Eindeloos beitelen in de brandende zon

Felix Bakker vertelt over zijn dwangarbeid aan de Birma Spoorweg

Felix Bakker, mei 2011
Felix Bakker, mei 2011,  Foto: Ellen Lock

“Het is een wonder dat ik de Dodenspoorweg heb overleefd. Er stierven dagelijks kameraden aan uitputting of besmettelijke ziekten.” Felix Bakker (85) werd in 1943 door de Japanse bezetter in Nederlands-Indië als krijsgevangen marinier op transport gesteld naar Singapore. Vervolgens werd hij per trein naar Thailand gebracht waar hij als dwangarbeider werd ingezet bij de aanleg van de Birma Spoorweg. Er zijn naar schatting 12.600 krijgsgevangenen, waaronder 3.000 Nederlanders, en 85.500 Aziatische dwangarbeiders bij dit werk omgekomen. Ieder jaar herdenkt Felix Bakker hen bij het monument in Bronbeek.

Hollands met een Indo-Chinese achtergrond

‘Mijn vader was een Amsterdamse stuurman op de grote vaart. Hij werkte in Tandjong Priok, de haven van Batavia, toen hij mijn moeder leerde kennen. Ik ben geboren op 16 oktober 1925 en heb mijn vader niet gekend, want hij overleed toen ik drie jaar oud was. Mijn moeder kwam uit een Indo-Chinese familie en werkte als kokkin in Batavia. Vanaf mijn vierde jaar ging ik naar het Protestants-Christelijk Internaat in Soekaboemi, waar ik een Nederlandse opvoeding kreeg.

Bij de Marine

Mijn opleidingsmentor in het internaat gaf mij vaak zijn krant te lezen. Goed op de hoogte van de Japanse oorlogsdreiging meldde ik me in oktober 1941 als vrijwilliger voor het korps mariniers. Op 24 november 1941 werd ik als 16-jarige jongeman opgeroepen voor de opleiding in Soerabaja. Op 1 december startte mijn mariniersopleiding en op 7 december werd Pearl Harbor aangevallen. Op 8 december eiste de commandant van ons dat we ons voortaan als volwaardige mariniers zouden verdedigen tegen de vijand.

Felix Bakker, marinier 3e klas, Soerabaja, januari 1942. Foto: familiealbum Felix Bakker.
Felix Bakker, marinier 3e klas, Soerabaja, januari 1942, Foto: familiealbum Felix Bakker.

Slag in de Javazee

Tijdens herdenkingen denk ik altijd aan mijn omgekomen kameraden in de Slag bij de Javazee op 27 februari 1942. Ik weet nog goed dat één dag tevoren een kameraad gekleed in zijn mooie witte uitgaanskostuum mij in een café in de haven een biertje aanbood. Hij zei: “Hier Felix, hier neem maar een biertje van me, ik kan mijn salaris toch niet meer opmaken!” en hij gaf me zijn opgerolde papiergeld. Een dag later is hij verdronken tijdens de slag in de Javazee onder leiding van Schout-bij-nacht Karel Doorman.

Strijd tegen de Japanners in Oost-Java

Ik werd in een gevechtsverkenningseenheid in Oost-Java ingezet met het doel de opmars van de gelande Japanse troepen te vertragen. Dagenlang hielden we vuurgevechten met een zeer slecht uitgeruste eenheid van slechts 40 mariniers tegen een Japanse overmacht die gebruik maakte van verkenningsvliegtuigen. We trokken ons al snel terug. Uiteindelijk capituleerde het KNIL op 8 maart 1942.

Op 12 maart 1942 brachten de Japanners ons in legervoertuigen naar een groot krijgsgevangenenkamp in Malang. Hier zaten militairen van alle rangen en standen door elkaar. Velen waren getraind voor de strijd, maar hadden niet eens kunnen vechten. “Jullie hebben tenminste nog gevochten!”, zeiden ze gefrustreerd tegen onze eenheid. Al snel stelde de kampbewaking de doodstraf in voor wie het kamp zou verlaten. Vijf krijgsgevangenen werden gesnapt en geboeid het kamp binnengebracht. Zij moesten hun eigen graf graven, waarna zij vastgeknoopt werden aan palen en gefusilleerd voor het oog van het hele kamp. Er stonden 2 mitrailleurs op ons gericht zodat we de executie niet konden voorkomen. De Japanners werden steeds wreder en wij moesten de meest onzinnige opdrachten uitvoeren.

