Een kus met een boodschap

Regisseur, acteur en schrijver Eric Schneider over zijn Indische herinneringen

Eric Schneider, 2014
Eric Schneider, 2014, Foto: Ellen Lock.

Nog niet eerder is er in Nederland een toneelstuk over de Bersiap-periode in Nederlands-Indië opgevoerd. De schrijver van het indrukwekkende toneelstuk ‘Moesson’ is de Nederlandse acteur Eric Schneider. Zijn boek ‘Een tropische herinnering’ - met autobiografische elementen - vertaalde hij naar de toneelversie Moesson. Op dit moment vertolken de bekende acteurs Bram van de Vlugt, Kitty Courbois en Tom Hoffman dit stuk in onze theaters. Een interview met de schrijver en regisseur Eric Schneider over zijn oorlogservaringen in Nederlands-Indië.

Liefde voor het acteren

In 1931 vertrokken mijn ouders als jong stel naar Nederlands-Indië, waar mijn vader als leraar Duits aan de slag kon. In 1932 schreef hij voor de Indische leerlingen het beroemde lesboek Deutscher Wortschatz. Op 30 augustus 1934 ben ik in Batavia geboren. Mijn moeder schreef cabaret en kindertoneelstukken en vormde een cabaretduo met haar vriendin. Mijn twee jaar oudere broer Carel Jan werd later diplomaat en was bekend als de schrijver F. Springer. Mijn vijf jaar jongere broer Hans leeft nog en was directeur van het Museum van Oudheden in Leiden. Als kind deed ik niets liever dan tekenen en toneelspelen in de toneelstukjes die mijn moeder schreef en regisseerde. Zo zat haar liefde voor het acteren er ook al vroeg in bij mij.

Hoe de oorlog begon

Vlak voor de oorlog woonden wij in Bandoeng, waar mijn vader op dat moment lesgaf. We waren niet goed voorbereid op een oorlog. Onze schuilkelders liepen vaak onder water, zodat wij daarin gingen zwemmen. We kregen een naar pepermunt smakend gummetje om op te bijten bij bombardementen en we moesten een pan op ons hoofd doen zodra de Japanse bommenwerpers overvlogen. Mijn vader werd vlak voor de oorlog bij de Landstorm ingedeeld. Na de capitulatie van het KNIL werden alle Nederlandse mannen geïnterneerd. De scholen hielden op te bestaan, want alle leraren zaten gevangen, zo ook mijn vader. Die kleine Japanse soldaten reden op de fiets Bandoeng binnen. Ze dwongen mijn moeder al haar juwelen af te staan en zelfs haar trouwring werd naderhand op de zwarte markt verkocht.

Een kus met een boodschap

We mochten om de beurt bij mijn moeder achterop de fiets naar het mannenkamp Tjimahi bij Bandoeng om mijn vader te bezoeken. Mijn moeder schreef hem boodschappen op taftpapier die ze opvouwde tot een piepklein propje en gaf mijn vader dan een kus waarmee ze het geheime briefje met haar mond aan hem overdroeg. Ik vond dit ontzettend slim van haar. Zelf zag ik mijn vader slechts één keer in dat kamp. Hij is met zijn collega’s aan de Birma Spoorweg tewerkgesteld en heeft het als een van de weinigen overleefd. Hij was vrij gelovig en misschien heeft dat hem door die kampen gesleept? Hij vertelde me na de oorlog dat hij een visioen heeft gezien en een stem had gehoord: ‘Je zult je verdere leven moeten wijden aan de wetenschap!’ Hij is inderdaad hoogleraar geworden. Mijn vader was een slapie van Wim Kan. Wim Kan en mijn oudste broer waren op dezelfde dag jarig en dat vierden ze aan de Birma Spoorweg met een glaasje water. ‘Wim Kan was daar een bange zielige vogel’, zei mijn vader, ‘Al organiseerde hij eens in de drie weken een bonte avond voor zijn medegevangenen, die hem als dank wat eten schonken. Op die manier overleefde hij het.’

