De oorlog zit binnen in je

Frieda Menco-Brommet vertelt over de oorlog en de bevrijding in Auschwitz.

‘Het is bijna niet uit te leggen aan wie het niet heeft meegemaakt,’ vertelt ze. ‘Je wordt dagelijks herinnerd aan de oorlog, want de oorlog zit binnen in je. Je draagt al die mensen die zijn vermoord in gedachten met je mee. Allerlei beelden krijg je niet meer uit je hoofd.’ Toch wil zij haar oorlogsverhaal doorgeven om anderen te inspireren zich in te zetten voor positieve zaken in de wereld, zoals vrijheid voor iedereen en de liefde voor kunst.
Frieda Menco Brommet, maart 2019.
Frieda Menco-Brommet. Foto: Ellen Lock.

Mijn vader bracht kleur in mijn leven

‘Iedere dag dank ik mijn vader Joël Brommet, dat hij mij in de laatste jaren die we samen waren vorm en kleur heeft leren zien. Hij was artistiek en bracht letterlijk kleur in mijn leven. Mijn vader was etaleur, in het begin bij de Bijenkorf en later uitsluitend in etalages met stoffen. Hij ontmoette mijn moeder, Rebecca Ritmeester, in Amsterdam en ze gingen bij haar ouders wonen.
Mijn ouders Rebecca Brommet-Ritmeester en Joël Brommet. Foto: Familiealbum Frieda Menco-Brommet).
Mijn ouders Rebecca Brommet-Ritmeester en Joël Brommet. Foto: Familiealbum Frieda Menco-Brommet).

Hier ben ik geboren op 11 augustus 1925. Mijn ouders waren van Joodse afkomst, maar niet religieus. Als jong meisje wilde ik graag Frans studeren, want ik kreeg Franse les in de vijfde klas van de lagere school en daardoor werd mijn liefde hiervoor gewekt. Mijn vader gaf schriftelijke cursussen in zijn vak en liet mij meekijken naar het werk van zijn cursisten. Mijn vader hoopte dat ik zou gaan studeren. Hij had al een studieverzekering afgesloten voor als het zover zou komen. Om de hoek van ons huis aan de Zuider Amstellaan 74-I, de huidige Rooseveltlaan, was een driejarige handelsschool waar ik eerst naartoe ben gegaan.’

Ineens werd je anders bekeken

‘Op die stralende vrijdagmorgen, 10 mei 1940, werd ik vroeg wakker en tot mijn verbazing zag ik mijn ouders niet in huis. Vanaf het balkon zag ik op straat groepen mensen druk met elkaar praten onder wie mijn ouders. Zo ontdekte ik op mijn veertiende dat het oorlog was en dat Duitsland Nederland was binnengevallen. Daardoor werd ik op 10 mei Joods, want eerder was ik er niet mee bezig. Ineens werd je anders bekeken als je uit Joodse ouders was geboren, terwijl je jezelf helemaal niet anders voelde. Mijn vader had een slecht voorgevoel over de Duitse inval. Hij wilde per se via IJmuiden naar Engeland vluchten. Mijn ouders begonnen al met koffers pakken, want we zouden de volgende ochtend gaan. Zijn moeder kwam die dag bij ons op bezoek. Oma Brommet zat in een leunstoel voor het raam en vroeg mijn vader op het moment dat de taxi voor de deur stond: “En wij dan?” Daarop besloot mijn vader om niet weg te gaan.

In september 1940 ging ik naar de vierde klas van de Openbare Handelsschool. Begin juli 1942 kreeg ik een oproep dat ik mij moest melden voor de medische keuring bij de Zentralstelle für jüdische Auswanderung, het Duitse meldpunt in Amsterdam voor Joodse ‘emigratie’. Mijn vader kwam met schuurpapier thuis en zei tegen mij in de badkamer: “Je moet je huid hiermee schuren, dan denken ze dat je roodvonk hebt!” Mijn vader ging voor mij naar de Zentralstelle en vertelde dat ik roodvonk had en dat ze dit mochten controleren. Ik kreeg voorlopig uitstel, want de Duitsers waren doodsbang voor besmettelijke ziekten.
Frieda Brommet, circa 10 jaar. Foto: Familiealbum Frieda Menco-Brommet.
Frieda Brommet, circa 10 jaar. Foto: Familiealbum Frieda Menco-Brommet.
Op de terugweg werd mijn vader opgepakt bij een razzia, maar hij wist te ontsnappen. Hij had een witte regenjas aan en wierp die snel van zich af. Vervolgens rende hij zigzaggend van de bewakers weg die op hem schoten. Hij vluchtte naar het huis van zijn ouders. Omdat mijn vader die nacht niet was thuisgekomen, zaten mijn moeder en ik in angst. Iemand kwam aan de deur vertellen dat mijn vader was gepakt. Zodra mijn moeder dit hoorde werd ze hysterisch en begon te huilen en te gillen. Instinctief gaf ik ondanks mijn jonge leeftijd mijn moeder een klap in haar gezicht waardoor ze rustig werd. Even later belde er een jongen aan die door vader was gestuurd om te vertellen dat hij het goed maakte en bij zijn ouders bleef tot hij kon terugkeren.’

