‘Als mijn familie maar veilig is!’

Eddy Flora overleefde de Japanse bezetting en Bersiap op Borneo.

Eddy Flora, 2013
 
 
 
 
Eddy Flora, 2013, Foto: Ellen Lock

Sinds 1 januari 2012 vertegenwoordigt Eddy Flora de Molukse en Indische cliënten in de Cliëntenraad voor Verzetsdeelnemers en Oorlogsgetroffenen bij de Sociale Verzekeringsbank. Vanaf zijn achttiende deed hij vrijwilligers- en kerkelijk werk voor de Molukse- en Nederlandse gemeenschap. Op Borneo overleefde hij als kind van een KNIL-militair de Japanse bezetting en de Bersiap.

Opgroeien in een KNIL-familie

In het Apokayan hooggebergte van Borneo ligt mijn geboortedorp Long Nawang. Om de grens met Brits-Borneo te bewaken was mijn Molukse vader als korporaal in deze KNIL-buitenpost gelegerd. Hier leerde hij mijn moeder kennen, afkomstig uit een traditionele Dayakfamilie. Zij had al een dochter Emma uit een eerder huwelijk. Als oudste zoon groeide ik op in dit protestantse gezin. Voor de oorlog werden mijn twee broers geboren en in 1944 nog een derde. In 1940 kreeg mijn vader opdracht om een kaderopleiding voor sergeant te volgen op Java, waardoor hij met zijn gezin werd overgeplaatst. Volgens de adat moest mijn zus Emma achterblijven bij mijn alleenstaande grootvader. Ons vertrek viel de familie zwaar. Achtereenvolgens woonden we in militaire kazernes in Tandjoeng Selor, Tarakan en Samarinda. Uiteindelijk zouden we allen naar Java vertrekken, maar door het uitbreken van de oorlog bleven we noodgedwongen in Samarinda.

Vader en moeder Pontianak, 1946. Foto: Familiealbum Eddy Flora.
 
 
 
 
 
Vader en moeder Pontianak, 1946, Foto: familiealbum Eddy Flora.

De Japanse bezetting

Onze kazerne in Samarinda werd voortdurend gebombardeerd en beschoten door kleine Japanse gevechtsvliegtuigen. Net als alle kinderen kreeg ik een stukje rubber aan een touwtje om mijn hals om tussen mijn tanden te klemmen tijdens bombardementen. Minstens drie keer per dag schuilden we in loopgraven twee kilometer buiten de kazerne. Vaak bereikten we ze net niet op tijd en dan rende je tussen de kogelen bommenregen door. Ik zag veel doden en gewonden. Nog altijd ben ik doodsbang als ik in de verte vliegtuiggeronk hoor. Op 2 februari 1942 kwamen de Japanners zwaar bewapend onze kazerne binnen. Ze dreven de KNIL-gezinnen bijeen op het grasveld en in de barakken zochten ze naar bewijsstukken van het KNIL-leger. Als ze iets vonden werd je ondervraagd, gemarteld en afgevoerd. Trillend van angst hoopten we dat ze niets zouden vinden. Gelukkig had mijn moeder voor de inval alle medailles en papieren al begraven. Alle mannen werden meegenomen naar de gevangenis.

Eddy Flora, Vught, 1952. Foto: Familiealbum Eddy Flora.
Eddy Flora, Vught, 1952, Foto: familiealbum Eddy Flora.

Op bezoek bij vader in de gevangenis

Een week later mocht ik als zesjarige oudste zoon naar de gevangenis om mijn vader kleren te brengen. Voor elke Japanner die ik tegenkwam, moest ik diep buigen. In zijn cel zag ik mijn vader verslagen op de grond zitten.
Wij konden nauwelijks praten, want ik mocht niet lang blijven. Na vier weken werd hij broodmager vrijgelaten. Tot zijn verbazing was hij de enige KNIL-militair die de gevangenschap had overleefd.

Eddy Flora na de belijdenis, met vader en moeder, 1952. Foto: Familiealbum Eddy Flora.
Eddy Flora na de belijdenis, met vader en moeder, 1952, Foto: familiealbum Eddy Flora.

Sanga-Sanga

Na een half jaar werden wij overgeplaatst naar Sanga-Sanga. In dit dorp aan de monding van de Mahakam rivier was een oliewinning- en een olieopslagplaats. De Japanners wilden de installaties van de Bataafsche Petroleum Maatschappij in bedrijf houden. In het BPM-woonoord kregen wij een arbeidershuis met een tuin. Het was niet afgesloten met prikkeldraad, maar er was altijd patrouille. Mijn vader werd als dwangarbeider ingezet als klusjesman of elektricien om de gesaboteerde olieinstallaties te repareren. Tijdens geallieerde bombardementen moest hij doorwerken. Omdat zijn gezin onder bewaking stond, kon hij niet ontsnappen. De geallieerde vliegtuigen hielden geen rekening met de arbeidershuizen dus schuilden wij dagelijks wel vijf keer. De opslagtanks op de heuvels stonden soms dagen in brand. We waren bang dat de brandende olie ons huis zou verbranden.