Naar Singapore

Na zes maanden Malang werden we naar Singapore overgebracht. We kwamen in een enorm groot internationaal kamp terecht dat bewaakt werd door Japanners, maar waarbinnen de Engelsen de leiding hadden. Dus even geen Japans geschreeuw aan ons hoofd. Dat was heel prettig. Na een week werden we in metalen goederenwagons gepropt met 40 man per wagon, zodat we alleen met gebogen knieën konden zitten. Vijf dagen en vijf nachten konden we niet slapen in de trein naar Thailand. Er hing een touw in de deuropening, waaraan je je kon vasthouden als je buikloop had. Vrijwel iedereen had dysenterie. De wagons waren overdag gloeiend heet en ’s nachts ijskoud. In Ban Pong werden we in vrachtwagens geladen en stonden we versuft naast elkaar. Veertig kilometer verderop kwamen we aan in Kanchanaburi en moesten met een pont de rivier de Kwai oversteken. Ik was zo moe dat ik op de overzijde in de droge rivierbedding in een diepe slaap viel. Natuurlijk werd ik, toen iedereen was overgezet, wakker geschopt door een Japanner. Engelse krijgsgevangenen hadden deze rotsen al doorkliefd en begaanbaar gemaakt. Met 650 Nederlandse krijgsgevangenen liepen we in mars naar het eerste basiskamp in Chunkai.

Werken aan de Dodenspoorweg

Om het omvangrijke Japanse leger in Birma te bevoorraden, moest de treinverbinding met dit land verbeterd worden. Daarom lieten de Japanners een nieuwe spoorweg dwars door bergachtig gebied en dichte oerwouden aanleggen door hun krijgsgevangenen. Dit werk daar was zo zwaar en de gevangenen kregen zoveel besmettelijke ziekten en slecht te eten dat er veel doden vielen. Het werd al snel de Dodenspoorweg genoemd.

De Japanners wilden de spoorweg in 14 maanden gereed hebben. Bruggen werden met spijkers en touwen in elkaar gezet. Het talud van de spoorweg bestond bijna alleen uit zand, zodat we na de moessonregens weer opnieuw konden beginnen. De spoorweg kwam in december 1943 gereed. Vanaf dat moment moesten we de rails onderhouden en de schade van de geallieerde bommenwerpers repareren.

“Met zo’n kram moesten wij grote hoeveelheden hout verslepen, op onze rug of met behulp van olifanten’, mei 2011
“Met zo’n kram moesten wij grote hoeveelheden hout verslepen, op onze rug of met behulp van olifanten’. mei 2011,  Foto: Ellen Lock

Dag en nacht

In de tropen is het om zes uur ’s avonds aardedonker maar we werden elke dag geteld en onze hoeveelheid werk werd exact bijgehouden door de bewakers. Per man moest je per dag een kubieke meter steen hakken in de rotsen. Met zijn tweeën kreeg je een pikhouweel, een schop en een rieten mandje. Als we onze taak niet hadden volbracht, moesten we tot diep in de nacht bij fakkellicht doorwerken. Drie maal per dag kregen we wat waterige rijstepap of pompoensoep. Op den duur waren onze schoenen en kleding versleten, zodat we onze huid aan de struiken en onze voeten aan de puntige rotsen openhaalden. Zo kregen we tropenzweren. Bij sommigen moest het been worden afgezet zonder verdoving door artsen in het kamp. Hun geschreeuw ging door merg en been. We moesten houten en ijzeren spoorbruggen over de rivier de Kwai bouwen. Ik heb veel hout op mijn rug moeten nemen, maar we versleepten grote hoeveelheden ook met behulp van olifanten.

Arme drommels

De Japanners jaagden ons voortdurend op om hard te blijven werken in de brandende zon. Ze schreeuwden en sloegen vaak en je begreep daardoor ook steeds meer Japanse woorden. Ze waren keihard, ook voor elkaar. Omdat we overdag door de geallieerden werden gebombardeerd, moesten we veel werk ’s nachts bij fakkellicht doen. Met een Schot moest ik samen ’s nachts over een houten noodbrug eerst proviand en daarna gewonde Japanse soldaten vervoeren over de rivier de Kwai. De brug hield het bijna niet meer en er lagen planken los. Het was al regenseizoen en de donkere rivier kolkte vervaarlijk onder ons. Het was ook al bijna ochtend en de bewaker die ons bijscheen gebaarde en gilde dat we moesten opschieten. Er lagen nog een Japanner zonder benen en een met een zware hoofdwond. We legden hen op onze drager, maar de brug begon los begon te raken onder onze voeten. De Japanner gebaarde dat we de gewonde Japanse soldaten in de rivier moesten gooien. We geloofden eerst niet dat hij dat bedoelde, maar hij commandeerde ons dat te doen. Het was zo donker dat ik gelukkig hun ogen niet kon zien. Ik hoorde de Schot achter mijn rug zeggen: “Arme drommels, ‘poor bastards’, ze doden hun eigen kameraden! Poor bastards!” De Jap draaide zich om naar mij en zei: “Het zijn goede Nippon-soldaten, die geen nut meer hebben. Ze zijn gestorven voor de Japanse keizer!” Vlak bij de kant gekomen brokkelde de brug af door de kolkende rivier onder ons. We waren zelf nog net op tijd ontsnapt aan de verdrinkingsdood.

