Het was niet zo zwart-wit!

Verzetsstrijdster Hebe Kohlbrugge (101 jaar): ‘Er waren ook enkele goeden onder de kwaden!’

Verzetsstrijdster Hebe Kohlbrugge smokkelde belangrijke informatie van het verzet via de ‘Zwitserse weg’ naar de Nederlandse regering in Londen.

Samen met jonkheer Pieter Jacob Six, vanaf eind maart 1943 de leider van de verzetsgroep de Ordedienst, opereerde zij vanuit de Koepelkerk aan de Stadhouderskade in Amsterdam.

Onverhoopt werd Hebe Kohlbrugge in 1944 in de trein betrapt op een vals persoonsbewijs en opgepakt. Achtereenvolgens zat zij gevangen in het Oranjehotel en de kampen Vught en Ravensbrück. Deze dappere dame is nu 101 jaar en kan hiervan nog getuigen. Graag wil ze ons meegeven dat het niet zo zwart-wit was tijdens de oorlog, want er waren ook enkele goeden onder de kwaden.

Hebe Kohlbrugge, 2015. Foto: Ellen Lock.

Kritisch

‘Mijn vader was landbouwkundige en mijn moeder was een Duitse. Op 8 april 1914 ben ik als jongste van vijf meisjes geboren in een hervormd gezin in Utrecht. Mijn achternaam was in die tijd bekend in protestants-christelijke kring, want mijn overgrootvader was Hermann Friedrich Kohlbrugge, een Nederlandse theoloog, die in die tijd nog steeds veel gelezen en besproken werd. Na mijn HBS deed ik een eenjarige verpleegopleiding. In maart 1936 ging ik naar Duitsland om mij te oriënteren en ik werd geplaatst in de gemeente Fehrbellin dichtbij Berlijn. Ik werkte voor een kerk die was aangesloten bij de Bekennende Kirche, een groep protestantse kerken die kritisch stond tegenover Hitler’s antisemitisme en zijn staatskerk. Op 10 november 1938, de dag na de Kristallnacht, liep ik met mijn gastheer in Berlijn en we schrokken enorm van de trieste aanblik van alle in puin geslagen Joodse bezittingen.’

Verbannen

‘Veel Duitsers vroegen om een Ariërverklaring, een verklaring dat je niet-Joods was, die alleen verstrekt kon worden via de naamregisters in oude kerkboeken. Ook ik heb van die verklaringen uitgereikt. Mijn kerkelijke jeugdwerkgroep was populairder dan de plaatselijke Hilterjugend en dat stak. Ik werd op het gemeentehuis ontboden. Ik zei: ‘Guten Morgen!’ Twee heren eisten de Hitlergroet van mij, waarop ik antwoordde: ‘Is goedemorgen dan geen mooie groet?’ In de volgende weken deelde ik stencils met de verboden preken van Niemöller uit en werd ik met mijn auto aangehouden. Ze pakten me de volgende dag op vanwege het verdachte pakket achter in de auto. De Nederlandse gezant in Berlijn moest mij vrijpleiten en ik werd ‘für ewig’ uit Duitsland verbannen. In 1939 ging ik theologie studeren in Basel, maar toen de oorlog uitbrak kon ik mijn studie niet voortzetten en keerde ik terug naar Nederland. Bij dominee Dijkstra in Amsterdam kon ik inwonen. Ik ging werken bij het secretariaat van de Nederlands Hervormde kerk.’

Bijna te laat

‘Na de Duitse inval raakten mijn zus Hanna en ik betrokken bij de Lunterse Kring, een groep aangespoord door predikanten die meeleefden met de Bekennende Kirche. We verspreidden illegale bladen als Vrij Nederland en Het Parool. Toen de Duitsers de Nederlanders al binnen enkele maanden dwongen om de Ariër-verkaring te tekenen als zij hun beroep wilden behouden, weigerde Hanna dit en kon daardoor niet aan de slag als docente op een school. Gelukkig kon ze via een organisatie die hulp bood aan werkeloze intellectuelen nog zonder zo’n verklaring bij de universiteitsbibliotheek werken. Onze verzetsvriend dominee Jan Koopmans schreef een brochure ‘Bijna te laat’ die wij 30.000 keer illegaal lieten drukken en verspreid hebben over heel Nederland. Hierin riep hij op tot het weigeren van de Ariërverklaring, want als niemand tekende, dan zouden de Duitsers het onderscheid niet kunnen maken tussen Joden en niet-Joden en de vervolging heel sterk bemoeilijken.’

