SVB-voorzitter Erry Stoové over zijn betrokkenheid bij verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen

Erry Stoové, juni 2009
Erry Stoové, juni 2009, Foto: Ellen Lock.

Vanaf 1 januari 2011 zal de Sociale Verzekeringsbank in Leiden de materiële zorg voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen overnemen van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Hoe kijkt de voorzitter van de Raad van Bestuur van de SVB, Erry Stoové, aan tegen deze nieuwe taak, wat is zijn persoonlijke achtergrond en hoe zal de relatie van onze cliënten met de SVB in de toekomst worden ingevuld?

U kent de oorlogsproblematiek van onze doelgroep van nabij, vanuit uw eigen familiegeschiedenis. Kunt u hierover iets vertellen?

“Mijn vader was werktuigbouwkundige en werkte voor een elektriciteitsmaatschappij in Soerabaja. Mijn ouders zijn in 1938 getrouwd. In 1939 kregen zij een zoon, mijn oudere broer. Toen de oorlog in Nederlands- Indië uitbrak werd mijn vader door de Japanners gevangengenomen en tewerkgesteld aan de Birma-spoorweg.
Mijn broer en mijn moeder waren zogenoemde buitenkampers, zij hoefden niet in een Japans interneringskamp, omdat zij als Indisch werden beschouwd. Ik ben van 1947 en ken de Japanse interneringskampen alleen uit de verhalen. Mijn vader sprak nooit veel over de oorlog.
Eén keer heeft mijn vader iets van de sluier opgelicht. Als kind wist ik niet beter of mijn vader had één blind witblauw oog en één goedwerkend donkerbruin oog. Op een dag vond ik een fotoalbum uit Nederlands- Indië, waarin hij op oude foto’s twee donkergekleurde ogen had. ‘Hoe was dit nu mogelijk?’, vroeg ik hem. Daarop vertelde hij mij voor het eerst dat hij aan de Birmaspoorweg had moeten werken. Zijn ogen waren zo ernstig ontstoken door het bamboestof dat hij bijna helemaal blind was geraakt. Een arts had gezegd: ‘Ik heb nog maar een klein beetje ontstekingsremmend medicijn. Het is eigenlijk maar genoeg voor één oog. Welk oog wil je sparen?’ Het moet een zware keuze voor mijn vader zijn geweest. Zijn witblauwe blinde oog herinnerde hem dagelijks aan de Birmaspoorweg.

Pas toen mijn vader op zijn sterfbed morfine kreeg, kwam opeens de oorlog in alle hevigheid naar boven. Hij werd heel angstig en meende daadwerkelijk midden in een beschieting te zitten. Ik probeerde hem eerst nog gerust te stellen: ‘Nee pap, we zijn nu in een ziekenhuis…’ Maar toen ik zag dat dit geen enkele zin had, probeerde ik hem juist bij te staan en met hem mee te gaan in die herinnering. Ik was toen 17 jaar en dit was de eerste keer dat de oorlog mij aanraakte. Vanaf dat moment ging ik me voor de oorlog en de Bersiap-periode interesseren en wilde er meer over weten.”

Herinnert u zich als kind de overtocht naar Nederland?

“Uiteindelijk werd het toch ook voor ons Belanda’s te gevaarlijk in Indonesië en zijn mijn moeder, mijn zusje en ik op oudejaarsdag 1957 geëvacueerd en op de boot naar Singapore gezet. Ik herinner me het afscheid van onze vijf bedienden nog. Zij stonden treurig in hun netste kleding op een rij voor ons huis om afscheid van ons te nemen en daar werden wij stil van. De avond tevoren werd mijn hond hartverscheurend jankend in een open truck weggebracht.
Mijn moeder sprak verdrietig: ‘Hij weet dat we elkaar nooit meer zullen zien!’ Meer had mijn moeder mij ook niet verteld over ons vertrek, ze wilde mij waarschijnlijk niet ongerust maken. Het vertrek kwam dus totaal onverwachts voor mij. Ik vond het erg om mijn vader achter te laten, die zou later komen. Mijn oudere broer was al in Nederland voor zijn opleiding. Met een groot Engels cruiseschip vertrokken wij vanuit Singapore en deden heel wat havens aan voordat we uiteindelijk in Nederland arriveerden. Als Indische jongen zit je altijd tussen twee vuren: In Indonesië werd ik in de maanden voor ons vertrek bespuugd omdat ik te blank was en in Nederland werd ik weer uitgescholden omdat ik te bruin was.

