Voor mij is de oorlog voorbij, ik heb de bladzijde omgeslagen

Couturier Edgar Vos als kind in een jappenkamp

Edgar Vos (74) is één van Nederlands beroemdste ontwerpers van haute couture. In Nederland heeft hij zestien goed lopende Edgar Vos Boutiques, waaronder de bekende winkel in de P.C. Hooftstraat in Amsterdam. In de herfst van 2000 gaf hij zijn allerlaatste haute-couture show in het Hilton-hotel in Amsterdam, maar hij is nog steeds betrokken bij de ontwerpen voor zijn winkels. Edgar Vos heeft veel bereikt in het leven. Hij kent echter ook het andere uiterste: als kind zat hij in een jappenkamp.

Prinses

“Op 5 juli 1931 ben ik geboren in Makassar in Nederlands-Indië. Later verhuisden we naar Soerabaja. Mijn vader was kapitein op een pakketboot van de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij (KPM) en voer altijd in de Indische Archipel. We hadden zeven man personeel waaronder een lieve baboe, Dari, die mij en mijn drie jaar oudere broertje Henkie heeft opgevoed. Als mijn broertje of ik verdriet hadden, renden we naar baboe Dari en niet naar mijn moeder, want die mocht ik niet eens een kus geven vanwege haar make-up. Mijn vader was altijd op zee en mijn moeder ging iedere avond uit. Zij had een collectie van 37 schitterende avondjurken, omdat zij dagelijks op pad ging naar sociale evenementen. Alleen om drie uur ‘s middags zag ik haar en om vijf uur ging ze in haar ruisende avondjurk naar het volgende evenement. Ik vond het heerlijk om haar te helpen met optutten en om haar als een prinses te bewonderen.”

Schele Japanners

“Na de slag in de Javazee op 27 februari 1942, werd Indië door de Japanners bezet. Toen de bezetting begon was ik negen jaar. Mijn vader had ons verteld: ‘Je hoeft niet bang te zijn dat de Japanners ons aanvallen, want ze zijn zo scheel dat ze beslist niet kunnen vliegen.’ Totdat we voor onze schuilkelder stonden en er vanuit de lucht op tien centimeter achter ons kogels in de muur werden geschoten. Later zijn we naar ons huis in de bergen gegaan omdat mijn moeder het te gevaarlijk vond worden in Soerabaja. Toevallig vonden de Japanners het gebied waar ons tweede huis lag geschikt voor een  opvangkamp en zo lag ons huis ineens midden in een kamp. Al gauw stroomde ons huis vol met Europeanen.”

Edgar Vos.
Edgar Vos.

Mijn hond werd voor mijn ogen vermoord

“Mijn broer hield van knutselen. Van twee fietswielen maakte hij een grote kar. Met deze kar ging ik naar de markt. Ik vond het prachtig om af te dingen en mijn groenten en fruit daarna met winst te verkopen aan de buren. Na zeven maanden rust werden de Japanners strenger, zo pakten zij mijn hond op straat van me af en vermoorden hem voor mijn ogen. Ze wilden ons op transport zetten, daarom moesten ze van onze huisdieren af. In januari 1943 werden wij met de trein getransporteerd naar Midden- Java. Dat jaar mocht ik bij mijn moeder blijven, maar toen ik 10 jaar werd kwam ik in het jongenskamp Bangkong terecht waar mijn broertje al zat. Het kamp was in een oud klooster met internaat gevestigd. We sliepen op een brits van 60 cm in een barak. Je werd kaalgeschoren, je kreeg slechts een short aan en mocht geen schoenen dragen. In dat jongenskamp wilde ik alleen maar naar mijn moeder.”

Oleander

“De Japanners wilden ons tot slaven maken en daarom moesten we zware arbeid verrichten. Ik werkte de hele dag op een patjolveld. Een patjol is een schop met het blad loodrecht op de lange houten steel waarmee je de grond omspit. We moesten visvijvers graven. In deze vochtige omgeving waren overal malariamuggen waardoor ik 66 keer malaria heb gehad. Eén keer per dag kregen we sojapap. Op het patjolveld vingen we kikkers en slangen. Je veegde de dode beesten over het zout op de huid van je rug, waarna je ze in een vuurtje bakte. Als je honger hebt, eet je alles.