Een slecht onderduikadres

‘Er kwamen steeds meer anti-Joodse maatregelen. Joodse leerlingen mochten niet meer naar openbare scholen, dus vanaf 1 september 1941 moest ik naar het Joods Lyceum. Halverwege 1942 moesten wij onderduiken vanwege de grote razzia’s. Mijn vader kreeg van zijn zwager Louis een onderduikadres in Warmond, maar Joden mochten niet meer reizen met het openbaar vervoer. Gelukkig had vader gespaard en kocht een boot om naar Warmond te varen. In de vroege morgen van 16 juli 1942 vertrokken wij met meerdere lagen kleding aan en de Jodensterren losjes op onze jassen genaaid. Bij de boot onder de Berlagebrug trokken we de sterren van onze jassen. Twee kennissen hielpen ons in de kajuit en zouden ons naar Warmond varen. 
 
Op het moment van vertrek hoorden we op de kade twee Duitsers zeggen: “Wat een mooie boot, mogen we even komen kijken?” Onze stuurman reageerde heel goed: “We hebben nu een beetje haast, kom om vijf uur terug, dan kunnen we samen ‘einen Schnapps trinken’ en dan kunt u de boot bekijken.” Tot onze grote opluchting kwamen wij hiermee weg en voeren snel naar Warmond, waar we één kamer kregen boven een fietsenwinkel. Helaas hadden wij het zeer slecht getroffen met dit onderduikadres. In plaats van extra voedsel voor ons, kochten zij alcohol voor zichzelf en wij mochten nooit naar buiten. Mijn vader kon geen kant op en moest deze mensen steeds veel te veel betalen. Hij hield het niet langer uit en wilde met ons naar Zwitserland vluchten.’

Eén grote leugen

‘Eind juni 1944 zouden wij via een contactpersoon, Gerritse genaamd, met ons gezin naar Zwitserland vluchten. Tot tweemaal toe betaalde hij deze Gerritse grote sommen geld voor onze reis. Uiteindelijk bleek het één grote leugen te zijn en kwam niemand ons ophalen op de afgesproken vertrektijd. Gerritse bleek achteraf een valse naam van iemand die samen met zijn vrouw tientallen Joden aan de Duitsers heeft uitgeleverd. Zo verraadde zijn vrouw ons, waarop wij gevangen werden genomen en verhoord door de Sicherheitsdienst in de Euterpestraat in Amsterdam. Daarna zijn we opgesloten in het Huis van Bewaring aan de Weteringschans. In een grote cel met veertig vrouwen vroeg een leeftijdgenootje: ‘Is er iemand die met mij een gedicht wil maken om naar de mannen te smokkelen?’ Ik reageerde positief. Zij heette Ronnie van Cleef, we hadden meteen een klik en bleven zoveel mogelijk bij elkaar. 
 
We zijn per gewone NS-trein onder Duitse bewaking naar kamp Westerbork gebracht. Toen Salo Muller na een jarenlange strijd onlangs de toezegging kreeg van de Nederlandse Spoorwegen dat ze individuele schadevergoedingen zouden betalen voor het transport van Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog, heb ik meteen de telefoon gepakt om hem daarmee te feliciteren en hem gezegd hoe geweldig ik het vond. In Westerbork aangekomen, kregen we een blauwe overall en klompen aan. Wij moesten direct naar de strafbarak, omdat wij onderduikers waren geweest. Uit protest zei ik voor de neus van de Hollandse kampbewakers het gedicht ‘Holland’ van de dichter E.J. Potgieter op, waarvan de laatste zin is: “Land eens het vrijst’ en gezegendst’ der aard’.” Wij kregen er betere voeding dan op ons onderduikadres en wij mochten in de buitenlucht op het kampterrein lopen. Daarom voelde het voor mij als de beste tijd in mijn gevangenschap. Als werk moesten we batterijen uit elkaar halen waarvan je roetzwart werd.’