De Zwitserse weg

‘In het voorjaar van 1942 had de Nederlandse regering in Londen behoefte aan een betrouwbare communicatielijn met het verzet. Hun radioboodschappen uit Londen strookten niet meer met de werkelijkheid in bezet gebied en stichtten soms zelfs verwarring. Voor de jongemannen uit onze verzetsgroep, die opgepakt werden om in Duitsland te gaan werken, was deze taak onmogelijk. Daarom besloot ik zelf te gaan. Eenmaal in Zwitserland beland in juli 1942, bezocht ik de theoloog Willem Visser ’t Hooft in Genève, die de opdracht van de Nederlandse regering in Londen had materiaal te verzamelen. Hij was dus erg dankbaar voor alle gegevens die ik meebracht. Vervolgens bezocht ik de theoloog Karl Barth, mijn vroegere hoogleraar in Basel. Na zes weken keerde ik terug met allerlei materiaal en met een brief van Karl Barth gericht ‘An meine Freunde in den Niederlanden’. De brief werd vertaald, illegaal gedrukt en in enkele duizenden exemplaren verspreid, met de boodschap dat het je plicht was om je als christen te verzetten tegen de bezetter. Vanaf eind maart 1943 werkte ik intensief samen met jonkheer Pieter Jacob Six, de leider van de Ordedienst, een onderdeel van de Binnenlandse Strijdkrachten. Microfilms werden nu regelmatig naar Zwitserland gesmokkeld. Ik werd gezocht door de Gestapo en moest onderduiken.

Met steun van Hanna lieten we ragdunne microfilms in de kaften van boeken naaien door een bevriende boekbinder van de universiteitsbibliotheek. Die boeken werden per universitaire post naar Zwitserland verstuurd. Via mijn contacten kwam het spionagenetwerk tot stand voor ‘de Zwitserse weg’, waarbij veel militaire, politieke en maatschappelijke informatie gesmokkeld kon worden naar de regering in Londen.’

Hebe Kohlbrugge, 2015. Foto: Ellen Lock.

Doodsbang dat ik iemand zou verraden

‘Op 4 april 1944 werd ik gepakt in de trein van Tilburg naar Amsterdam. Op het station in Tilburg zou iemand staan te wachten. Maar er kwam niemand. Toen ik terugging naar Amsterdam was er scherpe controle in de trein en mijn persoonsbewijs was vals. In de trein werd ik gearresteerd. Vliegensvlug stopte ik mijn microfilms in de jaszak van een medepassagiere direct naast mij. Pas weken later vond zij die en heeft ze bezorgd bij een verzetsman. In mijn koffer zaten helaas nog meer microfilms. Op station Amsterdam werd ik met nog drie gevangenen uit die trein om de beurt verhoord.
Tijdens het lange wachten vroeg ik of ik een boterham uit mijn koffer mocht halen omdat ik zo’n honger had. Dit werd toegestaan. Snel pakte ik niet alleen het brood, maar ook de overige microfilms. Vervolgens wilde ik naar het toilet en dit mocht ook. Terwijl ik de microfilms door het toilet spoelde, kwam de Duitse bewaker achter me aan en zag nog net hoe de films verdwenen. Woest was hij, maar ze vermeldden dit natuurlijk niet in mijn verhoorverslag, omdat dan zou blijken hoe dom zij waren geweest om mij het bewijsmateriaal te laten vernietigen. Daar had ik veel geluk mee. Vanuit het Gestapokantoor in Amsterdam werd ik naar het Oranjehotel in Scheveningen gebracht. Ik bleef mijn valse verklaring maar repeteren. Ze hadden mij opgepakt vanwege mijn valse persoonsbewijs. Hierin was mijn naam Christine Doorman. Ik moest volhouden dat dit mijn naam was. Ik verzon dat ik Rijksduitse was, die haar verloofde wilde bezoeken, waarvan ik al zo lang niets had gehoord. Omdat Nederlanders zo vervelend tegen Duitsers waren, was het voor mij noodzakelijk geweest om dit Nederlands persoonsbewijs aan te schaffen. Mijn Duitse verhoorder zei: “Hoe kunt u bewijzen dat u Rijksduitse bent?” Ik antwoordde: “Geen Nederlander spreekt zo goed Duits als ik!” en hij trapte erin. Ik kreeg 10 maanden en was doodsbang dat ze me zouden martelen en dat ik alles zou verraden. Ik werd naar Kamp Vught gebracht. Daar vroeg Aufseherin Jo naar wat ik had gedaan en ik vertelde haar exact hetzelfde. Toen ik klaar was, zei ze: “Dat geloof je toch zelf niet?!” Maar ze heeft me niet verraden! Op Dolle Dinsdag vond mijn deportatie naar Ravensbrück plaats, waar ik voor straf naar toe moest voor het hebben van een vals persoonsbewijs. Verder hadden ze geen bewijs tegen mij, behalve dat ik mij als Rijksduitse had moeten melden!’

Overleven in Ravensbrück

‘Omdat ik verpleegster was, mocht ik in de ziekenwagon naar Ravensbrück. Daar moest ik de pasgeborenen verzorgen. In die winterse kou stierven er velen voor het open raam van de barak, zonder moedermelk en met wel tien andere baby’s in één bed. Later was ik getuige van medische experimenten die werden uitgevoerd door de kamparts, zoals sterilisatie zonder verdoving op Zigeunerkinderen van 5 tot 14 jaar. Dagelijks stond ik urenlang op appel naast twee Tsjechische communistes met wie ik bevriend raakte. Een van hen gaf me een warm vest. Zij zaten langer in het kamp en hadden dus betere connecties. Ik raakte verzwakt van te weinig eten en te zware arbeid en kreeg hoge koorts en moest naar de ziekenbarak. Mijn Tsjechische vriendinnen vreesden dat alle mensen uit die barak binnenkort verbrand zouden worden. Zij redden mij nog net op tijd met een draagbaar daaruit. Aan hen dank ik mijn leven! Na 10 maanden gevangenschap werd ik vrijgelaten, maar ik had tuberculose en was zeer verzwakt.’

