Mijn afkomst houd ik liever onder de radar

Flip Frenkel over zijn gevangenschap als tiener in de kampen Vught, Westerbork, Barneveld en Theresienstadt

Flip Frenkel, 2022, Foto: Ellen Lock.

Oud-journalist Flip Frenkel (90) vertelt: ‘Sinds de verordening een ster te dragen in de Tweede Wereldoorlog en alles wat daarna volgde, weet ik dat de uitsluiting van een groep mensen iedere dag opnieuw kan beginnen! Van de ene op de ander dag kan het zomaar ineens gebeuren dat je wordt geïsoleerd van de samenleving.’

Frenkel wil met dit interview de lezers met name waarschuwen voor de gevaren van minachtende taal en denkwijzen over mensen die anders zijn qua afkomst, geaardheid of religie. ‘Onderschat de kracht van het woord niet, want het toestaan van steeds terugkerende minachtende woorden, spreekkoren tijdens sportwedstrijden en flauwe grappen over mensen met een andere achtergrond leiden uiteindelijk tot het toelaten van steeds groter wangedrag. Uiteindelijk leidde dit in de oorlog tot het wegkijken van alles wat deze minderheden door de nazi’s werd aangedaan. Wij hebben als familie zelf ervaren hoe snel deze neerwaartse spiraal kan gaan en tot welke hel dit heeft geleid.’

Jeugdfoto Flip Frenkel.

Ons leven in Rotterdam voor de oorlog

‘Mijn ouders leerden elkaar in Utrecht kennen op een studentenfeest. Na hun studies medicijnen en tandheelkunde trouwden ze en gingen ze wonen aan de Eendrachtsweg 7 in Rotterdam. Op de begane grond was vaders huisartspraktijk en op de eerste etage moeders tandartspraktijk. Ze kregen negen kinderen, vier zonen en vijf dochters. Op 8 mei 1932 werd ik hier geboren. Als zevende kind hoorde ik bij de kleintjes, die werden grootgebracht door de kinderjuf. Hoewel mijn ouders allebei Joods waren, hebben ze ons niet religieus opgevoed. We vierden alleen Pesach met matzes en Joods Nieuwjaar met appeltjes en honing. Verder was ik me er niet van bewust Joods te zijn, want in ons huis was er bijvoorbeeld geen enkel voorwerp dat aan de joodse religie deed denken.’

Flip was de oudste van de vier jongste kinderen.
De familie Frenkel in 1940. Flip is de vierde jongen links vooraan.

Het bombardement op Rotterdam

‘In de vroege ochtend van 10 mei 1940 werd Nederland aangevallen door de Duitsers. Ik was net acht jaar geworden en zat in de derde klas van de lagere school. Tijdens de eerste bombardementen op Rotterdam waren de branden heel dichtbij ons huis in het stadscentrum, daarom zijn we gevlucht in vaders auto naar goede vrienden aan het Mathenesserplein zo’n 3 kilometer verderop. Daar stond ik met mijn broers te kijken naar de massale intocht van Duitse tanks en vrachtwagens met daarachter de soldaten, die richting Schiedam marcheerden. Na de overgave gingen we naar ons ongehavende huis terug. Veel cliënten van mijn ouders hadden de bombardementen niet overleefd. Eind 1940 werd onze woning onteigend en in beslag genomen door Duitsers. Noodgedwongen verhuisden we naar de Beukelsdijk 176.’

Lous, Mia en Flip, zomervakantie 1941.

De sterdraagplicht

‘In mei 1942 werd mijn vader als eerste van ons gezin verplicht een gele ster op zijn jas te dragen. Diezelfde week bevestigde de naaister de sterren op al onze jassen en kleding. Toen pas drong het besef tot mij door dat ik Joods was en wat dit voor ons betekende, want Joden mochten niet meer omgaan met niet-Joden. Opeens bleek dat ik één Joods vriendje had waar ik nog mee kon spelen en steppen. Al mijn beste vrienden zag ik niet meer en dat kon ik niet begrijpen. Dit was een afschuwelijke ervaring voor mij. Ik mocht niet meer naar school. Het was onmogelijk om als gezin met negen kinderen onder te duiken. Mijn oudste broer Hans werd ontslagen uit zijn functie bij de Amsterdamse Bank. In 1942 ging hij onder meer als koerier werken voor de Joodse Raad in Amsterdam en het Duitse doorgangskamp Westerbork.