Op transport

‘Op 3 september 1944 moesten wij met het laatste transport naar Auschwitz. Ik zat in dezelfde wagon als mijn ouders, maar tussen ons lag in het midden alle bagage. In de hoek stond een ton waar je je behoefte op moest doen. Er was een man hevig verliefd op mij en die heeft drie dagen en nachten zijn armen om mij heen geslagen. Hij heeft absoluut geen misbruik van de situatie gemaakt. Na drie dagen kwamen we aan in Auschwitz. Mijn vader en moeder gaven elkaar nog een vluchtige kus. Dat was het laatste moment dat ze elkaar zagen. Ik herinner me vooral het geschreeuw. Mannen liepen langs de trein en vroegen of we onze juwelen aan hen wilden afstaan, want we hadden er toch niets meer aan. We werden meteen ingedeeld in twee rijen vrouwen en kinderen en de mannen in twee andere rijen, op weg naar de kamppoort. Je moest je koffer afstaan en alles wat je bezat. We kregen een nummer op onze arm getatoeëerd. We moesten onze kleren uittrekken terwijl de mannelijke bewakers om ons heen liepen. Daarna gingen we onder de douche. Met mijn moeder en Ronnie deelde ik een plank met wat stro in een vrouwenbarak.’
Samen met mijn moeder. Foto: Familiealbum Frieda Menco-Brommet.
Samen met mijn moeder. Foto: Familiealbum Frieda Menco-Brommet.

Stenen sjouwen

‘Mijn vriendin Ronnie schreef na de oorlog een prachtig gedicht voor mij over onze dwangarbeid in Auschwitz, dat helder weergeeft wat we daar moesten doen:

KZ,

‘Wij hielden onze handpalmen naar boven open en
onze vingers gestrengeld in elkaar, daarin legden
wij om beurten stenen, zware stenen op elkaar.

Tot aan de randen van onze borsten en soms met
onze kin erop liepen wij in rijen zwijgend langs een
weg van keien tot wij bij een berg van stenen onze
stenen moesten werpen.

Daar stonden wij verbijsterd en verward de armen
los en pijnlijk langs het lijf. Een kapo riep: “Zurück
mit deinen Steinen.”

Weer gingen onze handpalmen naar boven open en
onze vingers gestrengeld in elkaar, daarin legden
wij om beurten stenen, zware stenen op elkaar.’


Ons werk was zeer zwaar; stenen sjouwen op die open Poolse vlakte in de koudste winter van de vorige eeuw. Na een vluchtpoging van een paar gevangenen moesten wij achterblijvers boeten. In die ijskoude wind zaten we op onze hurken en hielden stenen boven ons hoofd. Als je omviel zette een Poolse bewaakster je weer rechtop. Al gauw werden Ronnie en ik met roodvonk opgenomen in de ziekenbarak. Hier zagen wij de zusjes Anne en Margot Frank die schurft hadden. Onze moeders, Edith Frank en Rebecca Brommet, bleven contact met ons houden door een gaatje dat ze groeven onder de houten barakwand. Ik was zo verzwakt dat ik niet meer kon lopen van de pijn in mijn rug, zodat Ronnie de berichtjes van mijn moeder bij het gat opving en aan mij doorgaf.’

Heldinnen

‘Van de kou kreeg ik pleuritis, een longvliesontsteking. Mijn moeder probeerde van alles te bedenken om bij mij te blijven. Ze deed alsof ze ischias – ernstige rugpijn – had, zodat ze ook soms even naar de ziekenbarak mocht om bij mij te zijn. Anne en Margot Frank moesten op transport naar Bergen-Belsen, waar ze beiden vlak voor de bevrijding zijn gestorven. Hun moeder Edith Frank stierf drie weken voor de bevrijding door de Russen in Auschwitz. 
 
In november 1944 dacht ik dat mijn moeder ook al weg was en voelde ik me zeer alleen. Een aantal Franse meisjes in mijn ziekenbarak ontfermde zich over mij en zij wilden me zelfs adopteren en meenemen naar Frankrijk na de bevrijding. Ware heldinnen! En een tweede wonder was dat een Belgische vrouw mij slokjes water gaf en kleine stukjes brood in mijn mond stopte toen ik tyfus had. Wat bijzonder dat iemand zoiets doet voor een ander! Tweemaal had ik dus geluk doordat ik me in het Frans kon redden. Na negen dagen kwam mijn moeder gelukkig weer terug. We kregen Durchfall, ernstige diarree, waaraan heel veel mensen zijn gestorven.’

