‘Alleen redde je het niet aan de dodenspoorweg!’

Han de Bruïne werkte als krijgsgevangene aan de Pakan Baroe spoorweg op Sumatra

Han de Bruïne, maart 2010
Han de Bruïne, maart 2010, Foto: Ellen Lock.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben de Japanners verschillende spoorwegen laten aanleggen in de bezette gebieden. De bekendste spoorlijn waar krijgsgevangenen aan moesten werken is de Birma-Siam Spoorweg in Thailand. De beroemde film ‘The Bridge on the River Kwai’, uit 1957, is gebaseerd op deze oorlogsgeschiedenis.

Minder bekend is de hel van de Pakan Baroe-Moeara Spoorweg op Sumatra. Bij de aanleg van deze zogenoemde ‘dodenspoorweg’ in een moerasgebied zijn tienduizenden mensen omgekomen. Via de ‘Stichting Herdenking Birma-Siam Spoorweg en Pakan Baroe Spoorweg’ kwam de redactie in contact met een Pakan Baroe-overlevende, de heer Han de Bruïne, die zijn verhaal in Aanspraak wilde vertellen.

Slag bij Tjiater

Han de Bruïne: ‘Op 7 december 1941 werd Pearl Harbor, de Amerikaanse marinebasis op Hawaï, aangevallen door Japan. Als achttienjarige jongeman in de vijfde klas van de HBS moest ik meteen verplicht in dienst bij het KNIL. Op 10 december 1941 meldde ik me in Bandoeng en ik werd ingedeeld in Tjimahi bij de ‘korpsopleiding reserve officieren artillerie’. Als jonge militairen werden infanteristen meteen ingezet bij de Slag bij Tjiater op 7 maart 1942, waar het KNIL de Japanse opmars naar Bandoeng probeerde te stuiten. We moesten de KNIL-militairen munitie brengen, maar liepen dus ook door de vuurlinies en de Japanner zag het verschil niet tussen een leerling en een volleerde officier. Ontzettend veel jongemannen zijn voor mijn ogen gesneuveld en krijgsgevangenen werden meteen gedood. Na deze laatste strijd dreigde Japan met een aanval op Bandoeng, waar veel vluchtelingen zaten. Toen capituleerde het KNIL op 8 maart 1942.’

Sabotage

‘We moesten het materieel inzamelen en naar de Japanse legerbasis brengen in Tjimahi. Met mijn dienstmaten probeerde ik zoveel mogelijk materieel te saboteren. We lieten de motoren van tractoren kapot draaien, voordat we ze inleverden. We trokken de slagpennen uit veertig kanonnen en gooiden ze in het moeras. Vervolgens werden we als krijgsgevangenen naar het zogenoemde ‘kale koppen kampement’ gebracht in Tjimahi. Ik had het geluk dat ik de eerste anderhalf jaar in dezelfde jappenkampen als mijn vader heb gezeten. We hadden veel steun aan elkaar. Begin 1944 is mijn vader overgeplaatst naar de Struiswijk-gevangenis in Batavia. Ik werd naar het 10e bataljon in Batavia gedeporteerd, onder de beruchte kampleider Sonei, die maanziek was. Urenlang moesten we op appèl staan, ook midden in de nacht. In het 10e bat. was al bekend dat wij op transport zouden gaan voor zware dwangarbeid, dus kregen we iets beter te eten.’