Een wondermiddel

Wie geen kongsi vormde, overleefde het niet. Een kongsi bestond uit een aantal kameraden die letterlijk voor elkaars gezondheid zorgden. Al dagen had ik een ernstige dysenterie te pakken en dacht dat mijn laatste uur had geslagen. Mijn vier kongsigenoten moesten mij iedere nacht naar de latrine tillen want ik had geen kracht meer. En toen kwam een kameraad, Bert Barkmeijer, bij mijn ziekbed en zei: “Vanavond na het werk geef ik je een geneeskrachtige kruidenthee. Ik heb nog twee pakjes ‘Djamoe’ meegenomen van Java. Het is een goed medicijn tegen dysenterie.” Ik zei: ”Nee, ik zie Java toch nooit meer terug, ik heb het te zwaar te pakken.” Bert zette de thee voor mij en dwong het me te drinken. Ik nam het vieze bittere drankje in en die nacht sliep ik wonderlijk genoeg aan een stuk door, zonder latrinebezoek. Al snel werd ik genezen verklaard door de arts. Een paar dagen later zocht ik Bert op om hem te bedanken, maar toen lag hij op sterven. Ik zei: “Maar Bert, je hebt toch nog een pakje thee meegenomen, neem die thee dan!” Hij zei: “Heb ik al gedaan, maar bij mij helpt het niet.” De volgende ochtend zag ik hem liggen met vliegen op zijn mond. Dan wist je al dat hij het eind van de dag niet meer zou halen. Ik heb hem daarna niet meer gezien.

Felix Bakker in zijn tuin te Zwiggelte, mei 2011
Felix Bakker, mei 2011,  Foto: Ellen Lock.

De bevrijding in Zuid-Thailand

De laatste maanden van de oorlog zat ik gevangen in kamp Prachap Kirikan in Zuid-Thailand. We moesten ’s nachts Japanse schepen lossen in verband met de geallieerde bombardementen overdag. Zakken van 50 kilo sjouwden we ’s nachts vanuit de schepen het strand op naar de gecamoufleerde opslagplaatsen die we eerst hadden moeten aanleggen. Op 17 augustus 1945 riepen een paar jongens uit het dorp vanaf een muurtje dat we bevrijd waren. We konden het nauwelijks geloven. Die avond bevestigde onze Japanse sergeant dit nieuws. We wilden het gaan vieren in het dorp, maar we droegen slechts een lendendoek. Uit de opslagplaats haalden we Japanse legerkleding en konden toch fatsoenlijk het dorp in. We vierden de bevrijding met de dorpelingen. Op 20 augustus 1945 kwamen zes Engelse parachutisten met rode baretten ons officieel vertellen dat de oorlog voorbij was. In een café ontmoetten we een Nederlandse marineofficier die ons meer kon vertellen: De Amerikanen hebben twee superbommen gegooid op Japan. Dankzij deze atoombommen was de oorlog beëindigd. Voor ons mariniers was er nog geen einde aan de oorlog. Wij zagen alle Geallieerde krijgsgevangenen vertrekken, maar wij mochten nog niet weg, want de Engelsen wilden niet dat Nederlandse krijgsgevangenen naar Java zouden terugkeren. Eerst kregen we een jungletraining in Cholburi in de provincie Chonbury in Thailand en maanden later werden we ingezet tegen de vrijheidsstrijders rond Soerabaja. Het was dus lange tijd onmogelijk om mijn moeder op Java terug te zien.

Lotgenotencontact

Met mijn eerste vrouw en onze twee zonen sprak ik nooit over de oorlog. Maar met mijn tweede vrouw heb ik een herinneringsreis naar Thailand gemaakt. Zij stimuleerde me om met het project gastsprekers van Herinneringscentrum Kamp Westerbork mee te doen. Als ik een aantal dagen achtereenvolgens heb gesproken over de oorlog, dan droom ik soms dat ik nog aan het werk ben aan de spoorweg. Eindeloos aan het beitelen op gloeiend hete rotsen in de brandende zon. Zonder kleding en schoeisel op die puntige rotsen. In 1967 was onze eerste reünie in het Kurhaus in Scheveningen met Wim Kan, ook een overlevende van de Dodenspoorweg. Er waren maar 1.500 plaatsen, maar de belangstelling was veel groter. Ik denk dat we nu nog maar met zo’n 40 veteranen over zijn bij de jaarlijkse herdenking bij het monument in Bronbeek. Hier staan alle namen op van de omgekomen Nederlanders aan de Birma Spoorweg. Bij de onthulling van de gedenkmuur in 2005 mocht ik 6o namen voorlezen, ook die van mijn kameraad Bert Barkmeijer. Dankzij hem heb ik het overleefd.’

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak, Juni 2011