Bevrijd door de Russen

‘Op 21 januari 1945 was het merendeel van de Duitse kampbewakers ineens verdwenen. Op 27 januari reden de Russische tanks met soldaten het kamp binnen. Ik balanceerde op het randje van leven en dood. Ik was 19 jaar en woog nog maar 35 kilo. Vanwege ernstig rugletsel kon ik niet meer lopen dus bleven mijn moeder en ik in de barak. Ik was eigenlijk te ziek om verplaatst te worden, maar toch brachten ze mij vier kilometer verderop naar het mannenkamp. Daar was een dokter, David Grossman, die mij de juiste glucose en insuline injecties gaf en zo mijn leven redde. 
 
Tenslotte zijn we door de geallieerden overgebracht naar Pilsen in Tsjechoslowakije, waarvandaan mijn moeder en ik met een vrachtvliegtuig naar Brussel zijn meegevlogen. Enige dagen later reden we per trein naar Nederland waar we naar een opvang in Tilburg zijn gebracht, waar moeders zuster woonde die ons kwam halen en mij ontzettend heeft verwend. Mijn moeder zou in Amsterdam een woning voor ons gaan zoeken. In Tilburg vernam ik twee maanden later dat mijn moeder in het Portugees Israëlitisch Ziekenhuis was opgenomen, waar een opvangcentrum voor gerepatrieerde kampgevangenen was ingericht. Zij hoorde daar dat mijn vader vermoedelijk op een dodenmars uit Auschwitz was gestorven in januari 1945. Mijn moeder en ik bleven nog lang hopen op zijn terugkeer.’

Een struikelsteen voor mijn vader

‘In 1948 ging ik voor het eerst naar mijn latere man, Herman Menco, in Rotterdam. Ik kwam iets eerder dan hij op zijn kamer – doordat zijn hospita mij binnenliet – en ik zag op zijn tafel een brief liggen voor ‘Mein lieber Hermankind’, ondertekend ‘Dein David Grossman’. Herman en ik waren zo blij dat we beiden deze Tsjechische arts uit Auschwitz kenden. Toen we hem samen wilden opzoeken, was hij helaas net aan een hartkwaal overleden. Wij trouwden op 9 januari 1951 voor de wet en op 28 januari in de sjoel. Met mijn man kon ik helaas nooit over de oorlog praten. Mijn moeder en ik spraken er wel over, maar meer in de vorm van bittere grapjes. We kregen twee zonen, in 1954 Harry en in 1956 Joël, die naar mijn vader werd vernoemd.

Met Harry en Joël Menco bij de Mark Rothko-tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum. Foto: Familiealbum Frieda Menco-Brommet.
Met Harry en Joël Menco bij de Mark Rothko-tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum. Foto: Familiealbum Frieda Menco-Brommet.
De laatste tijd zijn mijn zonen wel meer geïnteresseerd in de oorlog, maar ik wil hen ook niet onnodig belasten met mijn verleden. In mijn werk als radiojournaliste en als voorzitster van de Liberaal Joodse Gemeente in Amsterdam wilde ik mensen inspireren om het goede te doen en er een betere wereld van te maken. Wat mij het meest verdriet doet, is dat mijn moeder en ik nooit afscheid van mijn vader hebben kunnen nemen. In november 2017 heb ik samen met mijn zonen een struikelsteen voor mijn vader laten plaatsen op de stoep van Rooseveltlaan 74 in Amsterdam. Mijn zoon Joël benadrukte daarbij dat het ons allen nog altijd verdriet doet niet te weten waar zijn grootvader, mijn vader, is overleden. De Duitse kunstenaar Gunter Demnig, de maker van de Stolperstein, sloeg de herdenkingssteen eigenhandig de grond in. Zo hebben wij mijn vader, Joël Brommet, toch een klein monument kunnen geven.’
 
Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak maart 2019.
Frieda Menco-Brommet, maart 2019.
Frieda Menco-Brommet, maart 2019. Foto: Ellen Lock.
Op 22 februari 2019 is Frieda Menco-Brommet op 93-jarige leeftijd overleden. Zij was een van de laatste Nederlandse overlevenden van Auschwitz. Frieda Menco-Brommet bleef haar oorlogsverhaal tot in de laatste weken van haar leven vertellen. Haar familie en zijzelf wilden dat haar verhaal ook na haar overlijden zou worden doorgegeven.