Nog altijd voel ik die innerlijke verdeeldheid net als veel oorlogsgetroffenen uit het voormalige Nederlands- Indië: ‘Waar hoor ik nu thuis? Hella Haasse beschrijft dit zo treffend in haar roman Sleuteloog: ‘Wat ik in mijn geboorteland zintuiglijk en emotioneel beleefd heb, ligt verankerd op de bodem van mijn bewustzijn, het bepaalt mij, maar ik kan er niet meer bij. Dat ik nergens ooit helemaal thuishoor heb ik aanvaard als mijn natuurlijke staat van zijn. Dat geeft me vrijheid, en het vermogen me aan te passen, of juist op afstand te blijven, al naar het uitkomt.’ Het biedt me dus ook voordelen, ik beschouw alles wat meer van nature en bekijk ieder probleem van zoveel mogelijk kanten.”

Op welke wijze bent u al bekend met de doelgroep van de Pensioen en Uitkeringsraad?

“In 1995 werd ik voor het bestuur van de Stichting Pelita gevraagd. Ik had het destijds al flink druk met mijn werk als directeur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en een aantal besturen. Mijn vrouw vond dat ik eigenlijk wat meer taken moest afstoten, maar mijn 14-jarige dochter zei toen: ‘Dit moet jij doen voor jouw ouders!’ Haar woorden gaven de doorslag. Ik vind het een hele eer om me in te mogen zetten voor deze doelgroep. Eerst voor Pelita, nu als bestuurslid van de Stichting Indisch Herinneringscentrum Bronbeek (IHCB) en over twee jaar als eindverantwoordelijke voor de huidige cliënten van de Pensioen- en Uitkeringsraad.
Bij Pelita en het IHCB heb ik vaak oorlogsgetroffenen gesproken en dan besef je dat de spanningen die deze mensen moesten doorstaan zo verschrikkelijk zijn geweest dat het ze nooit meer loslaat. We zullen er alles aan doen om de verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen een zo goed mogelijke dienstverlening te bieden.”

Gaat u altijd naar de herdenking bij het Indisch Monument?

“Onze familie gaat op 15 augustus altijd naar het Indisch Monument. Het is een belangrijke herdenking voor de Indische groep. Voor hen hield de oorlog niet op na 15 augustus, de bevrijding in Nederlands-Indië verliep heel anders. In Nederlands-Indië brak toen juist een zeer onrustige en gewelddadige tijd aan, de zogenoemde Bersiap-periode, 1945-1949, waarin er nog veel geweld was van de kant van de Indonesische vrijheidsstrijders. Ik zorg er zoveel mogelijk voor bij de Indische herdenking aanwezig te zijn. Na iedere begrafenis in onze familie leggen we de grafbloemen bij het Indisch Monument.”

Wat zal de cliënt van de overgang van de PUR naar de SVB merken?

“Omdat het cliëntenbestand van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) steeds verder afneemt, wordt de organisatie ook steeds kleiner. Om op termijn de kwaliteit van de dienstverlening te waarborgen is de PUR op zoek gegaan naar een grote organisatie om mee samen te kunnen werken. De keuze voor de SVB lag het meest voor de hand, omdat het grootste deel van de doelgroep via de AOW al bekend is met de dienstverlening van de SVB. De SVB heeft veel ervaring in het omgaan met ouderen en bovendien gaan de medewerkers van de PUR mee naar de speciale afdeling voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen die vanaf 2011 in het SVB-kantoor in Leiden komt. De cliënt zal vrijwel niets merken van de overgang van het cliëntbeheer naar de SVB. Dat heb ik staatssecretaris Jet Bussemaker beloofd.”

Onze cliënten staan nu centraal in de dienstverlening van de PUR en willen er niet op achteruit gaan bij de SVB . Hoe garandeert u de privacy van onze cliënten?

“Ik begrijp de onrust hierover, maar deze speciale afdeling met medewerkers van de PUR binnen het SVB-kantoor in Leiden biedt dezelfde privacy-garanties voor de cliëntgegevens. Ook wij hebben professionals in dienst om de privégegevens van onze cliënten te beschermen. Uiteraard blijven ook de medische gegevens van de cliënten bij ons geheim. Wat dat betreft garanderen wij exact dezelfde kwaliteit van dienstverlening als de Pensioen- en Uitkeringsraad. Het zal een herkenbare eenheid zijn binnen ons bedrijf. Voor mij persoonlijk is het een hele eer dat wij deze werkzaamheden mogen overnemen. Wij zullen het beleid van de PUR zo goed mogelijk voorzetten. Ook zullen wij de kwaliteit van de dienstverlening garanderen tot aan de laatste verzetsdeelnemer of oorlogsgetroffene. De cliënt zal ook in de toekomst door vakmensen worden geholpen en het geld op tijd op zijn rekening ontvangen. De cliënt mag dus eigenlijk niets merken van deze overgang van de PUR naar de SVB, beloofd is beloofd!

Interview: Ellen Lock, PUR-cliëntenblad Aanspraak, Juni 2009