Mijn broer Jacques studeerde rechten in Leiden en is ondergedoken, wij wisten niet waar. Mijn ouders hebben ons ingeprent om te zeggen dat hij naar het Oosten was weggevoerd. En mijn zus, Ina, die in het Joodse ziekenhuis in Rotterdam werkte, werd met alle patiënten en het hele personeel opgehaald en naar Westerbork gebracht.’

Mijn ondergedoken broer Jacques.

Opgeroepen voor kamp Vught

‘Mijn ouders werden door de bezetter opgeroepen om zich te melden voor kamp Vught. Mijn moeder moest haar tandartsapparatuur alvast vooruit sturen. Op zondag 21 april 1943 werden mijn ouders met de vier jongste kinderen verplicht zich te melden in Loods 24 van het toenmalige Maasstation. We gingen erheen met de tram, wat eigenlijk verboden was voor Joden. Het was een sensatie voor mij om in de tram te zitten. In mijn schoudertas droeg ik mijn toegestane setje schone kleding. Daar aangekomen moesten we lang in de rij staan. Onder SS-bewaking vertrokken we per trein naar Vught. Bij aankomst ontdekte mijn moeder dat haar tandartsapparatuur er niet was. De SS’ers schreeuwden ons allerlei bevelen in het Duits toe.

Mijn vader en ik werden direct gescheiden van mijn moeder en zussen. Het was voor mij een straf om niet bij mijn moeder te zijn. Met mijn vader had ik nooit veel contact, want als volwassene sprak hij nauwelijks met zijn jongste kinderen. Hij en ik moesten eerst met de mannelijke gevangenen douchen en kregen werkkleding en klompen. Opeens zag ik hem naakt onder de douche en sliep ik boven hem in een houten stapelbed. Ook in Vught sprak hij nauwelijks een woord met mij, dus ik was er heel eenzaam.’

Kamp Westerbork

‘Drie weken later, op 9 mei 1943, werden we per trein naar kamp Westerbork gebracht. Omdat de lucht zo helderblauw was, dacht ik dat we naar een zwembad gingen. Vergeleken bij het strenge regime in Vught was het er iets beter, maar iedere maandagavond heerste er een enorme angst. Dan werd per barak de lijst voorgelezen met degenen die de volgende ochtend op transport moesten naar de werkkampen in het Oosten. Mijn broer Hans, die als koerier bij de Joodse Raad en kamp Westerbork werkte, redde onze levens door ons buiten de deportatielijsten te houden. Ik ging er naar de vijfde klas. Er werden voetbalwedstrijden gehouden, waarbij mijn broer Hans scheidsrechter was. Je moest er voortdurend in een lange rij staan voor je eten uit de gaarkeuken. Dat is voor mij een trauma gebleven. Sindsdien wil ik nooit meer in een rij staan voor eten. Ik kreeg er geelzucht en mijn vader moest naar de ziekenbarak vanwege tbc. Het kamp is één keer gebombardeerd door de geallieerden en daarbij kreeg Hans een granaatscherf in zijn gezicht, wat hem een blijvend litteken gaf.

In Westerbork wist mijn moeder met Karel Johannes Frederiks in contact te komen. Ze had gehoord dat deze Nederlandse secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken het idee had om ‘waardevolle’ Joden, die nog van betekenis konden zijn voor Nederland, apart te huisvesten in Gelderland en dat zij gevrijwaard zouden blijven van deportatie. Mijn moeder kwam uit Middelburg en zij wist dat hij ook een Zeeuw was. Het lukte haar om hem ervan te overtuigen dat haar gezin ook op zijn zogenoemde ‘Frederikslijst’ werd geplaatst. De circa 650 Joden, onder wie Kamerleden, professoren, medici, beroemde musici en kunstenaars, op deze lijst werden geïnterneerd in Kasteel De Schaffelaar in Barneveld.’