De Pakan Baroe Spoorweg

‘Begin mei 1944 werd ik op het eerste transport KNIL-krijgsgevangenen en andere geallieerde militairen gesteld met eindbestemming Pakan Baroe op Sumatra. De Japanners lieten de krijgsgevangenen een spoorweg aanleggen door een moerasgebied van Pakan Baroe naar Moeara voor vervoer van oorlogsmateriaal en steenkool. Aan ons transport waren al vele transporten met Javaanse dwangarbeiders, de zogenoemde romusha’s, voorafgegaan. Als gevolg van de hitte, de besmettelijke ziekten, het zware werk, ondervoeding en mishandeling, stierven zij bij bosjes. In ‘Op Dood Spoor’, het meest recente standaardwerk over het Pakan Baroe-drama, becijfert historicus Henk Hovinga dat ruim 80.000 van de 102.000 romusha’s bij de aanleg van de Pakan-Baroe-Moeara Spoorweg moeten zijn omgekomen. Van de bijna 5.000 geallieerde krijgsgevangenen, onder wie ongeveer 4.000 Nederlanders, stierven er 700 bij het werk langs de spoorbaan aan uitputting, ondervoeding en tropenziekten. Bovendien kwamen er nog eens bijna 5.800 dwangarbeiders (onder meer 4.000 romusha’s) om toen geallieerde onderzeeërs de schepen Junyo Maru en Van Waerwijck torpedeerden die waren afgeladen met arbeidsslaven op weg naar de spoorbaan. De Japanners beschouwden de romusha’s als minderwaardig. Ze lieten ons bijvoorbeeld wel onze doden begraven, maar de zieke romusha’s werden gewoon achtergelaten. Je zag hun lijken liggen in het oerwoud langs het spoor, maar je sloot je daarvoor af. We werden ingescheept vanuit de havenstad Tandjoeng Priok op Java in een groot vrachtschip, waarin eerder steenkolen waren vervoerd. Door al het kolengruis werden we zwart als mijnwerkers. De Japanners hadden Koreaanse bewakers aangesteld die ons nog wreder sloegen. De stank aan boord was onverdraaglijk. Iedereen moest zijn mok, pannetje en lepel bij zich houden en alle overige bagage werd op een grote hoop in het midden van het ruim gegooid. Door het open middenluik erboven stroomde tijdens de drie dagen durende reis de regen op onze bagage. In de Emmahaven werd alle kletsnatte bagage op de kade gegooid. Via de gevangenis in Padang, waar op advies van een Nederlandse arts de romusha`s gescheiden werden van de krijgsgevangenen omdat de romusha`s heel veel dysenterie onder de leden hadden, werden we per trein naar Payakumbu gebracht en vervolgens per vrachtauto naar Pakan Baroe 1. De reis er naartoe was indrukwekkend omdat je vanaf de vrachtauto de ongerepte natuur kon zien. In kamp Pakan Baroe mochten we van de Japanners één briefkaart schrijven met negen verplichte zinnen en één zin naar vrije interpretatie.’

Stijfsel met zout

‘We hadden nauwelijks tijd om te eten en we aten iedere ochtend sagomeelpap. Dit stijfsel, een soort behanglijm, smaakte opgewarmd en met zout wat beter. We werkten in Logas vaak van ‘s morgens 6 uur tot ‘s avonds 23 uur met maar een half uurtje pauze. Dit is het pannetje waar ik in het kamp als het even kon in kookte.
’s Avonds kregen we een kopje rijst. Wilde postelein vond ik in het oerwoud en ik at varentoppen om vitaminen binnen te krijgen. Om te overleven zocht je een team van ongeveer tien man bijeen, een zogenoemde ‘kongsi’. Zo’n kongsi betekende dat een van ons altijd oplette bij de rechtmatige verdeling van het eten. Vond je iets buiten, iets wat je kon gebruiken, dan deelde je dat met elkaar. Eén van ons bleef altijd op onze spullen passen in de barak. Je had elkaar nodig om te overleven, alleen redde je het niet aan de dodenspoorweg. Op een dag verkocht ik mijn horloge, dat gerepareerd was door mijn kongsigenoot die horlogemaker was geweest in Holland. Het leverde veel geld op waarmee ik een blok trassi, een groot blok visafval, kon kopen bij de lokale bevolking. De trassi kostte 40 gulden en je deelde het blok doormidden, at de helft op met je kongsi en je verkocht de andere helft binnen het kamp weer voor 40 gulden. Zo probeerde je overal winst te maken en eten te regelen om samen te overleven. Als iemand van een ander had gestolen, dan moest hij door het midden van de barak lopen en werd hij door iedereen geslagen.’

Han de Bruïne met het pannetje waarin hij kookte in het Jappenkamp, maart 2010
Han de Bruïne met het pannetje waarin hij kookte in het Jappenkamp, maart 2010, Foto: Ellen Lock.

