Ik breek graag een lans voor onze cliënten!

De Pensioen en Uitkeringsraad neemt afscheid van Elske ter Veld.

Oud-PvdA staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (1989-1993) Elske ter Veld vertelt in dit interview over haar betrokkenheid bij de Pensioen- en Uitkeringsraad vanaf 1998 tot 1 mei 2015 in diverse functies.

Waar komt uw strijdlust vandaan?

‘Wetten zijn bedacht in Den Haag, maar de praktijk pakt soms anders uit. Dan probeer ik nog graag een lans te breken voor onze cliënten! Als de dingen niet zijn zoals ze horen te zijn, dan kan het misschien toch anders. Van huis uit ben ik gewend op te komen voor mijn jongere broers en zussen. Mijn ouders waren echte SDAP’ers. Ik ben geboren in Groningen op 1 augustus 1944. Mijn moeder liep met mijn kinderwagen vol bonkaarten onder mijn matras rond.

Toen ik acht jaar was, wist ik al dat ik Tweede Kamerlid wilde worden zoals mijn oudoom, de kinderboekenschrijver Theo Thijssen van ‘Kees de Jongen’. Na de Sociale Academie werd ik via Jongerenwerk vanzelfsprekend lid van de FNV, vervolgens ging ik aan de slag bij het FNV-secretariaat voor vrouwelijke werknemers in Amsterdam. Vanuit het vakbondswerk werd ik in 1981 tot Kamerlid gekozen, zodat mijn droom uitkwam.’

Elske ter Veld, 2015.
Elske ter Veld, 2015, Foto: Ellen Lock.

Hoe raakte u betrokken bij de Pensioen- en Uitkeringsraad?

‘Tijdens mijn Kamerlidmaatschap had ik de sociale verzekeringswetten in mijn portefeuille. In 1984 zag ik van nabij de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 ontstaan, kortweg Wubo genoemd. Dankzij de lange adem van mevrouw Hennie Reimelink, die voor haar broer en andere burger-oorlogsgetroffenen het idee voor deze wet heeft aangekaart in de Tweede Kamer. In 1997 vroeg de toenmalige voorzitter van de Raadskamer Wubo, Theo Terhorst, mij om hem op te volgen en in 1998 werd ik benoemd. Ik kende Terhorst nog uit de tijd dat ik als Tweede Kamerlid stage ging lopen bij de Sociale Dienst van de Gemeente Den Haag, waar hij directeur was. Ik zag toen hoe de wetgeving stuitte op bepaalde praktijksituaties. Is dit wel zoals de wet is bedoeld? Ook als deze wet, de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, in de praktijk anders uitpakt, moet de Pensioen- en Uitkeringsraad - een college van negen leden waarin de verschillende doelgroepen zijn vertegenwoordigd - soms een knoop doorhakken en een beslissing nemen.’

Had u al affiniteit met de burger-oorlogsgetroffenen?

‘Ja, via de vriendenkring van mijn ouders kreeg ik verhalen mee van mensen die ernstig oorlogsgeweld hadden overleefd, zowel hier in Europa als in Azië. In de afgelopen zeventien jaar woonde ik maandelijks hoorzittingen bij waarbij met name de burger-oorlogsgetroffenen hun bezwaarschrift kunnen toelichten.
Aan dit persoonlijke contact met hen bewaar ik goede herinneringen.
Een bijzonder aspect dat ik vaak teruglas in hun dossiers is dat het oorlogsgeweld hen plotseling overkwam. Je was op het verkeerde moment op de verkeerde plek. Dat laat deze gewone burgers, die opeens overvallen werden door oorlogsgeweld zoals een schietpartij of een bombardement, vaak achter met een gevoel van machteloosheid en dat blijft bij hen knagen.’

Waar kon u het verschil maken in de Pensioenen Uitkeringsraad?

‘Ik ben nog altijd goed op de hoogte van de sociale wetgeving en overzie vaak snel de gevolgen van een wetswijziging voor onze wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen. Zo heb ik altijd naar garanties gezocht om te voorkomen dat iemand door de toekenning van onze financiële ondersteuning er per saldo op achteruit kan gaan door het wegvallen van andere inkomstenafhankelijke regelingen, zoals de huursubsidie, de zorgtoeslag of een vrijstelling van gemeentelijke belastingen.
oorafgaand aan de overgang van de Pensioen- en Uitkeringsraad naar de SVB in 2011 was ik als plaatsvervangend voorzitter betrokken bij de harmonisatie van de verschillende wetten en bij het samengaan van de verschillende Raadskamers in één afgeslankt College van Raadskamers. Het was de afgelopen vier jaren heel prettig samenwerken met de voorzitter mevrouw Hans Dresden en met de overige zeven Raadsleden. We keken bij de uitvoering van de wetten steeds meer naar welke wet voor de cliënt het meest gunstig uitpakte. Ook streefden we naar minder administratieve rompslomp voor cliënten en een vereenvoudiging van de wet- en regelgeving voor onze steeds oudere cliënten. Zo ontstond de ‘Deelname aan het Maatschappelijk Verkeer’, een bijdrage voor reis-, internet- en telefoonkosten waardoor iemand minder geïsoleerd raakt en sociaal actief kan blijven en de toekenning van een vast budget voor huishoudelijke hulp.
Van 1 januari tot 1 mei 2015 was ik voorzitter van een adviesgroep van vier raadsleden voor het beleid en de uitvoering van de Algemene Oorlogsongevallenregeling bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. We hebben gekeken of deze regeling eenvoudiger en met minder papierwerk voor de rechthebbende kan worden ingepast en ook hier geldt dat bij ‘samenloop’ met onze andere wetten de beste uitkomst voor de cliënt moet worden verkregen. Nu zit mijn taak erop, ik heb dit werk altijd met veel plezier gedaan en zal mij blijven inzetten voor mensen die dat nodig hebben.’

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak, Juni 2015