Gewond het kamp in

Voordat we het kamp ingingen had mijn moeder mij twee jaar jonger opgegeven. Zodoende is mij later het mannenkamp bespaard gebleven en kon ik bij mijn moeder in het vrouwenkamp Tjihapit in Bandoeng blijven. Jongens van 10 jaar en ouder moesten naar het mannenkamp. Carel Jan plaagde mij altijd. Hij stoeide met mij zodat ik over onze hond struikelde, waarop hij zei: ‘Mam, Erics arm staat ineens zo raar.’ Mijn ellepijp was gebroken en ik kreeg een gipsverband in het ziekenhuis. De volgende dag was mijn hand helemaal opgezwollen, waarop mijn moeder het gips in knipte. Met een half stuk gips ging ik gewond het kamp in met mijn moeder en broers. We mochten alleen het hoognodige meenemen. Ik droeg een koffertje, mijn blauwe beer en een zogenoemde ‘boengkoes’ mee, een bundeltje dat niet meer in je koffer past.

Kamp Tjihapit

In kamp Tjihapit, een stadswijk die werd afgesloten met bamboe afrastering en prikkeldraad, zaten we opeens met andere vrouwen en kinderen in een vreemd huis bovenop elkaar. Ik sliep onder moeders bed op de grond. We gaven onze Japanse bewakers in het kamp al snel bijnamen omdat we hun namen niet konden uit spreken. Ik herinner me nog Babyface, Hockeystick en Motorpiet. Omdat we hen niet konden verstaan, waren er veel misverstanden. Als kind had je weinig te vrezen van de Japanners, maar je wist dat als jij je niet aan hun regels hield, ze je moeder zouden kunnen slaan. Ze gaven je soms grijnzend een aai over je bol, omdat ze hun eigen kinderen misten. De eerste weken gooiden onze Indische bedienden nog op een afgesproken plek eten voor ons over het gedek heen. Op een avond hoorden wij een schot en daarna kwam er geen eten meer. We waren bang dat er iets met hen gebeurd zou zijn. Van mijn moeder mochten we nooit huilen. Toen Carel Jan werd weggereden naar het mannenkamp lag ik hysterisch rollend over de grond te huilen. Mijn moeder pakte me op en zei: ‘Aansteller sta op!’ Mijn broer is snel volwassen geworden in het mannenkamp. Paters jezuïeten gaven de jongens in dat kamp toch stiekem les in Latijn en Grieks, hoewel onderwijs er eigenlijk verboden was. Achteraf was mijn broer hen ontzettend dankbaar hiervoor en hij heeft met een van die broeders later nog geregeld contact gehad in een klooster in Limburg.

Moeder Schneider met haar drie zoons v.l.n.r Carel Jan, Hans, Eric, 1941. Foto: familiealbum Eric Schneider.
Moeder Schneider met haar drie zoons v.l.n.r Carel Jan, Hans, Eric, 1941, Foto: familiealbum Eric Schneider.

Wij speelden nooit oorlogje

In ons kamp Tjihapit was geen onderwijs. Ik tekende veel en stal papier en potloden. Ik had een etui waarin ik alle stompjes potlood keurig bewaarde. Wij speelden nooit oorlogje in het kamp, we hinkelden en bikkelden liever. Mijn moeder trad veel op als cabaretière. Wim Kan’s vrouw, de cabaretière Corry Vonk, werkte in de ziekenboeg van het kamp en waste de lakens van dysenterie patiënten. Zij was geweldig sociaal en trad ook op in het kamp zolang het mocht van de Jap. Op een dag werd het kamp opgeheven en moesten mijn moeder, Hans en ik naar het Adek kamp in Batavia. Op dat moment had ik een ernstig zwerende voet. Als een van de laatsten werd ik op een vrachtwagen getild. Na mij viel een oude dame over de vrachtwagenklep precies bovenop mijn voet. Die pijnscheut ging me door merg en been. Na een dag rijden kwamen we in kamp Adek. In de ziekenboeg daar zei de verpleegster: ‘Je hebt geluk gehad, want de hele rotzooi is eruit gedrukt!’