Nergens welkom

‘Eind januari 1945 kwam ik als ‘Christine Doorman’ vrij en werd door de kampleiding op de trein naar Berlijn gezet. Om het land te kunnen verlaten had ik een stempel nodig op mijn ontslagbrief uit Ravensbrück en moest mij melden in Zimmer 24 van het SD-hoofdkantoor. Ik trof de officier met zijn liefje op schoot achter zijn bureau aan. Hij zette onbewogen zijn stempel en riep: “Raus!”. Na een lange reis stopte de trein in de grensplaats Nieuweschans, want in Nederland was de spoorwegstaking aan de gang. Ik zag een militaire trein staan en stapte er in. Een Duitse militair trof mij daarin aan, slecht gekleed, broodmager en ziek. Ik toonde hem mijn ontslagbrief, waarvan hij zo schrok dat hij de deur van mijn coupé dichtsloeg alsof ik niet bestond.
In Zwolle waren allen ondergedoken en weg op de vier adressen waar ik aanbelde. Gelukkig nam de vijfde mij in huis, gaf mij onderdak en eten. ’s Nachts stapte ik op een open treinwagon waar ook een jong stelletje op zat. We reden over een schitterend besneeuwde Veluwe bij volle maan. Ik prees mezelf gelukkig bijna thuis te zijn. Mijn zus Hanna was bij een goede vriendin ondergedoken, maar twee zussen was toch teveel op dit adres. Het weerzien was geweldig, maar ik werd nog gezocht. Hanna bracht mij ernstig ziek van de tbc onder op het adres van dominee Jan Koopmans in Amsterdam, die zelf elders was ondergedoken. Hanna verzorgde mij goed, terwijl haar illegale werk onverminderd doorging.’

Bevrijd

‘Op 12 maart 1945 werden bij het Weteringplantsoen 24 personen in koelen bloede door de bezetter als represaille gefusilleerd. Jan Koopmans keek naar deze executie vanuit het raam van zijn onderduikadres. Eén van de kogels vloog over het hoofd van de slachtoffers en trof Koopmans in het hoofd. Twaalf dagen later overleed hij aan zijn verwondingen. Voor ons was dit een groot verdriet. Pas toen we werkelijk bevrijd waren konden mijn zus en ik naar mijn ouders in Veenendaal. Na de bevrijding sprak ik dominee Miskotte na een kerkdienst in Amsterdam. Gedurende mijn gevangenschap had ik nooit meer aan God gedacht en ik voelde me bezwaard hierover. Miskotte zei: “Ook al dacht jij niet meer aan God, Hij dacht wel aan jou.” Dankzij deze woorden pakte ik de draad weer op.’ Mijn tuberculose herstelde maar niet en ik moest gaan kuren in Zwitserland.’

Contacten achter het IJzeren Gordijn

‘Na twee jaar kuren was ik hersteld. In 1947 kreeg ik een kantoorbaan bij de Raad voor Kerk en Overheid in Den Haag. Vanuit de Hervormde Kerk werd mij gevraagd om contacten te leggen in Duitsland en achter het IJzeren Gordijn.

In 1961 kon ik mijn oude Tsjechische vriendinnen opzoeken. Er was niets meer over van hun communistische idealen en ik schrok van alles wat zij niet mochten zeggen. Ik legde contacten tussen theologen in Nederland en in het Oostblok. Ik heb 81 Nederlandse theologiestudenten naar het Oostblok gestuurd, die er goed werk hebben verricht. Vorige week had ik in Utrecht een reünie met wel 22 theologen uit het voormalige Oostblok.'

Hebe Kohlbrugge, 2015. Foto: Ellen Lock.

Dankbaar

‘Op 13 december 1999 maakte een achteruitrijdende bestelwagen een eind aan het leven van Hanna. Wij woonden samen en ze ging gewoon even boodschappen doen. Ik mis haar nog iedere dag. Toch ben ik God dankbaar voor drie dingen. Ten eerste dat Hij ervoor zorgde dat de Duitse verhoorder in Scheveningen mij geloofde. Ten tweede dat de Aufseherin Jo van Drunen in kamp Vught mij niet verraadde. En ten derde voor het vest van de Tsjechische communistes in Ravensbrück. Aan hen heb ik mijn leven te danken. Ik zou de dochters van Aufseherin Jo nog willen spreken over haar zwijgen. Wij categoriseren deze kampbewakers altijd iets te gemakkelijk. Jo heeft mij niet verraden, er waren ook zeker goeden onder de kwaden! Dat wil ik vooral meegeven!’

Interview: Ellen Lock, Maart-editie 2015, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak