Ik voel mij als overlevende een bevoorrecht mens

Ooggetuige kamp Westerbork Eva Weyl geeft lezingen op scholen.

Eva Weyl, 2020
Foto: Ellen Lock.

Onlangs, op 26 januari 2020, hield Eva Weyl een toespraak bij de Auschwitz-Herdenking in het Wertheimpark in Amsterdam. “Ik sta niet op de lijst die voorgelezen wordt in Westerbork met de 102.000 namen van de vermoorde Joden, Sinti en Roma. Ik sta hier en ik kan er nog van getuigen.” Zij blijft haar oorlogsverhaal vertellen op scholen om leerlingen te waarschuwen voor intolerantie en discriminatie.

Eva Weyl kwam in januari 1942 als Duits-Joods zesjarig meisje met haar ouders in het doorgangskamp Westerbork. Zij en haar ouders hebben de oorlog overleefd. Als gastspreker bij het Herinneringscentrum Kamp Westerbork geeft zij jaarlijks voorlichting op Nederlandse en Duitse scholen. Hier volgt Eva’s verhaal.

Ons familiebedrijf, het eerste grote warenhuis in Kleef.
Mijn moeder en ik, 1936. Foto: Familiealbum Eva Weyl.

Duits-Joodse familie

'In 1934 hebben mijn ouders Hans Adalbert Weyl (1907) en Margot Weyl-Wolff (1907) Duitsland vanuit Kleef verlaten omdat Hitler aan de macht was gekomen en de Joden het reeds zwaar te verduren hadden. Vaders familie bezat het eerste grote warenhuis in Kleef, waar hij het vak had geleerd. Hij was Joods opgevoed. Mijn moeders familie was daarin het tegenovergestelde: zij waren wat je noemt ‘geassimileerd’ en moeder kreeg een opvoeding waarin het Joodse geloof geen rol speelde. Op 7 juni 1935 ben ik geboren in Arnhem en werd areligieus opgevoed. Mijn ouders spraken aanvankelijk nog Duits, maar leerden al snel Nederlands vanwege hun eigen stoffenzaak in Arnhem.
Als enig kind werd ik verwend en altijd beschermd. Mijn ouders dachten net als vele Joden veilig te zijn in Nederland, omdat dit land in de Eerste Wereldoorlog neutraal was geweest. Daarnaast waren mijn beide grootvaders met het IJzeren Kruis onderscheiden vanwege hun dapperheid voor Duitsland in de Eerste Wereldoorlog. Zij dachten dat hen als ereburgers niets kon overkomen. Mijn vaders zus geloofde daar niets van en emigreerde in 1938 naar Amerika. Ik merkte voor het eerst iets van het dreigende gevaar toen mijn beide grootvaders na de Kristallnacht in 1938 bij ons kwamen wonen en er over de ‘moffen’ werd gesproken. Ik was dol op mijn grootvader Wolff. Al in 1928 was zijn vrouw aan een ziekte gestorven. Mijn grootmoeder Sophie Weyl overleed in een ziekenhuis in Duitsland, omdat zij als Joodse niet tijdig werd geholpen.’

Schoolfoto in Arnhem, zesenhalf jaar, kort voor de oproep voor kamp Westerbork. Foto: Familiealbum Eva Weyl.

Oproep voor Arbeitseinsatz in Westerbork

‘In januari 1942 kregen wij een oproep van de Joodse Raad om ons te melden voor de Arbeidsdienst in kamp Westerbork. Een jaar later kregen mijn grootvaders ook die oproep. Mijn vader kreeg een aanbod vanuit het verzet om onder te duiken, maar dat betekende dat je als gezin werd opgesplitst en mijn ouders wilden graag bij elkaar blijven. Daarom gaven zij gehoor aan de oproep. Je mocht maar één koffer per persoon meenemen en ik nam mijn pop mee. Vlak voor ons vertrek heeft mijn moeder de knopen van mijn wollen winterjas vervangen door stoffen knopen. In die knopen verstopte zij ruwe diamanten - een belegging destijds - en maakte lussen om mijn jas dicht te doen. Ik wist hier tot lang na de oorlog niets vanaf. Gelukkig zijn de diamanten niet ontdekt, want er werd bij aankomst wel gefouilleerd op geld en kostbaarheden.’

Eva Weyl, foto met pop uit 1941. Foto: Familiealbum Eva Weyl.

Aankomst

‘De spoorlijn liep nog niet door tot in het kamp. Toen wij aankwamen in Hooghalen was het nog zes kilometer lopen. Het vroor er flink in januari 1942. In dit kamp liep iedereen in zijn eigen kleding rond. Er woonden al zo’n 1.500 gevluchte Duitse Joden in het voormalige vluchtelingenopvangkamp Westerbork toen wij er kwamen. Na de Kristallnacht van 9 op 10 november 1938 wilden veel Joden zo snel mogelijk weg uit nazi-Duitsland. Om de grote vluchtelingenstroom op te vangen, richtte de Nederlandse overheid in 1939 het Centraal Vluchtelingenkamp Westerbork op. Toen was het voor de Joden duidelijk dit gevaar serieus te nemen en te vluchten. Wij behoorden tot de eerste groep van in Nederland verblijvende Duitse Joden die werd opgeroepen om naar Westerbork te gaan. Met mijn moeder sliep ik in de vrouwenbarak en mijn vader moest naar een mannenbarak. Voor het eerst van mijn leven werd ik gescheiden van mijn vader, dat was voor mij een grote schok.’

Mijn vader en ik in het kamp, 1943. Foto: Familiealbum Eva Weyl.

Het werkkamp

‘Mijn moeder kon bijna niet geloven dat ze, hoewel ze behoorde tot een geassimileerde familie, nu toch in een kamp zat opgesloten. De eerste tien maanden werkte mijn vader onder Duitse bewaking als landarbeider op boerderijen in Drenthe. Mijn moeder moest in de wasserij werken. Ik was net zes jaar geworden en ging zes dagen per week naar de lagere school, waar ik les kreeg van Joodse onderwijzers. Er verdwenen steeds kinderen uit mijn klas, maar er kwamen ook steeds nieuwe bij. Ik verbaasde mij daar niet over, want wij waren er zelf ook met de trein aangekomen. Ik zou op een dag ook wel weer eens ergens anders naartoe gaan. Je moest wel op appel staan om geteld te worden en we aten meestal aardappelstamppot uit de gaarkeuken. Mijn moeder probeerde me voor alles te beschermen. ‘s Nachts, als er paniek bij de vrouwen uitbrak omdat ze op de deportatielijst stonden, zei mijn moeder dat ik niet op de ruziënde vrouwen moest letten en moest doorslapen. Omdat mijn moeder altijd bij me was, voelde ik me veilig.’

Schoolfoto in Westerbork, 8 juni 1942, Eva Weyl zit bij de onderwijzer op schoot (rechts). Foto: Familiealbum Eva Weyl.

Een schijnwereld

‘Kampcommandant Albert Gemmeker was verantwoordelijk voor het op transport stellen van Joden, Roma en Sinti. Hij maakte van het doorgangskamp een door kapo’s streng bewaakt dorp. Gemmeker wilde zich vooral nuttig maken voor de Duitse overheid en alle duizenden kampbewoners aan het werk houden. Daarom liet hij allerlei fabrieken bouwen. Er kwamen vele ambachtelijke werkplaatsen zoals een naaiatelier, een schoenmakerij, een smederij, een vliegtuigdemontagehal, zodat iedereen een taak had. Alles was er in zijn schijnwereld. Er was een lagere school, een speelplaats en er werden zelfs sjoeldiensten op sabbat toegestaan. Er kwamen burgemeesters op bezoek om gevangenen te trouwen. Gezinnen bleven bij elkaar. Mishandelingen en moord kwamen er nauwelijks voor. Vanaf 1942 tot aan de bevrijding liet hij iedereen werken. Er was afleiding in de vorm van een groot orkest, lezingen en voorstellingen van Duitse en Nederlandse cabaretiers totdat de laatste trein reed in september 1944. Juist doordat Gemmeker zo’n schijnwereld ophield en zo goed voor de gezondheid zorgde en voor werk, kon hij zoveel gevangenen zonder veel protest op transport stellen. Niemand kon zich voorstellen dat het volgende werkkamp een vernietigingskamp zou zijn. Zelfs in de Hongerwinter was er nog te eten. Er was een kampziekenhuis waar de beste Joodse artsen en verpleegsters werkten. Er werden bevallingen gedaan en operaties uitgevoerd. Kampcommandant Gemmeker liet eens voor een te vroeg geboren baby een couveuse uit het ziekenhuis in Assen komen, om daarna het geredde kind met haar ouders op de trein naar een vernietigingskamp te zetten. Zover ging hij om de schone schijn op te houden.’

Alles veranderde voor ons

‘Het lukte mijn vader om binnen tien maanden bij de administratie te komen. Het voordeel van de vele banen bij de administratie was dat je een Sperre had, een bewijs dat je voorlopig niet op transport hoefde. Dat was goud waard. Zijn afdeling bestond uit vier kampadministrateurs. Zodra mijn vader deze baan had gekregen, veranderde alles voor ons. We kregen een eigen kleine barak met nummer 15, die we deelden met het echtpaar Dresden. Zij hadden hun twee dochtertjes laten onderduiken. In dit kleine huisje hadden we een eigen keuken en eigen bedden. Dit was een enorme verbetering. Bepaalde mensen mochten het kamp verlaten voor hun werk. Zo moest mijn vader bewijzen verzamelen voor medegevangenen, die om uitstel van deportatie verzochten omdat zij al voor de oorlog naar Palestina wilden gaan of daar familie hadden. Alleen dan kwam je in aanmerking voor een zogenoemd Palestina-certificaat, waarmee je met een Duitse krijgsgevangene in het door de Engelsen bezette Palestina geruild zou worden. Als vader niet op tijd terug was met de juiste bewijzen, dan zouden wij op het eerstvolgende transport worden gezet. Als hij wel tijdig hun nut voor de bezetter kon aantonen, werd een gezin van de deportatielijst afgehaald. Met behulp van een pastoor uit het verzet in Amsterdam lukte het om sommige kampgenoten van geantidateerde doopcertificaten of christelijke huwelijkscertificaten te voorzien. De papieren werden door de kampbewaking goed gecontroleerd, dus alle stempels moesten kloppen. Zodra mijn ouders terugkwamen van hun werk, deden ze altijd spelletjes met mij en het echtpaar Dresden.’

Driemaal bijna weggevoerd

‘Mijn vader heeft mijn beide grootvaders niet kunnen redden van deportatie naar Theresienstadt. Ook onze namen stonden op een dag op de lijst om te worden weggevoerd. De eerste keer heeft een bevriende administrateur stiekem onze namen van de lijst gehaald. De tweede keer zaten we ‘s morgens vroeg gereed met onze koffer voor onze barak om te gaan, maar toen beschoten geallieerde vliegtuigen het kamp. Waarschijnlijk zagen ze de hoge kampschoorsteen aan voor een Duitse fabriek. Er ontstond grote paniek en iedereen rende de barakken in om te schuilen. In die chaos raakten ook de lijsten zoek. Het was ons geluk dat dit transport niet doorging. De derde maal kon mijn vader in de zomer van 1944 zijn werk niet langer verdragen en wilde ons dan maar uit eigen beweging op de trein zetten. Sem Dresden overtuigde hem om dit niet te doen. Hij zei: “Hier weet je hoe het is en daar weet je niet wat je te wachten staat! Hoe verschrikkelijk het werk ook is, jij mág niet gaan!” Soms ontving ik nog positieve reacties van families voor wie hij het Palestina-certificaat rond kreeg, die vonden hem een held. Anderzijds wilde een dame op een verjaardag van een Amerikaanse tante niet naast mij zitten, want zij vond dat mijn vader haar hele familie op de trein had gezet.’

Bevrijd door de Canadese troepen

‘Twee dagen voor de bevrijding was kampcommandant Gemmeker met zijn team gevlucht. Je mocht het kamp niet verlaten, want rondom werd nog hevig gevochten tussen tussen de Geallieerden en het Duitse leger. Wij kinderen ontdekten een wol-depot en gingen breien om de tijd door te komen. Op 12 april 1945 hoorden wij in de verte gevechten en ‘s middags kwamen de Canadezen met hun tanks aanrijden. We lieten ons breiwerk vallen en renden onze bevrijders buiten de kamppoort tegemoet, al roepend: “De Tommies komen!” De Canadezen deelden chocoladerepen en wittebrood uit en de volwassenen kregen vooral pakjes sigaretten. Iedereen was ongelofelijk blij, maar daarna moesten alle bewoners terug naar het kamp en daar tot nader order blijven. De omgeving van het kamp was nog te gevaarlijk. De Canadezen trokken diezelfde dag verder richting Assen. Pas een maand later kwamen de kinderen van de familie Dresden bij hun ouders wonen in het kamp. Die gezinshereniging was natuurlijk een groot feest.’

Voor onze barak 15 in het kamp: Links mevrouw Dresden, de zusjes Dresden, Eva Weyl (rechts) Foto: Familiealbum Eva Weyl.

Na de oorlog

‘Omdat wij zo lang in het kamp moesten blijven, heb ik gezien dat NSB’ers na de bevrijding in het kamp werden opgesloten en werden geschopt door de nieuwe Nederlandse bewakers en de voormalige gevangenen. Dat was akelig om te zien. In juli 1945 konden wij het kamp verlaten. Mijn beide grootvaders zijn bevrijd uit Theresienstadt. Grootvader Weyl is naar zijn dochter in Amerika vertrokken, waar hij in 1948 stierf aan de gevolgen van de oorlog. Mijn moeder had in het kamp een vriend gekregen. Direct na de oorlog in 1945 scheidde mijn vader van haar in Assen. Ik woonde bij mijn moeder in Amsterdam en mijn vader was vaak weg. Als tiener begreep ik dit niet en ik haatte mijn moeder en haar vriend, die gelukkig opeens weer verdween. Mijn vader bleef van mijn moeder houden en is met haar hertrouwd in 1948. Zij heropenden onze winkel in Arnhem. Tijdens mijn opleiding aan de hogere hotelschool ontmoette ik mijn latere Zwitserse echtgenoot met wie ik twee kinderen kreeg en vijf kleinkinderen.’

Een bevoorrecht mens

‘Dankzij de bescherming door mijn ouders heb ik als kind niet geleden. Ik ben altijd positief en voel mij als overlevende een bevoorrecht mens. Al twaalf jaar geef ik gastlessen op Duitse en Nederlandse scholen vanuit het Herinneringscentrum Kamp Westerbork. In 2018 kreeg ik namens de Duitse Bondspresident in de Duitse ambassade te Den Haag het Bundesverdienstkreuz vanwege mijn inzet bij de voorlichting op Duitse scholen als ooggetuige van de Jodenvervolging. Ik ben trots op deze onderscheiding. De nazi’s hebben onze familie alles ontnomen en velen vermoord, onze naam bij wijze van spreken ook. Door het Verdienstkreuz is de naam Weyl weer aanwezig en voelt het als een soort eerherstel. De leerlingen vragen het meest naar mijn verhaal over mijn jasje. Jaren na de oorlog heeft mijn moeder mijn vader herinnerd aan de ruwe diamanten in de knopen. Mijn vader heeft er voor haar een mooie diamanten ring van laten maken. Toen ik zestig jaar werd, kreeg ik mijn moeders ring en toen pas heeft ze mij dit verhaal achter haar ring verteld. Zo draag ik met deze ring altijd de overlevingsgeschiedenis met me mee. Na mijn dood wordt de ring tentoongesteld in het Herinneringscentrum Kamp Westerbork, met een filmopname van mijn verhaal erbij. Ik wil met mijn verhaal jongeren alert maken op intolerantie, zodat zij zullen strijden tegen discriminatie. Dat is mijn ultieme wens.’

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak Maart 2020