Er is meer tussen hemel en aarde

‘‘Pakan Baroe 2’ was het dodenkamp, waar de ernstig zieken met tropenziekten als malaria en beri-beri naartoe werden gebracht om te sterven. Ik had daar als taak lijken te sjouwen en zieken te verzorgen. Men moest die lijken altijd goed bij het hoofd omhoog houden, anders liepen de giftige stoffen eruit. Ook liep ik meer risico om op die manier zelf besmettelijke ziekten op te lopen! In dat dodenkamp Pakan Baroe 2 kregen sommige ernstig zieke mannen van de hoge koorts ‘tropenkolder’. Ze hadden waanvoorstellingen en werden hyperactief. Velen zongen de hele dag christelijke liedjes. We bonden deze godsdienstwaanzinnigen voor hun eigen bestwil zo snel mogelijk vast, want als de Japanner zo’n zieke van de koorts zag rondrennen, werd hij meteen neergeschoten. Ik was ziekenbroeder en zij werden door mij gevoed. Voor de eiwitten gaven we hen de maden die we vingen uit de latrines. Op onze wonden plaatsten we die maden omdat ze de bacteriën opaten. Op mijn eigen zwerende enkel zag dit er eng uit, maar de wond genas wel snel. Aangezien er zoveel mensen om je heen doodgingen, waren de krijgsgevangenen ook veel bezig met dood en leven en met goede en kwade krachten. Er was bijvoorbeeld één bocht in het spoor over de rivier waar de romusha’s echt bang voor waren. Men zei dat die bocht was behekst met kwade krachten, ofwel ‘goena-goena’, omdat alle lorries die wij gebruikten daar uit de wissels vlogen. Ik geloof wel dat er meer tussen hemel en aarde is en zeker in Indië was dat zo. Er gebeurden daar zoveel onvoorstelbare dingen, dat ik er wel in moest geloven.’

Je mensbeeld verandert door de oorlog

‘De Engelse krijgsgevangenen in ons kamp hadden nog geen tropenervaring. Ze waren ontzettend vies, omdat ze zich niet wasten. Wij waren gewend om ons heel goed schoon te houden, anders kreeg je tropenzweren. De Engelsen waren vaker ziek en verspreidden bacteriën. Hoewel mijn vader KNIL-officier was, ben ik in de jappenkampen mijn respect voor officieren, de goede niet te na gesproken, verloren. Officieren hoefden namelijk geen dwangarbeid te verrichten, dus zij hadden het vergeleken bij onze zware dwangarbeid erg goed. Veel respect kreeg ik voor de Nederlandse artsen in ons kamp die onder zware omstandigheden en met heel weinig middelen nog operaties probeerden uit te voeren om mensenlevens te redden. Zo hadden de Japanners veel respect voor een tandarts in het kamp en ze gaven hem zes ampullen met verdovingsmiddelen. Hij gebruikte slechts één ampul voor zijn kaakoperaties en de andere vijf gaf hij aan de artsen zodat zij er hun patiënten mee konden verdoven. Een keer ben ik geopereerd aan een grote zweer op mijn bil. Die artsen stelden hun leven in de waagschaal voor ons en waren echte helden.’

Bevrijd

‘Toen de oorlog bijna was afgelopen was ik uitgeput, ziek van de beri-beri en ernstig verzwakt. Tijdens het werk begon een Jap opeens tegen mij te schreeuwen over de gouden zegelring van mijn grootvader. Hij moest en zou mijn ring hebben en beval dat ik ‘m af moest doen. Ik bezweek niet en zei tegen hem: ‘Alleen als jij je samoeraizwaard aan mij geeft, dan mag je ‘m hebben!’ Hij bleef mijn hand met de ring vasthouden. Ik gaf hem een stomp en hij viel van de dijk af. Hij werd uitgelachen door de aanwezige Japanners en verdween uit het zicht. De volgende dag was ik doodsbang voor zijn wraak, maar op dat moment werd ons door romusha’s verteld dat de oorlog was afgelopen. In het oerwoud van Sumatra drong dit nieuws langzaam door. Op 15 augustus 1945, de dag dat Japan capituleerde, was er nog een officiële Japanse ceremonie omdat de Pakan Baroe Spoorweg klaar was. Er werd een speciale goudkleurige klinknagel geslagen. Er heeft echter nooit een behoorlijke trein over dat spoor gereden, want de rails bleven wegzakken in de modder van het moeras. Als we daar hadden moeten blijven werken, hadden we nu nog steeds grind kunnen storten, want het grind zakte weg in het moeras. Na één regenbui was de rails alweer scheefgezakt of er was een kudde olifanten overheen gelopen, waardoor we opnieuw konden beginnen. Ook saboteerden wij waar mogelijk de boel. Het aanleggen van die spoorlijn om de kolen van Sumatra te vervoeren was dus een hopeloze zaak. De Japanners bleven volhouden dat de spoorweg gereed moest komen en wilden niet inzien dat dit niet lukte. Na de oorlog staken de rails op sommige plaatsen nog slechts een halve centimeter boven de grond. Half september 1945 landde Lady Mountbatten in een Dakota op een klein grasveld bij het kamp Pakan Baroe. Iedereen kreeg beschuit en biscuit. We mochten allemaal een bericht sturen dat haar piloot meteen naar Java bracht en verder door het Rode Kruis werd verspreid. Zo kreeg mijn moeder bericht in het jappenkamp dat ik nog leefde. Een Amerikaanse piloot vloog mij met nog vijftig ex-krijgsgevangenen als laatste groep naar Singapore. In de verschillende kampen in Singapore wachtten mannen, vrouwen en kinderen op verscheping naar het vaderland.’