Hoop

In het overbevolkte Adek kamp sliepen we op britsen vanwege de vele muizen. Iedereen had maar 45 cm breedte voor zichzelf. Minimaal tweemaal per dag stonden we ondragelijk lang op appel in de brandende zon om met honderden vrouwen en kinderen te worden geteld. Maar de Japanse bewakers konden helemaal niet tellen en begonnen telkens opnieuw. Een half Japanse-half Nederlandse vrouw pleitte tevergeefs voor ons bij de Japanse kampcommandant dat we liever zelf wilden tellen omdat er zoveel kinderen flauwvielen. Van de honger verloren we onze weerstand en werden we vatbaarder voor dysenterie en beriberi. Mijn moeder hield ons op de been door haar positieve instelling. Hoopgevend was dat een Indische dame, die pal naast het kamp woonde, ons allerlei radioboodschappen overbracht terwijl zij haar hond binnenriep. Zo riep zij dat er een grote bom op Japan was gevallen en dat gaf ons dan weer even wat meer moed. Als er in het kamp oude mensen of baby’s doodgingen had dat een grote impact op ons. Die doordringende nare lijkgeur zou ik ook nu nog direct herkennen.

Voedseldroppings

Van de bevrijding herinner ik me vooral de voedseldroppingen boven het kamp. Ik ben doodziek geweest van de chocola en Christmaspudding uit die grote vierkante kisten. Er zat ook kauwgom in, dat we toen voor het eerst uitprobeerden. Er kwamen enorme houten kisten uit de geallieerde vliegtuigen naar beneden vallen, maar ze konden niet precies richten. In de ziekenboeg waar mijn moeder lag, is een kist op een patiënte die buiten lag gevallen. Zij was op slag dood. Op dat moment besloot de hoofdzuster het voedsel uit de kist maar mee te begraven.

Bersiap

Vlak na de oorlog is mijn moeder twee weken Carel Jan via het Rode Kruis gaan zoeken in Bandoeng. Hans en ik waren erg bang dat ze niet meer zou terugkeren. Ze vond hem in het mannenkamp, maar daar verbood men haar hem mee te nemen. Pas twee weken later stond hij voor onze neus in Adek. De vreugde van het weerzien was van korte duur, want mijn moeder kreeg een ernstige longontsteking en werd naar het Amerikaanse legerziekenhuis gebracht. Dankzij de penicilline, die toen net was uitgevonden, heeft ze het gered. Wij bezochten haar om de beurt met een legertruck en moesten bukken voor de kogels van de Indonesische vrijheidsstrijders. In de ziekenboeg lag mijn moeder onder een klamboe, ze probeerde naar ons te lachen, maar ze zag er zo broos uit.

Weerzien

Via de Rode Kruislijsten op het kampkantoor van de Japanners die ons moesten beschermen, kwamen we te weten dat mijn vader op Ceylon moest zijn. Met een groot Engels vliegdekmoederschip zijn we met duizenden mensen vertrokken uit Tandjong Priok. Op dit schip kreeg ik mazelen. Er gingen kinderen aan dood en die kregen een begrafenis op zee. Met een kleiner schip werden we afgezet in Colombo. Het Rode Kruis daar vroeg: ‘Wat komt u doen, uw man zit in Singapore.’ Mijn vader bleek uiteindelijk in Bangkok te zijn, waar hij met een aantal andere docenten een school oprichtte voor oorlogskinderen. We kwamen ’s avonds met onze sloep aan en op de kade stond mijn vader. Mijn jongste broer en ik herkenden hem niet en ik zei ‘Dag meneer!’ tegen hem. Dit moet een klap voor hem zijn geweest.

