mensen ondergedoken. Ik heb ook nooit Duitse voertuigen gezien, waarschijnlijk bleven die weg uit die buurt vanwege de vele bombardementen. Opmerkelijk genoeg waren op de hoek van de straat enkele Landwachters gestationeerd. Wat die lui daar precies deden, heb ik nooit geweten. Waarschijnlijk bewaakten ze het spoorwegemplacement. Een voordeel was wel dat de hele straat elektriciteit had waarvan het gebruik overigens illegaal was. Aan hout voor de kachel was gelukkig geen gebrek. Dat kan ik me nog goed herinneren; het was altijd warm in huis.’

Jeugdportret van Henri Ponneker door zijn neef Leo Kok, november 1941. Leo Kok maakte meer dan honderd portretten van ‘kampbewoners’ in Westerbork. Deze zijn opgenomen in het Joods Historisch Museum. Bron: Collectie Joods Historisch Museum en Yad Vashem. Bron: Collectie Joods Historisch Museum en Yad Vashem.

Leed is een onwelkome gast

De heer Ponneker bleef tot de bevrijding in Amersfoort. ‘Ik zag de bevrijding als een feest. De wereld lag voor mij open en ik heb ervan genoten! De zomer van 1945 was prachtig voor een jongen van 18 en ik wist wat ik wilde doen.’ Terwijl de heer Ponneker de vrijheid opzocht, hoopte zijn moeder op de terugkeer van haar andere zoon Bernhard. Zijn moeder geloofde eerst niet dat haar zoon Bernhard was omgekomen, omdat er een gerucht was dat hij uit Mauthausen ontsnapt was en naar Zwitserland was ontkomen. ‘Nog tijdens de oorlog heeft iemand dat gerucht verteld. Mijn moeder heeft na de bevrijding letterlijk een aantal maanden voor het raam gezeten om te wachten op de terugkeer van haar zoon. Mensen hebben mij gevraagd of ik mij niet schuldig voelde dat ik aan het feestvieren was terwijl mijn moeder wachtte op de terugkeer van Bernard. Nee, daar heb ik me niet schuldig over gevoeld. Ik wist wel degelijk dat mijn moeder zwaar leed onder het verlies van haar zoon. Maar ik was jong en ik wilde wat maken van het leven. In ons gezin was de oorlog overigens een taboe want leed is niet populair, daar praat je niet over. Mijn moeder zei altijd dat verdriet een onwelkome gast is die je zo gauw mogelijk de deur moet wijzen. Daarom zijn mijns inziens vele onderduikers twee keer ondergedoken: de tweede keer figuurlijk door er nooit over te praten.

In 2010 heb ik daarover in de NRC een verhaal gepubliceerd: ‘Zwijgend zit ze voor het raam’. Ze deed het hoognodige in ons huis, maar voor de rest van de tijd zat zij hoopvol voor het raam vanaf de bevrijding tot ergens in juli 1945. Toen gaf ze het op. Verder heeft zij nooit over Bernard gesproken tot een moment, vele jaren later, dat zij na het samen stil zijn op 4 mei zei: ‘Wat hebben ze met mijn kind gedaan?’’

De hiërarchie van het leed

Na de oorlog heeft hij na een wat rommelige start in de dagbladjournalistiek, als eindredacteur van een wetenschappelijk tijdschrift zijn bestemming gevonden. ‘Het is natuurlijk voor sommigen belangrijk om over het leed dat je overkomen is te praten, maar niemand anders zou er last van hebben als die gevoelens zich tot de huiskamers zouden beperken. Soms wordt genoegdoening geëist voor het de Joden aangedane leed op een manier die niets meer met rechtvaardigheid te maken heeft. ‘Hou op met zeuren!’, denk ik dan en ‘Máák wat van je leven!’’

De heer Ponneker voelt zich betrokken bij het leed van de Indische Nederlanders. ‘De Joden werden in de oorlog apart gezet, net zoals de Indische Nederlanders. Ik denk altijd aan de ervaringen van een lieve vriendin die met haar tweelingzusje en haar moeder in een Jappenkamp zat. In augustus 1945 restte er als ‘voedsel’ niets anders dan wat stijfsel voor enkele dagen. Voor haar en duizenden anderen is die net bijtijds vallende gruwelijke atoombom een zegen geweest. Geheel in lijn met de nazi’s was namelijk het Japanse vooropgezette doel de kampbevolking door uithongering te vernietigen. De erkenning van dit leed is in belangrijke mate uitgebleven.

Ik ben in de loop der jaren ook veel gaan lezen over de acties van de Nederlandse militairen in Indië na de oorlog en naar aanleiding van dit drama heb ik een toneelstuk geschreven dat nèt af is. Het is een literaire bewerking van de historische werkelijkheid. Ik hoop dat ik een toneelgezelschap bereid zal vinden dat stuk op de planken te brengen. Het zou mij heel gelukkig maken.’

Joodse wortels

‘Hoewel het bij het Briet Mila behorende messcherpe ritueel mij als jongensbaby van enkele dagen oud niet is onthouden, heb ik mijn wortels met het Jodendom pas zo’n dertig jaar geleden ‘ontdekt’. De heer Ponneker zat in een Haarlemse artiestenkroeg met collegajournalisten toen de ook aanwezige schrijver Louis Ferron een vriendin er opmerkzaam op maakte dat ‘dat’ nou een Jood was, wijzend op mij. Dat was voor mij een innerlijke omslag.’

Henri Ponneker 2016. Foto: Rien van Vliet.

Praktiserend is de heer Ponneker niet, maar hij gaat wel eens naar sjoel en de Joodse cultuur is een onderdeel van zijn bewustzijn geworden. ‘Eens per jaar bezoek ik het graf van mijn grootmoeder waar mijn ouders een gedenksteen hebben gelegd met de namen van onze omgekomen familieleden. Ik noem dan hun namen en lees het gebed voor de doden. Ik zal dat blijven doen zolang ik kan.’

Interview: Rien van Vliet, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak maart 2016.