Geweigerd in de schuilkelders

Mijn moeder bleef met de kinderen nog maanden in het woonoord wonen en had een moestuin aangelegd. In zijn zeldzame vrije tijd leerde mijn vader mij lezen en schrijven, omdat mijn moeder dit niet kon. Zij stuurde mij voor elke boodschap erop uit. Zo moest ik eens met twee lege flessen naar het dorpscentrum voor klapperolie. Terwijl ik het centrum naderde, werd het gebombardeerd. Bij de schuilkelders aangekomen, werd ik twee maal de toegang geweigerd door reeds schuilende buurtbewoners. Hoe konden zij een kind zo wegsturen? Vluchtend tussen de bomexplosies door, dacht ik alleen: ‘Als mijn familie maar veilig is!’ Huilend van angst dat mijn familie niet meer leefde, rende ik naar ons huis waar niemand was. Toen ik overstuur in een schuilkelder in mijn moeders armen vloog, vroeg ze verbaasd waarom ik die flessen nog droeg. “Jouw veiligheid is toch veel belangrijker, dan die last!

Familie Flora, Capelle aan der IJssel, 1957. Foto: Familiealbum Eddy Flora.
Familie Flora, Capelle aan der IJssel, 1957, Foto: familiealbum Eddy Flora.

Vluchten in de rimboe

Na deze hevige bombardementen moesten wij de brede rivierdelta oversteken en vluchten naar de dorpen in de rimboe. Met een kleine boot maakten wij de grote oversteek. Vlak na het verlaten van de oever vlogen geallieerde jagers schietend over ons heen. Onder de modder, nat, bibberend en huilend kwamen wij aan de overkant. Later hoorden wij dat het schieten was bedoeld voor Japanse doelen in de buurt.
Wij kregen een huis op palen in het dorp toegewezen. In deze kampong voelden wij ons veilig. Vader bleef verplicht overvaren voor zijn werk.
Er liepen vaak Japanse patrouilles op zoek naar gevluchte arbeiders en gevangenen. Op een nacht stonden twee gevluchte Ambonese geïnterneerden in sarongs vermomd voor onze deur en vroegen om onderdak. Eén van hen heette Syahailatua. Ze mochten drie dagen in onze schuilkelder blijven. Als het werd ontdekt, zou vader beslist worden onthoofd.
Tegen het donker bracht ik hen eten en drinken. Daarna vluchtten zij de rimboe in. Zes maanden later moesten we terug naar de BPM-woning. Mijn ouders vonden dit niet erg, want de moslim dorpsbewoners wantrouwden het protestants en Nederlands gezind KNIL-gezin in hun midden.

Vader gevangen

Mijn vader kwam op een avond niet thuis en was gevangen genomen door de Japanse militaire politie, de Kempetai. Hij werd langdurig ondervraagd, maar het bleef onduidelijk waarom hij was opgepakt. Door zijn arrestatie vertrouwden wij niemand meer. Na drie maanden kwam hij thuis en moest hij zijn werk hervatten. Hoewel de bevrijding nabij was, konden mijn ouders niet slapen. Zij zaten avonden afscheid te nemen en te bidden. Elk moment kon de Kempetai binnenvallen en vader weer meenemen. Zijn bundeltje kleren lag al klaar naast de voordeur.

Eddy Flora met dochter Esther, Capelle aan der IJssel, 1965. Foto: Familiealbum Eddy Flora.
Eddy Flora met dochter Esther, Capelle aan der IJssel, 1965, Foto: familiealbum Eddy Flora.

Japanse capitulatie

De capitulatie van Japan was op 15 augustus 1945. Australische troepen waren in Sanga-Sanga aangekomen om de Japanners te ontwapenen. Alle KNIL-militairen moesten zich melden bij hun legeronderdeel in Balikpapan. Ik was onder de indruk van de Australische landingsboot en van de soldaten in hun rode blote bast en met brede hoeden. In de namiddag landden wij, tot onze knieën in het water lopend, op een strand in Balikpapan. Een heerlijk vrij gevoel.
We werden naar het evacuatiekamp Gunung Pipa gebracht. Twee maanden later werden we overgeplaatst naar noodwoningen langs de kust. Er was een lange houten loopbrug over het brede strand gebouwd om naar de toiletten te gaan. Op dit strand lagen honderden halfvergane schedels en skeletten, die je met hun witte tanden lachend aankeken als je naar het toilet moest. Hier hadden de Japanners hun slachtoffers onthoofd. Op het strand speelden wij tussen die schedels en skeletten.

De Bersiap-periode

Onverwacht kwam er een groep Indonesische vrijheidsstrijders met grote kapmessen de asfaltweg op, richting onze barak. Een paar barakken verderop werden vrouwen en kinderen gedood. Wij vluchtten naar binnen en sloten alles af. Op straat werd gevochten met de marechaussees die ons bewaakten. Een heldhaftige Menadonese oom van mijn moeder heeft ons met zijn collega’s, Ambonezen en Timorezen, gered en onafgebroken bewaakt. Voortaan werd iedereen gefouilleerd en het was afgelopen met buitenspelen. Uiteindelijk vertrokken wij met een KPM-vrachtschip mijn vader achterna naar Pontianak. Voor mij was het geweldig om rond te lopen op een dek met mitrailleurs en kanonnen. Vanaf de boeg zag ik dolfijnen zwemmen.
Elke haven was een ontdekkingsreis. In opslagloodsen maakte ik uit nieuwsgierigheid vaak voedselkisten open en vond heerlijke cornedbeef. Voor onze veiligheid bleven we twee maanden op die boot, want de vrijheidsstrijders waren nog in Pontianak.
Zodra de kust veilig was gingen wij aan land. In Pontianak kreeg ik op de Hollands Indische School les in het Nederlands. Mijn vader was gepromoveerd tot sergeant, maar wegens een tekort aan mankracht werd hij overgeplaatst naar de Militaire Politie.
Hij moest hard optreden tegen de vrijheidsstrijders. Op den duur werd het zo onveilig voor ons dat het beter was om maar in de Molukken te demobiliseren. In 1951 vertrokken wij naar Nederland.

Eddy en Emma Flora, Rotterdam, 1992. Foto: familiealbum Eddy Flora.
Eddy en Emma Flora, Rotterdam, 1992, Foto: familiealbum Eddy Flora.

Kennismaking met Nederland

In Port Said kregen we alvast warme kleding. Bij aankomst in Nederland was het koud en mistig. Verbaasd zag ik in de Rotterdamse haven blanken met kisten sjouwen, in Indië deden alleen koelies dat. We werden naar het voormalige concentratiekamp Vught gebracht. Dat leek op onze KNIL-kazernes uit Indië. Er was nog een dubbele afrastering van vier meter hoog en elk weekend kwamen veel Hollanders naar ons kijken door het prikkeldraad. Oranjegezind had ik een Nederlands vlaggetje op mijn fiets. Op mijn fietstochten groette ik boeren en boog uit respect, maar niemand boog terug. Na de Watersnoodramp in 1953 kregen wij een noodwoning in Kruiningen toegewezen. In Goes ging ik naar de ambachtsschool. Tot mijn pensioen werkte ik bij de gemeente Rotterdam als bedrijfsleider van de afdeling Sport- en Recreatie. Naast mijn werk probeerde ik steeds aandacht te vragen voor de Molukse en Indonesische christenen van de protestantse kerken in Nederland. Per 1 januari 2012 ben ik als representant van de Molukse doelgroep lid van de Cliëntenraad voor oorlogsgetroffenen en verzetsdeelnemers bij de Sociale Verzekeringsbank.

Eddy Flora, 2013
Eddy Flora, 2013, Foto: Ellen Lock.

Herdenken

Met de Indië-Herdenking heb ik niet zoveel. Voor Molukkers is 25 april belangrijker omdat op die dag in 1950 de Republik Maluku Selatan (RMS) op Ambon werd uitgeroepen. Jaarlijks komen we op die dag in groten getale bijeen. In het begin was ik actief betrokken, maar in de laatste vijftig jaar ben ik actiever in de kerk. Mijn zus Emma woont nog in het binnenland van Borneo en met mijn vrouw heb ik haar vaak bezocht. Ook bezochten wij mijn oude woonoorden en ons BPM-huis stond er nog. Nu ik ouder word, verlang ik meer naar vroeger en naar mijn ouders. Ik krijg meer bewondering voor hun leven op Borneo. Door de oorlog en Bersiap-periode hadden wij een bijzondere band. Met hun overlijden, namen zij helaas ook een groot deel van onze gezamenlijke geschiedenis mee. Ik zou nog zoveel aan hen willen vragen en ik mis ons diepe contact.

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak maart 2013