Een betere klik met vrouwen

In 1946 repatrieerde ons gezin naar Rotterdam. Mijn grootouders van vaders zijde namen ons in huis. Vanwege het gebrek aan onderwijs in het kamp had ik een enorme schoolachterstand. Er werd zelfs gezegd dat ik alleen geschikt was voor LOM-onderwijs. Gelukkig gaven de Montessorischool en de Vrije School in Den Haag me een kans. Mijn vader gaf me dagelijks les en zo maakte ik een grote inhaalslag. Ik vond het lastig om les van een man te krijgen, want ik was gewend aan de vrouwelijke leiding in het kamp en met vrouwen had ik een betere klik. Ik wilde graag naar de toneelschool, maar moest van mijn vader eerst een fatsoenlijk vak leren, dus het werd de kweekschool, die ik in twee jaar voltooide. Daarna vervulde ik mijn militaire dienst bij de marine, dus pas laat kon ik eindelijk aan de toneelschool beginnen. Wim Kan en Corry Vonk zijn altijd mijn grootste fans geweest en ze kwamen vaak samen naar mijn optredens kijken. Heerlijk was het om hen na afloop te zien.

Allemaal gelogen!

Bij de onthulling van het Indiëmonument in Den Haag op 15 augustus 1988 door Koningin Beatrix, was ik een van de sprekers. Mijn vader was in Bangkok begonnen met het opschrijven van zijn oorlogsherinneringen, bijvoorbeeld hoe hij de Junyo Maru scheepsramp had overleefd. Daar las ik een paar fragmenten uit voor tijdens die onthulling. Hoe ouder ik word, hoe meer herinneringen en nachtmerries ik toch over de oorlog en de Bersiap heb. We spraken er thuis nooit over. Ook later met mijn broers sprak ik er niet veel over. Met kampgenoten als Willem Nijholt en Marijke Merkens maakte ik wel Maleise taalgrapjes, maar over de ergste oorlogsherinneringen sprak je niet. Wel pik ik de Indische Nederlanders er altijd meteen uit op straat. Je herkent hun houding, hun manier van lopen en hun zangerige manier van praten. Mijn moeder was heel positief en wilde vooral focussen op de toekomst. Een tante vroeg: ‘Wat kregen jullie nou zoal te eten in dat kamp?’ Mijn moeder antwoordde: ‘Af en toe een handje rijst.’ Waarop mijn tante zei: ‘Rijst? Dat hebben wij in geen vijf jaar gezien!’ Mijn vader was stiller en somberder. Toen in 1957 de film ‘Bridge on the River Kwai’ uitkwam, namen we mijn vader mee naar de bioscoop in Rotterdam. De film begon, doodse stilte. Opeens zei mijn vader: ‘Allemaal gelogen!’ En terwijl in de film de brug werd gebouwd, zei hij: ‘Veel te groot! Die brug was qua afmetingen veel kleiner!’

Cover “Een tropische herinnering”, 2013. Foto: familiealbum Eric Schneider.
Cover “Een tropische herinnering”, 2013, Foto: familiealbum Eric Schneider.

Boek én toneelstuk

Een toneelstuk biedt weer andere mogelijkheden om mijn verhaal te vertellen. Het stuk is niet echt autobiografisch, maar er zitten wel herkenbare elementen in. Mijn broer Hans belde me meteen op nadat het boek was verschenen, ‘Zeg Eric, wie was die minnaar van onze moeder eigenlijk?’ Ik gaf hem geen antwoord. Veel vrouwen droegen alleen de verantwoordelijkheid voor hun kinderen na de internering van de mannen. Hun visie op het leven veranderde in een tweede volwassenwording met vele gevolgen van dien. Die thema’s heb ik in het boek en toneelstuk proberen te vatten. ‘Wat deden we daar eigenlijk?’ en ‘De stilte en het onvermogen te spreken in Indische families.’ Veel dingen zullen hoop ik herkenbaar zijn.

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak december 2014