Gevangen in Kasteel De Schaffelaar in Barneveld

‘Op 7 juni 1943 werden mijn ouders met ons kinderen naar Kasteel De Schaffelaar in Barneveld gebracht. Bijna vier maanden zaten we in een mooie omgeving, maar met erg veel mensen per kamer voelde je er evengoed opgesloten en er was veel strijd over het weinige voedsel. Toen verbrak Rauter de belofte en besloot dat onze ‘Barneveldgroep’ alsnog naar het doorgangskamp Westerbork moest. Op 29 september 1943 kwamen we daar aan. Daar kreeg ik school en ik heb er zelfs nog een rapport van bewaard. Ook kreeg ik er corvee. Ik had grote bewondering voor orthodoxe Joden die in het kamp trouw hun gebeden opzeiden. Kampcommandant Gemmeker wilde dat iedereen er nuttig bezig was. Mijn vader werkte in het kampziekenhuis. Mijn moeder bleef bij de kinderen. Door musici van het Concertgebouworkest werden concerten gegeven, waar we allemaal naar konden luisteren. Wederom zaten we elke maandagavond tijdens het voorlezen van de namen in angst of we de volgende ochtend op transport moesten. Het was ijzig stil in de barak. Na de namen met een F konden we weer opgelucht ademhalen.’

In een trein met onbekende bestemming

‘Op maandagavond 3 september 1944 werden onze namen toch voorgelezen en de hele ‘Barneveldgroep’ moest op dinsdagochtend 4 september vertrekken in een trein met onbekende bestemming. We mochten bijna niets meenemen. We zaten met ons gezin in een goederenwagon, mannen, vrouwen en kinderen bijeen. Het was er aardedonker, maar door wat kleine luiken bovenin de wagon was nog iets te zien. De verrassing was groot toen een medegevangene riep dat we niet naar het Oosten gingen, maar naar het Zuiden, naar Theresienstadt. ’s Nachts arriveerden we op het station in het kamp. Ik herinner me dat het lamplicht in een grote hal pijn deed aan mijn ogen. We sliepen hier op strooien matrassen in hetzelfde kazernegebouw op één grote zaal, mannen en vrouwen gescheiden. We hebben veel op appèl gestaan in de kou en we kregen veel te weinig te eten. We gingen vaak op rooftocht uit om nog iets eetbaars te vinden. Er werden ook hier soms concerten gegeven door musici van het Concertgebouworkest en de harpiste Rosa Spier. Sommige kunstenaars mochten er ook tekenen en schilderen.’

Uitgewisseld en gered

‘Mijn vader had ons gezin, toen de mogelijkheid er was, aangemeld op een lijst van een Amerikaans-Joodse organisatie - The American Jewish Joint Distribution Committee - om naar Zwitserland te gaan. Deze organisatie lukte het om 1.200 Joden te redden via uitwisseling. De Zwitserse bondspresident Eduard von Steiger vreesde met het oog op het naderende einde van de oorlog, dat hij berecht zou worden vanwege zijn weigering om Joodse vluchtelingen uit Frankrijk in zijn land op te nemen. Daarom stond hij nu op 5 februari 1945 wel toe dat op het Zwitserse grondgebied een uitwisseling mogelijk was waarbij 430 Nederlandse Joden - inclusief ons gezin - waren betrokken. Zo werden wij gered uit de handen van de nazi’s. In Zwitserland werd onze familie opgesplitst. Na de eerste opvang in diverse locaties kwam ik uiteindelijk in Glion, waar ik in het Nederlandse Prinses Beatrix Lyceum-Internaat werd geplaatst. Met mij zaten er zestig kinderen uit Theresienstadt. Mijn schoolgenoten waren kinderen van gepensioneerde Nederlanders, Engelandvaarders, vluchtelingen of van Joodse afkomst. Mijn ouders, broers en zussen verbleven in andere opvangcentra in Zwitserland. Eenmaal bevrijd in Zwitserland hoorden wij dat mijn broer Jacques in Nederland gelukkig nog in leven was.’

Ouders Flip Frenkel, Mont Pèlerin, Zwitserland, 5 augustus 1945.