Weerzien

‘Ik wilde mijn moeder graag terugvinden en heb alles op alles gezet om naar Java te kunnen terugkeren. De kapitein van onze militaire groep op het schip waarmee ik naar Java was gevaren pretendeerde ons niet te zien toen wij door marinemensen van H.M. Tromp werden opgehaald en naar Batavia gebracht. Nederlandse militairen mochten van de Engelse militaire commandant in Batavia niet aan land. Mijn moeder werd verpleegd in ‘Hotel des Indes’ in Batavia. Er stond een Schot op wacht voor de poort, die me in eerste instantie tegenhield. Ik wist hem te overtuigen. Mijn moeder woog nog maar 35 kilo en mijn kleine broer was al even mager. Ze waren stom verbaasd om me te zien. De volgende dag arriveerde mijn vader. We sliepen in ons oude huis in Batavia dat was leeggeroofd. Na de oorlog was ik gewoon weer in dienst. Eind januari 1946 mocht ik met groot verlof naar Nederland. In het Suez-Kanaal kregen we echter een telegram dat alle verloven ingetrokken waren vanwege de onrust in Nederlands-Indië. Ik had het zo ontzettend gehad met die oorlog. Uiteindelijk ben ik afgekeurd voor militaire dienst, vijf jaar dienst inclusief krijgsgevangenschap aan de Pakan Baroe Spoorweg was meer dan genoeg.’

Het Pakan Baroe monument in Bronbeek. Foto: Han de Bruïne.
Het Pakan Baroe monument in Bronbeek, Foto: Han de Bruïne

Herdenken

‘In de afgelopen jaren ben ik twee maal teruggekeerd naar de Pakan Baroe Spoorweg. De rails is overwoekerd door het oerwoud, maar ik herkende nog een wachthuisje. Op mijn laatste reis heb ik een kalebas gekocht, precies zo een die ik altijd vulde met water tijdens mijn dwangarbeid. Op mijn reizen heb ik een aantal romusha’s van destijds gesproken. Zij begrijpen als geen ander hoe erg het was. Voor mij was het werken aan die spoorlijn in de laatste oorlogsmaanden een ware hel, omdat ik zo verzwakt en ziek was en er vele medegevangenen om mij heen stierven. Met twee broers legde ik de lijken in een kuil. Eén van deze tweeling kreeg malaria tropica en ging midden in de nacht rechtop zitten en viel toen dood met zijn hoofd achterover. Dit was voor mij het grootste dieptepunt in de oorlog, om mijn goede vriend met wie ik alles had doorstaan toch te moeten begraven. Daar moet ik nog vaak aan denken. Iedere dag brand ik een kaarsje voor mijn vrouw die ik in november 1945 in Singapore had leren kennen. Vijf jaar geleden is ze overleden. We hadden het geluk dat we dezelfde achtergrond hadden. Aan één woord of blik hadden we genoeg, omdat we allebei in een jappenkamp hadden gezeten. Haar moeder praatte onophoudelijk over die oorlog, terwijl wij er vroeger juist nooit over spraken met onze kinderen. Je sprak er later pas over als een van hen er naar vroeg. Ik ga nooit naar de Herdenking op 15 augustus bij het Indisch Monument. Dat is me veel te druk. Ik ga liever naar Bronbeek, want daar is het monument voor de Pakan Baroe Spoorweg, een marmeren steen die ik in 2006 namens alle Nederlandse oorlogsgetroffenen van de Pakan Baroe spoorweg heb mogen onthullen. Met mijn vrouw ging ik altijd door het jaar heen naar het Indisch Monument, als het lekker rustig was, om samen te herdenken, zittend in het gras.’

Interview: Ellen Lock, PUR-cliëntenblad Aanspraak, Maart 2010