Achter de heuvel van het patjolveld was het vrouwenkamp. Mijn moeder werkte op de aangrenzende sawa’s, maar we mochten geen contact met elkaar hebben. Mijn broer was weer eens aan het knutselen en had een radiostoorzender in een bezem gemaakt. We zijn verraden en samen 48 uur zonder eten of drinken in een hangkast opgesloten. Daarna werden  we uren met onze armen achter onze rug opgehangen aan een bamboestok boven de grond in de brandende zon. Vervolgens werd er een emmer water voor onze mond geplaatst en werden we volgegoten. Als we een plas zouden doen, dan werden we doodgeschoten. Opeens hoorde ik Henkie heel hard gillen, zijn blaas was geknapt. Henkie werd naar de ziekenboeg gebracht en de verpleegsters zeiden dat het ernstig met hem was gesteld. De hele nacht moest ik zijn hand vasthouden. Hij zei tegen mij: ‘Je moet goed op mammie passen, we hebben daar nog drie rijksdaalders.’ Met zijn hand in de mijne is hij gestorven. Henkie’s lichaam is in een grote rieten mand op een kar gezet en weggereden. Ik mocht niet mee. Van een grote oleanderstruik pakte ik een tak, die ik nog in zijn hand kon drukken.

In het vrouwenkamp wisten ze dat er iets was gebeurd met Henkie. Mijn moeder mocht voor deze ene keer naar de patjolheuvel komen en ik vertelde haar dat Henkie was overleden. Ze droeg oorbellen, zelfs in het kamp bleef ze een dame. Ik zei dat hij was overleden aan een hartaanval. Ik heb haar nooit de ware toedracht verteld, want die vond ik te erg. Mijn moeder liep met tranen over haar wangen terug van de patjolheuvel. Een Jap vroeg haar: ‘Waarom huil je?’ ‘Omdat ik heb gehoord dat mijn zoon is overleden!’, antwoordde ze. ‘Van wie heb je dat gehoord?’, vroeg hij. Ze antwoordde niet, omdat het streng verboden was om je kind te spreken. Als straf werd ze met een stok bewusteloos geslagen.”

Ontsnapt

“Drie maanden later was het zogenaamd vrede. Na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 was er in Indië nog helemaal geen sprake van ‘vrede’. De kampleiding kwam in handen van de Indische handlangers van de Japanners. Ik zocht mijn moeder op in het vrouwenkamp. Ze lag in een hoek van de barak. Ik ging bij haar liggen en wilde nooit meer bij haar weg. Mijn moeder wilde naar ons huis in Soerabaja zodat mijn vader ons zou kunnen vinden. Echter in Soerabaja kregen we een ander huis toegewezen. Toen de Merdeka-opstand begon, kreeg ik van schrik een acute verlammingsaanval. Ik werd opgenomen in een ziekenhuis van het Leger des Heils en kreeg vitamine-injecties. Terwijl ik daar lag werden alle mannen en jongens door de Javanen opgepakt en moesten spitsroeden lopen. Mijn beste vriendje is doodgeslagen. Toen ik uit het ziekenhuis kwam, werd het zo gevaarlijk dat de Gurkha’s ons kwamen beschermen. De Javanen waren nog erger dan de Jap. Voor ons was de bevrijding geen bevrijding, we leefden nog steeds in angst. Omdat het ook te gevaarlijk werd in Soerabaja werden mijn moeder en ik met andere Europeanen in een konvooi met acht vrachtwagens door de Gurkha’s naar Jakarta vervoerd. In drie vrachtwagens zijn handgranaten naar binnen gegooid en alle inzittenden waren dood. We zijn op het nippertje aan de dood ontsnapt.”

Een reep chocolade

“We reden naar de haven van Jakarta. Daar vroeg ik aan iedere marinier: ‘Bent u mijn vader?’ Na een paar weken antwoordde iemand: ‘Je vader ligt hier met zijn boot in de haven.’ Ik liep naar de boot toe, en ging  alvast zijn kajuit binnen, waar een koffer stond die ik uit nieuwsgierigheid opende. Bovenop lag een reep chocola. Gewend aan de oorlog, stopte ik alles wat eetbaar was direct in mijn mond. Plotseling kwam mijn vader de kajuit binnen, zag mij met die reep in mijn mond en gaf mij een enorme klap in mijn gezicht.

Edgar Vos.
Edgar Vos.

Hierdoor is het nooit meer goed gekomen tussen ons. Al die jaren in het kamp had ik zo naar ons weerzien verlangd en daarom was zijn reactie voor mij onbegrijpelijk. Achteraf bleken er foto’s van zijn nieuwe Australische vriendin in de koffer te zitten en hij dacht dat ik had rondgeneusd in zijn foto’s.”

Iedere dag feest

“Na de oorlog was het een heel gevecht voor mij om in de Nederlandse maatschappij mee te draaien. Ik was zeventien jaar toen ik met mijn moeder naar Nederland kwam. Mijn ouders deden nog één poging om samen te wonen, maar mijn vader ging er uiteindelijk toch vandoor met zijn nieuwe liefde. Jarenlang had ik geen school gevolgd, maar wel veel levenservaring opgedaan. Na de verkorte avond-HBS werd ik toegelaten tot de Rietveldacademie voor de opleiding tot binnenhuisarchitect, maar ik wilde graag mode doen, dus dat deed ik ernaast. Mijn vader vond mode maar niets. Tegen zijn zin studeerde ik af in mode, maar wel cum laude. Ik ben met niets begonnen. Ik ging naar Parijs waar ik me aanmeldde bij Christiaan Dior, om daar tegen betaling van 70 gulden per week stage te mogen lopen. Terug in Nederland zette ik in 1971 mijn eerste Edgar Vos Boutique op, die al snel uitbreidde tot 16 modezaken. De mode was iedere dag voor mij een feest: Ik had zes klanten per dag, ontmoette iedere dag nieuwe mensen en maakte grote coutureshows.”

Opboksen tegen een dode

“Mijn moeder is 95 jaar geworden en tot haar dood is ze nooit over het verdriet van Henkie’s dood heen gekomen. Alles aan hem was prachtig. Mijn hele leven heb ik mijn moeder iedere maandag gezien, en als ik ergens heen moest, dan nam ik haar mee. Nooit gaf ze mij een compliment, Henkie had alles altijd beter gedaan. Een groot deel van mijn leven heb ik moeten opboksen tegen mijn dode broertje. Een heel dubbel gevoel, want ik zag hem als mijn beste vriendje en tegelijkertijd als mijn grootste concurrent. Maar je kunt niet met een dode concurreren, dus heb ik me er op een gegeven moment maar bij neergelegd.”

Edgar Vos.
Edgar Vos.

Herdenken

“Herdenken? Daar doe ik niet aan mee. Ik heb meer in mijn leven meegemaakt dan alleen dat kamp. Ik denk er nooit meer over na. Over een maand ga ik weer met gehandicapte kinderen varen op het IJsselmeer, dát vind ik belangrijk. Ik heb het dagboek van mijn broer nog. Hij had een oud schriftje waarin hij iedere dag schreef wat er gebeurd was. Een paar jaar geleden ben ik met mijn vriend naar Indonesië gereisd om hem alles te laten zien. Ik ging terug naar de plek van het voormalige jongenskamp Bangkong. Wonderlijk genoeg stond de oleanderstruik er nog, waarvan ik een tak voor Henkie’s begrafenis had geplukt. Bij het zien van die oleander kreeg ik tranen in mijn ogen. Ik heb in mijn huis niet eens een foto van mijn broertje staan, die heb ik in een lade liggen. Ik heb er ook geen behoefte aan. Voor mij is de oorlog voorbij, ik heb de bladzijde omgeslagen.”

Interview: Ellen Lock, PUR-cliëntenblad Aanspraak, Juni 2005