Gerepatrieerd

‘In augustus 1945 werden we als gezin met de trein via Bazel gerepatrieerd naar Nederland. We kwamen aan in een grote hal van Philips in Eindhoven, maar dat was net een kamp zonder Duitse bewaking. De aankomst in Nederland was voor ons een grote anticlimax, want we moesten hier weer in lange rijen staan om te worden geregistreerd. Daarna konden we eindelijk naar Rotterdam, waar we in een gerepatrieerdenopvang op de Heemraadssingel verbleven. Na enige weken kregen we een huis van een NSB’er in de Graaf Florisstraat toegewezen. Het lukte mijn ouders met veel moeite om hun praktijken weer op te bouwen. Mijn moeder werd schooltandarts en mijn vader was naast zijn huisartspraktijk nog sportarts bij voetbal- en bokswedstrijden. Mijn broer Jacques had de hele oorlog ondergedoken gezeten in Den Haag. Op zijn onderduikadres leerde hij zijn toekomstige vrouw kennen. Na de oorlog ging hij als journalist bij de krant ‘De Nederlander‘ werken in Den Haag. Eindelijk was ons gezin weer compleet. Met een paar vrienden en vriendinnen uit Glion in Zwitserland onderhield ik nog een aantal jaar contact.’

Trouwdag Agnes en Flip Frenkel, 10 december 1960.

Een nieuwe start

‘Na slechts vier jaar lagere school kwam ik in de tweede klas van de hbs. Helaas kon ik de lessen niet goed volgen. In september 1946 ging ik naar het Montessori Lyceum, bleef nog een keer zitten in de 5e klas en op mijn twintigste behaalde ik mijn gymnasium-A. Daarna moest ik meteen in militaire dienst. Vreemd en wrang genoeg moest ik mijn landmachtopleiding volgen in het voormalige kamp Vught! Na mijn diensttijd ging ik rechten studeren in Leiden. Om bij te verdienen, ging ik als journalist aan de slag bij het Rotterdamsch Nieuwsblad. Dit werk nam al gauw al mijn tijd in beslag en ik gaf mijn studie op. Tijdens een studentenfeest leerde ik mijn toekomstige vrouw Agnes kennen. Ze was niet-Joods en toen zeventien jaar oud. Agnes en ik trouwden in 1960 en we kregen twee dochters. Met een collega van het Rotterdamsch Nieuwsblad heb ik alle kampen waarin ik had gezeten nog eens bezocht voor een reportage. Ik bleek me toch ook veel niet meer te herinneren, met name over Theresienstadt. In de jaren ‘60 en ‘70 werkte ik voor de NRC en de Haagse Courant, daarna als voorlichter bij de Erasmus Universiteit Rotterdam. Na mijn pensionering heb ik nog vele jaren als freelancer gewerkt.’

V.l.n.r.: Leontien, Flip, Agnes en Carolien Frenkel.

Elke dag denk ik eraan!

‘Mijn ouders spraken nooit over de oorlog. Pas op de dag dat ik een gele ster op mijn kleding moest dragen, hoorde ik voor het eerst dat ik Joods was. Door alle anti-Joodse maatregelen werd ons gezin afgesneden van de Nederlandse bevolking. Nog iedere dag besef ik dat dit noodlot weer kan toeslaan. Daarom leef ik liever onder de radar wat betreft mijn Joodse afkomst. Ook mijn ouders deden dit misschien. Ze zijn vijf dagen na elkaar overleden in 1968. Tot onze grote verbazing stond in hun testament dat zij op orthodox-joodse wijze begraven wilden worden. Hun orthodox-joodse begrafenissen met alle bijbehorende rituelen maakten op ons een diepe indruk.

Tijdens de oorlog en vooral ook daarna was - en ben ik nog steeds - teleurgesteld en heb ik wrok over het verlies van mijn normale leven. Daarnaast heb ik zoveel slechts gezien in de kampen dat mijn vertrouwen in de mensheid behoorlijk is geschaad. Verzet betekende voor velen de gevangenis, de doodstraf of een nazikamp. Zodra mensen met geweld worden bedreigd, blijven er maar weinig helden over. Ik heb gezien waar discriminatie toe kan leiden. Ik wilde het kwaad niet meegeven aan mijn gezin, dus ik sprak met hen ook nooit over de oorlog. Je hoopt elke dag weer dat jij en jouw dierbaren, nooit zo’n hel zullen meemaken. Het enige wat je ertegen kunt doen is geen onderscheid maken tussen mensen. Je bent niets meer of minder dan een ander!’

Interview: Ellen Lock, December-editie 2022, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak.